Terug naar Ecclesianet.nl

Augustinus’ veranderende visie op God

Ds. I. J. Wisse, Rijnsburg

Wanneer we een juiste indruk willen krijgen van wat Augustinus’ opvattingen waren over bepaalde zaken betreffende het christelijk geloof, dienen we altijd na te gaan in welke periode van zijn leven hij deze dingen heeft gezegd of geschreven. Er valt bij hem namelijk een ontwikkeling waar te nemen. In de loop van de tijd is hij soms over bepaalde dingen anders gaan denken. Hij was zelf zich daarvan ook bewust. Op het eind van zijn leven heeft hij zijn geschriften nog eens doorgenomen en in zijn Nalezingen (Retractationes) zijn gewijzigde opvattingen te boek gesteld.
Waar hij met name ook een andere visie op kreeg, dat was op de persoon van God: als hoedanig zag hij Hem? Naarmate Augustinus de Heilige Schrift beter leerde verstaan, ging hij meer bijbels denken.
Toen hij op het meest onverwachte ogenblik tot priester was geroepen en gewijd, en hij op verzoek van Valerius, de bisschop van Hippo Regius, dadelijk moest gaan preken, had hij hem eerst gevraagd om een soort studieverlof. Hij vond namelijk, dat hij de Schrift nog te oppervlakkig kende en wilde zich hierin grondig verdiepen, voordat hij haar aan de gemeente kon gaan uitleggen. Dat was in het begin van het jaar 391. Met een brief richtte hij zich toen tot de bisschop en verzocht hem om hem tot Pasen de gelegenheid te geven meer vertrouwd te raken met de inhoud van de bijbel. En we mogen er van uitgaan, dat dit verzoek werd ingewilligd.
Aan de hand van een drietal kenmerkende passages uit Augustinus’ werken zullen we ontdekken, dat hij inderdaad wat betreft zijn visie op de persoon van God vorderingen heeft gemaakt. Met opzet spreek ik van “vorderingen maken“, want over “vorderingen maken“ heeft hij het zelf nogal eens.
Eén van Augustinus’ vroege geschriften, Alleenspraken (Soliloquia), begint na een korte inleiding met een lang gebed. Dit geschrift stamt uit de periode kort na zijn bekering. Hij bevond zich toen op het landgoed van zijn vriend Verecundus, in Cassiciacum, niet ver van Milaan. Daar voerde hij wijsgerige gesprekken met vrienden en familieleden. Deze gesprekken werden stenografisch opgenomen en later door hem uitgewerkt.
In Alleenspraken, waarin het gaat over God, de ziel en de onsterfelijkheid, zegt Augustinus in zijn gebed onder andere:
“God, Schepper van het heelal, verleen mij ten eerste, dat ik op de goede manier U iets vraag, vervolgens, dat ik me waardig gedraag om door U verhoord te worden, ten slotte dat U mij bevrijdt (...). God, Vader van de waarheid, Vader van de wijsheid, Vader van het ware en hoogste leven, Vader van de gelukzaligheid, Vader van het goede en schone, Vader van het niet zinnelijk waarneembare licht (...), Vader van het onderpand waardoor wij vermaand worden om tot U terug te keren. U roep ik aan, God, Waarheid in wie en van wie en door wie waar is alles wat waar is. God, Wijsheid door wie en van wie en door wie wijs is alles wat wijs is. God, waarachtig en allerhoogst Leven in wie en van wie en door wie leeft alles wat waarlijk en ten hoogste leeft. God, Gelukzaligheid, in wie en van wie en door wie gelukzalig is alles wat gelukzalig is. God, het Goede en Schone in wie en van wie en door wie goed en schoon is alles wat goed en schoon is. God, niet zinnelijk waarneembaar Licht in wie en van wie en door wie niet zinnelijk waarneembaar licht geeft alles wat niet zinnelijk waarneembaar licht geeft (...). God, die ons het brood des levens geeft. God door wie wij dorsten naar de drank waardoor wij nooit meer dorst krijgen (Joh. 6:35). God, die de wereld overtuigt van zonde, van gerechtigheid en van oordeel (Joh. 16:8) (...). God, die ons reinigt en gereedmaakt voor goddelijke beloningen, kom mij genadig te hulp (...). God in wie Hij, die voortbrengt, en Hij, die voortgebracht wordt, één is (...). Zeg mij waarheen ik mijn geest moet richten om U te aanschouwen, en alles wat U beveelt, hoop ik te volbrengen (...). Niets anders heb ik dan mijn wil. Niets anders weet ik dan dat ik het onbestendige en vergankelijke moet verachten en dat ik wat vast en eeuwig is, moet zoeken. Dit doe ik, Vader, omdat ik dit alleen weet, maar hoe ik U moet bereiken, weet ik niet (...). Dit slechts smeek ik: dat U mij geheel en al tot U bekeert en niet toestaat, dat iets het mij onmogelijk maakt om mij tot U te richten (...). Maak mij tot een volmaakte beminnaar en ontvanger van Uw wijsheid, zodat ik het me waard toon bij U te mogen wonen als bewoner van Uw hoogstgelukzalig Rijk. Amen, amen“ (I, 1, 2-6).
Dit gebed heb ik niet volledig weergegeven, maar duidelijk is in elk geval, dat er een innig verlangen naar God in naar voren komt. En zeker ontbreekt het niet aan bijbelse noties en klanken. Maar zelfs als we niet wijsgerig geschoold zijn, voelen we toch wel aan, dat er dingen in aanwezig zijn, die vreemd zijn aan de Schrift. Verderop, na dit gebed, zegt Augustinus: “Alles waar ik om gebeden heb, wens ik te kennen“ (I, 4, 9). Dit kennen is stellig een intellectualistisch deel krijgen aan de waarheid. En het gebed was daartoe een middel.
Voor Augustinus was God op dat moment enkel de bron van de waarheid, van de wijsheid, van het ware leven, van de gelukzaligheid, van het goede en schone, van het niet zinnelijk waarneembare licht. Niet de verlossing van een drukkende zondeschuld zoekt hij, maar het geluk van bevrijd te worden van de vergankelijkheid, van de onreinheid en van de onzekerheid. Hij zoekt rust. En hierbij was het hem meer te doen om een intellectualistische dan om een religieuze beleving. Christus wordt niet met name genoemd, enkel aanduidenderwijs: “God in wie Hij, die voortbrengt, en Hij, die voortgebracht wordt, één is“, de eeuwige generatie van de Zoon door de Vader. In zijn Nalezingen brengt Augustinus hierin een correctie aan: hij had moeten zeggen: “God in wie Hij, die voortbrengt, en Hij, die voortgebracht wordt, één zijn“, overeenkomstig Joh. 10:30 (I, 1, 3). De wijze waarop hij hier Christus ter sprake brengt, is zó levenloos, dat er van een hartelijke overgave aan Hem niets te merken valt.
Het komt er feitelijk op neer, dat in de jaren vlak na zijn bekering in zijn geloofsbeleving er nog heel duidelijk restanten van de wijsbegeerte van Plotinus en Porphyrius te vinden zijn. Hij was zich trouwens hiervan zelf reeds bewust, toen hij zijn Belijdenissen (Confessiones) schreef (IX, 4, 7). Overigens is de invloed van deze wijsbegeerte ook later bij hem nooit geheel verdwenen.
In een bepaald ander geestelijk klimaat bevinden we ons, wanneer we vervolgens aandacht schenken aan een passage uit zijn Belijdenissen, een geschrift, dat dateert uit omstreeks 398, toen hij enkele jaren bisschop was. Hij vangt dit werk aan met een lofprijzing van God.
“Groot bent U, Here, en zeer te prijzen! (Ps. 145:3). Groot is Uw macht, en Uw wijsheid kent geen eind (Ps. 147:5). En prijzen wil U een mens, een deel van Uw schepping. Ja, een mens, die zijn sterfelijkheid met zich meedraagt, die met zich meedraagt het bewijs van zijn zonde en het bewijs, dat U de hoogmoedigen weerstaat (1 Petr. 5:5). En toch wil die mens, een deel van Uw schepping, U prijzen. U wekt hem ertoe op, dat hij er vreugde in vindt om U te prijzen. Want U hebt ons gemaakt met een gerichtheid op U, en onrustig is ons hart, totdat het rust vindt in U. Geef mij, Here, dat ik mag weten en verstaan wat er eerder is: U aanroepen of U prijzen. En of U te kennen er eerder is dan U aan te roepen. Maar wie roept U aan zonder U te kennen? Hij kan toch in zijn onwetendheid het verkeerde aanroepen. Of wordt U veeleer aangeroepen om U te leren kennen? Maar hoe zullen ze Hem aanroepen in wie zij niet geloofd hebben? Of hoe geloven zonder verkondiger (Rom. 10:14)? Wie de Here zoeken, zullen Hem prijzen (Ps. 22:27). Want wie Hem zoeken, vinden Hem, en wie Hem vinden, zullen Hem prijzen. Laat mij U zoeken, terwijl ik U aanroep, en U aanroepen, terwijl ik in U geloof. Verkondigd bent U ons immers. U wordt aangeroepen door mijn geloof, dat U mij hebt gegeven, dat U mij hebt ingeblazen door het menszijn van Uw Zoon, door de dienst van Uw verkondiger“ (I, 1, 1).
“Wie zal mij geven in U te rusten? Wie zal mij geven, dat U in mijn hart komt en dat U het dronken maakt, zodat ik mijn kwaad vergeet en U, mijn enig goed, omhels? Wat bent U voor mij? Ontferm U over mij, dat ik woorden mag vinden. Wat ben ik zelf voor U, dat U mij beveelt U lief te hebben en op mij toornig bent, wanneer ik dat niet doe, en mij dreigt met nameloze ellende? Zou deze gering zijn, als ik U niet liefhad? Wee mij! Zeg mij, Here, mijn God, om Uw barmhartigheden, wat U voor mij bent! Zeg tot mijn ziel: “Ik ben uw heil“ (Ps. 35:3). Zeg het zó, dat ik het hoor (...). “Verberg Uw aangezicht niet voor mij“ (Ps. 143:7). Laat mij sterven, opdat ik niet sterf, maar Uw aangezicht aanschouw“ (I, 5, 5).
“Tot wie zal ik roepen dan tot U: “Reinig mij, Here, van mijn verborgen zonden (Ps. 19:13)“ (...), want als U de ongerechtigheden gadeslaat, Here, wie zal zich dan staande houden? ( Ps. 130:3)“ (I, 5, 6).
Ook dit gebed heb ik enigszins verkort weergegeven. Ons moet onmiddellijk het verschil opvallen met de inhoud van Augustinus’ gebed in zijn Alleenspraken. Hier, in zijn Belijdenissen, spreekt hij van zijn feitelijke toestand voor God: hij ziet zichzelf als zondaar en weet zich als zondaar onderworpen aan de sterfelijkheid. Hij vraagt om reiniging van zijn verborgen zonden en dankt God voor Zijn genade. Zijn gebed gaat dan ten slotte weer over in een lofprijzing.
Hij heeft God gevonden, maar niet in eigen kracht, niet door eigen inspanning, niet door diepzinnige bespiegelingen, maar door de verkondiging van Gods Woord: “Hoe zal ik geloven zonder verkondiger?“ Door de dienst van een verkondiger is Augustinus tot geloof gekomen en heeft hij rust ontvangen. Waarschijnlijk heeft hij met die verkondiger Ambrosius bedoeld, de bisschop van Milaan wiens preken hem aan het denken hadden gezet en geraakt. De inhoud van de verkondiging was Gods heilsdaad in de menswording van Christus, Zijn Zoon. De onzekerheid, die we tegenkwamen in het gebed in de Alleenspraken, is verdwenen. Zonde en genade staan nu centraal. We merken ook, dat de formuleringen anders zijn geworden. God is niet langer een “het“: de bron van waarheid en wijsheid, van leven en licht, maar een persoon: God, de Here. “Mijn God“.
Al met al is deze lofprijzing uit de Belijdenissen meer schriftuurlijk, meer christelijk geworden, hoewel sommige formuleringen nog wijsgerige trekken vertonen.
Dat Augustinus gaandeweg een ander inzicht kreeg inzake bepaalde geloofsvraagstukken, in het bijzonder ook wat betreft zijn visie op God, blijkt vooral uit zijn omvangrijk geschrift De Drie-eenheid (De Trinitate). Gedurende twintig jaren is hij met dit werk bezig geweest, van ongeveer 400 tot 420. Verschillende keren heeft hij de arbeid aan dit geschrift moeten onderbreken wegens andere werkzaamheden. Zelf noemt hij het een moeilijk geschrift en alleen geschikt voor mensen met een scherp intellect. Hij besluit dit werk met een gebed waarin hij onder andere het volgende uitspreekt.
“Here, onze God, wij geloven in U, de Vader en de Zoon en de Heilige Geest. De Waarheid (Christus) zou immers niet hebben gezegd: “Ga heen en doop alle volken in de naam van de Vader en de Zoon en de Heilige Geest“ (Matth. 28:19), als U niet de Drie-eenheid zou zijn. U, Here God, zou niet bevolen hebben, dat wij gedoopt worden in de naam van iemand, die niet de Here God is. Evenmin zou de goddelijke stem gezegd hebben: “Hoor, Israël, de Here, uw God, is de enige God“ (Deut. 6: 4), als U niet zó de Drie-eenheid zou zijn, dat U de ene Here God zou zijn. En als U zelf God de Vader zou zijn en dezelfde zou zijn als de Zoon, Uw Woord, Jezus Christus, en dezelfde als Uw gave, de Heilige Geest, dan zouden we in de boeken van de Waarheid niet lezen: “God heeft Zijn Zoon gezonden“ (Gal. 4: 4) en zou U, Eniggeborene, niet hebben gezegd over de Heilige Geest: “Die de Vader zal zenden in Mijn naam“ (Joh. 14: 26) en “Die Ik u zal zenden van de Vader“ (Joh. 15: 26) “.
Terwijl ik mijn aandacht gaf aan deze geloofsregel, heb ik U gezocht, zoveel als ik kon, zoveel als U mij het vermogen daartoe geschonken hebt, en heb ik ernaar verlangd met het verstand te zien wat ik geloof, en veel heb ik overdacht en gezwoegd. Here, mijn God, mijn enige hoop, verhoor mij, dat ik niet door vermoeidheid U niet langer wil zoeken, maar steeds vurig Uw aangezicht zoek (Ps. 105: 4). Geeft U mij kracht om U te zoeken, U, die mij U deed vinden en hoop hebt gegeven om U steeds meer te vinden (...).
Toen een wijs man over U sprak in zijn boek, dat als titel heeft: “Jezus Sirach“, zei hij: “Wij zeggen veel en het eigenlijke bereiken we niet. De slotsom van onze woorden is: Hij als zodanig is het“ (Sirach 43: 27). Wanneer wij U bereikt zullen hebben, zal het vele, dat we gezegd hebben zonder het eigenlijke te bereiken, voorbij zijn en zult U als de Ene alles in allen zijn (1 Kor. 15: 28). En zonder einde zullen wij de Éne noemen, terwijl wij samen U prijzen, omdat ook wij in U één zijn geworden. Here, de éne God, de Drie-enige God, laten ook de Uwen erkennen alwat ik in dit boek heb gezegd, als het van U kwam. En laten U en de Uwen het me vergeven voor het geval iets van míj kwam. Amen“ (XV, 28, 51).

Na veel geestelijke inspanning was Augustinus’ werk over de Drie-eenheid tot stand gekomen, in een persoonlijke zoektocht. Het was hem niet te doen geweest om speculatieve beschouwingen, maar hij wilde steunen op de gegevens van de Heilige Schrift. En hij was ervan overtuigd, dat daar gesproken wordt over de drie-enige God. Dat komt in dit slotgebed duidelijk naar voren.
Intussen besefte hij, dat hij, hoewel hij zich door God gevonden wist, het wezenlijke, het diepste van God niet had kunnen beschrijven. Het was van zijn kant niet meer dan een poging daartoe geweest. Het zal dan ook een zoeken blijven, totdat ons in het hiernamaals alles ten volle geopenbaard zal zijn.
Onze slotconclusie moet zijn, dat Augustinus wat betreft zijn visie op God een geestelijke ontwikkeling heeft doorgemaakt, in positieve zin: doordat hij zich steeds meer richtte naar de inhoud van de Heilige Schrift.