Terug naar Ecclesianet.nl

De Septuagint - Brug tussen synagoge en kerk (II)

Prof. dr. A. de Reuver, Delft

Toen Seneca schreef "de ouderdom is een ongeneeslijke ziekte", sprak hij weliswaar geen onwaarheid, maar nog minder de héle waarheid. Talloze namen levert de historie op die illustreren hoe de kwaal die ouderdom heet, kan gepaard gaan met diepte van wijsheid en breedte van blik. Er is reden om Seneca's spreuk te wijzigen: de ouderdom is de moederschoot van gezonde wijsheid.

De verschijning van dr. Aalders' jongste geschrift over de Septuagint bevestigt de waarheid hiervan. Het is een boek op hoge leeftijd geschreven, zonder dat het aan ouderdomskwalen lijdt. Integendeel, het tintelt van vitaliteit en het straalt eruditie en rijpheid uit. Het getuigt ook van passie, zij het dat die is ingebed in wetenschappelijke reflectie. Maar die nauwelijks gestolde hartstocht blijft voelbaar. Het is een bewogenheid die de auteur deelt met de grote doctor ecclesiae Johannes Calvijn, die ten onrechte te boek staat als kil-verstandelijke jurist en van wie met recht is gezegd, 'dat zijn theologie het hart heftig beweegt en uitdagingen stelt aan de geest van de mens' (R.A. Peterson). Die attitude behelsde het aan Humanisme en Reformatie gemeenschappelijke streven om niet alleen te docere, maar ook te movere, niet alleen te leren, maar ook te bewegen. Deze existentiële doelstelling, die men gerust een roeping kan noemen, gaat achter Aalders' geleerdheid schuil. Zijn theologische oeuvre was en is nooit bedoeld om, tussen twee kaften geklemd, te worden bijgezet in de boekenrij van het studeervertrek, maar wil een boodschap zijn aan kerk en christenheid, wellicht moet men zeggen: aan de wereld in de ban van de geschiedenis. Met dit laatste woord treffen we Aalders' geëngageerdheid in het hart. Zolang ik hem ken en lees - vanaf mijn studententijd in de latere jaren zestig - heeft hij dit thema met onafgelaten urgentie te berde gebracht, in verzet tegen de tijd. De Sepfuagint heet zijn jongste boek enigszins objectiverend en gedistantieerd. Maar de onderstroom ervan geeft de studie een allure die ver uitstijgt boven een historisch-kritisch onderzoek naar ontstaan en betekenis van de Septuagint. Die onderstroom betreft niets minder dat de ultieme nood van de geschiedenis en daarmee de diepe nood van onze cultuur. Wie het boek ter hand neemt, stuit aanstonds op de 'Verklaring vooraf'. Niet: een 'woord vooraf', maar een verklaring! Die bevat, ondanks het feit dat hij slechts één enkele pagina behelst, een lading van gewicht. Tot viermaal toe valt daarin het woord 'ultiem'. Dat kan geen toeval zijn. Nog minder is het denkbaar dat Aalders, wiens woordenschat zo overvloedig is, even geen synoniem ter beschikking zou hebben gehad. Nee, het viervoudige 'ultiem' kan slechts een welbewuste signaalfunctie hebben. Ze is wat hem van meet aan

bezielde en wat ook aan dit boek zijn gedrevenheid geeft: 'het ultieme antwoord te vinden op de geschiedenis als ultieme menselijke nood'.

Hoogspanning staat er op de verklaring: 'Geschiedenis progressie? Een vloek (voor de vertrapten)!' Het is deze inzet die de lectuur van dit geschrift tot een fascinerende odyssee maakt. Want het doceert niet afstandelijk over lang vervlogen tijden, maar het moveert, het beweegt en raakt een diepe laag in onze existentie - het besef zelf part en deel te hebben aan de wieling van de mensheidsgeschiedenis. Aalders is een betrokkene èn hij maakt ook óns tot betrokkenen. In nood en uitweg, in vraag en antwoord. Zoals de Septuagint dat deed in die spiltijd van de ontmoeting tussen Jodendom en Hellenisme.

Van Luther heeft de auteur geleerd hoe onopgeefbaar de elenchtiek is, dat wil zeggen: de kwaal te benoemen alvorens de troost uit te reiken. Van Kierkegaard maakte hij zich eigen hoe onontbeerlijk het is, dat de "Augenblick" als weerlicht van de eeuwigheid inslaat in het bestaan, waardoor de mens tot een enkelvoud wordt. Met Buber weet hij dat dit het is waartoe de Schrift de menselijke persoon opvordert: 'das eigne Leben in diese wahre Geschichte einzubetten, sodass ich im Ursprung der Welt meinen Ursprung, und in ihrem Ziel mein Ziel finde (...). Zwischen Ursprung und Ziel setzt die Schrift den Augenblick, in dem ich, der Hörer, durch sie die Stimme vernehme, die vom Ursprung her auf das Ziel hier redet: diesen meinen sterblichen, ewi-gen Augenblick'(77).1'

Het creatieve en verrassende is dat Aalders het geheim van de geschiedenis wil insluiten door ons mee te voeren in de denk- en geloofswereld van de Septuagint. In deze Griekse - en eerste - canon van de Schrift, en met name in de Logos-speculaties van Philo van Alexandrië, de theoloog van de Septuagint, treft hij voetsporen aan van denkers en theologen die doorzagen hoe de reikwijdte van de Schrift bij machte is om vensters van licht te openen in de nacht van de geschiedenis. Daar gingen wijde perspectieven open, eschatologisch-apocalyptisch zicht op het acharit-karakter van de geschiedenis: uitzicht op het scheppend ingrijpen van de Eeuwige in het breukvlak van twee werelden: deze wereld en de komende wereld, het ogenblik van nu en de komende heerlijkheid (Romeinen 8).

Onontkoombaar voert Aalders' betoog naar een climax. Die bestaat uit de these dat het Nieuwtestamentische Evangelie niet valt te verstaan buiten zijn Joods-Hellenistische apocalyptische context. In de Verschijning van Jezus, in de exousia die Hij laat gelden, komt Gods doelwit met Israël en de volkeren tot vervulling. Het profetisch uitgeklaagde heimwee wordt gestild. Wie Hem werkelijk ontmoette, kon niet om Hem heen en wist zijn bestaan onteigend, zoals het Petrus verging: 'Sa vie fut traversée par une grande lumière'2' (103).

En nu? Want de geschiedenis wentelt voort. Draait ze maar door? Dat is schijn. Hef einde is begonnen. Ooit werd de Herder gedood en de kudde verstrooid, maar de Herder verrees aan gene zijde van de dood in het leven. Het is leven dat Hij niet voor Zichzelf houdt, maar met stervelingen deelt, zoals Hij de dood met hen deelde. Het oude is voorbij. De wending voltrokken. En nu moge de ure tussen Pinksteren en Parousie lang gerekt zijn en haar verloop vol raadsels, ze is geen verloren tijd. John Henry Newman karakteriseerde dit overvloedige uitstel trefzeker: 'Nothing remained but to gather in His saints.'3' De geschiedenis is geen eindeloze cirkelgang, evenmin een lineair proces van progressie, maar zij stokt en 'scheert - zo formuleert Aalders onvergetelijk - voortdurend rakelings langs de Voleinding heen, te allen tijde op dezelfde afstand, zodat, indien zij recht op het doel afging, de slotfase in een oogwenk zou zijn bereikt7.

De hemel is nabij. Onzichtbaar voor het blote oog, maar niet onmerkbaar voor het geloofsoog. Soms zelfs ziet men er voortekenen van, zoals het de auteur in 1938 overkwam tussen Echten en Oosterzee, toen het Noorderlicht het aardse gewelf doorstroomde. In Aalders' geschrift bespeurt men dat in zijn zielsoog dit licht nooit is gedoofd.

Vragen en kanttekeningen

Mag ik tenslotte zo vrijmoedig zijn om vragenderwijs een viertal kanttekeningen te plaatsen? De eerste heeft betrekking op de Septuagint. Zou het kunnen zijn dat daarin de hellenisering van het Hebreeuwse erfgoed toch nog minder eenduidig verliep dan de auteur gemeenlijk vermeldt? Binnen de vertaalgroep die eraan werkte, zijn globaal twee categorieën te onderscheiden. Om ze enigszins ongenuanceerd te typeren één die de Hebreeuwse brontaai zoveel mogelijk wilde hellenise-ren, en één die de Griekse doeltaal zoveel mogelijk wilde judaïseren. Terwijl de eerste categorie met haar streven naar aansluiting bij het Griekse denkpatroon en taalveld, ruimschoots aandacht ontvangt, blijft de tweede categorie, die hef Grieks slechts wilde benutten om met behulp daarvan het Hebreeuwse idioom en gehalte zo getrouw mogelijk te vertolken, wellicht wat onderbelicht. Zelf heb ik de indruk dat de Septuagint een fenomeen is met 'zwei Seelen'. En dat geeft me bij alle bewondering die deze monumentale schepping oproept, de overweging in: zij moge dan de eerste canon van de Schriften zijn, en "de Masoretische tekst" moge een fictie wezen - , niettemin blijft de Septuagint een vertaling, en de Hebreeuwse tekst de oertaai. En zou dit laatste minder providentieel zijn dan het eerste? Hier komt nog een tweede overweging bij. Als ik het goed heb begrepen, beoogde zelfs Philo niet zonder meer een synthese tussen het joodse en het Griekse gedachtengoed, maar wilde hij via zijn allegorische methode - waarbij de "hyponoia" als diepere betekenislaag beslissend was - demonstreren dat het Griekse denken zijn wortels had in Mozes. Wijst dit gegeven niet in dezelfde richting, namelijk in de richting van het primaat - wellicht moet men zeggen: de superioriteit -van de Hebreeuwse bijbel?

Mijn tweede vraag betreft de Verschijning van Jezus, God de Zoon. In Aalders' beschrijving daarvan valt nagenoeg alle nadruk op Diens glorie en exousia. Het Kruis ontbreekt niet, maar blijft in de schaduw van het overvloedig Paaslicht. Qua perspectief is dat machtig, qua essentie kan het echter langs de paradox van de incarnatie heen schampen. Het geheim van het vleesgeworden Woord wordt gevormd door de overwinning op verderf en dood, maar niet minder door Zijn verzoenende kenoosis tot in kruisdood en Godverlatenheid. Mag ik wat ik bedoel illustreren met een voorbeeld uit de kerkmuziek? Verstaat men de triomfale inzet van Bach's Johannespassie niet het diepst wanneer men die hoort tegen het smartelijk reliëf van het "Eli, Eli" uit zijn . Mattheüs-Passion?

De derde opmerking hangt rechtstreeks met de vorige samen. Hoezeer het licht van Christus' majesteit de aarde en haar geschiedenis overstraalt, het "reeds" van de glorie wordt door het "nog niet" van het zuchten der schepping doorkruist en getemperd. 'Wie geen crucia-nus is, die is geen christianus' (Luther). Het gaat weliswaar goed met Gods kerk, maar dat komt louter doordat zij uit duizend doden verrijst. Aangevochten, maar uitgeleid; in de gelijkvormigheid aan haar Heiland, Die een Dode was. Waar en werkelijk is Hij opgestaan en met vele gewisse kentekenen heeft Hij zich korte tijd vertoond, maar blijft na Hemelvaart Zijn opstandingskracht vooralsnog niet meestentijds verborgen, in de schaduw van het kruis verhuld?

Nog een laatste vraag. Aan de vanzelfsprekendheid waarmee christelijke theologen ook reformatorische theologen, het Oude Testament ooit annexeerden, dient de theologie vandaag voorbij te zijn. Maar is de grond-stemming, die de reformatorische hermeneutiek eigen is niet onopgeefbaar, namelijk dat de Tenach een open einde heeft dat tot vervulling komt in kruis en opstanding van Jezus, Gods Gezalfde? Het Oude Testament roept om het Nieuwe. En het Nieuwe Testament verstaat men niet zonder die oude roep te hebben vernomen. Dat bedoelde Kohlbrugge toen hij schreef, dat hem 'aus den prophetischen Schriften die Evangelisten und Apostel klar geworden sind und nicht umgekehrt4). Naar mijn besef doet Kohlbrugge, in het spoor van de reformatoren, het Oude Testament de eer aan die ook dr. Aalders ten diepste beoogt. Men moet dan ook de 'kritische kanttekening bij het reformatorische erfgoed' die hij aan het begin van zijn eerste hoofdstuk in het vooruitzicht stelt, niet interpreteren als een afscheid van dit erfgoed. Zou ik het correct inschatten door te stellen dat hij de reformatorische positie niet aanvalt, maar aanvult?

Ik heb behoefte aan een slotzin. Ze komt uit m'n hart. Ik wil zeggen waarom dr. Aalders' geschrift voor mij niet alleen als een boek van geleerdheid fungeert, maar ook als een bron van vertroosting: omdat het Noorderlicht van de Parousie erin flonkert.

1) 'Het eigen leven in deze ware geschiedenis in te bedden, zodat ik in de oorsprong van de wereld mijn oorsprong, en in haar doel, mijn doel vind (...). Tussen oorsprong en doel plaatst de Schrift het ogenblik, dit mijn sterfelijke, eeuwige ogenblik. Daarin verneem ik, de hoorder, door haar de stem, die van de oorsprong af sprekend, op het doel hier gericht is.

2) Zijn leven werd doorstroomd (kreeg een ander karakter) door een groot licht

3) Niets bleef meer over dan zijn heiligen (in het eeuwige leven) binnen te brengen

4) Vanuit de profetische geschriften heb ik de evangelisten en apostelen kunnen begrijpen en niet omgekeerd.

Naschrift van de redactie:

In één van de volgende nummers hoopt dr. W. Aalders op de aan het slot gestelde vragen van prof. dr. De Reuver in te gaan, onder de titel: "Zingt den Here een nieuw lied".