Terug naar Ecclesianet.nl

In Memoriam P. Sanders 25-10-1902/ 24-09-1999

Deze zomer heeft in Ecclesia een in memoriam gestaan van Mr. Dr. A. Zeegers. Korte tijd nadien is overleden zijn vriend en geestverwant Paulus Sanders. Beiden waren geworteld in en verknocht aan de Gereformeerde Kerken. De geschiedenis van de Doleantie, van Abraham Kuyper, van de Vrije Universiteit en de Standaard,...het was hun levensgeschiedenis en die speelde zich vooral af in Amsterdam. De latere tragiek van die geschiedenis is daarom ook hun levenstragiek geworden.

Bij de begrafenis van de heer Sanders hebben zijn kinderen herinneringen opgehaald aan dat rijke en toch ook trieste verleden. Uit de toespraak van één hunner citeer ik enkele regels:

"Vader was een kind van zijn tijd. Opgegroeid in een periode van bloei in het gereformeerde leven, met de geestelijke''stuwing van Abraham Kuyper in de rug. Vanuit die 'achtergrond had hij een sterk gevoel van verantwoordelijkheid voor Kerk, Staat en maatschappij. Grote invloed heeft ook op hem gehad de prediking van S.G. de Graaf, J.C. Sikkel, waar sterk in doorklonk de betekenis van het Verbond, gehoorzaamheid vragend, gebiedend zelfs: "Hoort gij, gedoopten, gij moet zalig worden!"Maar toen kwamen de tijden van neergang, kerkscheurïng, Schriftkritiek, kerkverlating, hef verliezen van vrienden. Vader heeft er veel verdriet van gehad. Hij heeft veel zien afbreken en moest leren hetin Gods handen te leggen. Hoe dieper je-lièfhebt, hoe meer pijn het loslaten doet".

Hoe heeft de heer Sanders zich teweer gesteld om het proces van vervlakking, veruitwendiging en achteruitgang te keren! Zijn lijfblad was daarbij: Waarheid en Eenheid, zijn trouwe vrienden en medestrijders, de predikanten Masselink en Vreügdenhil en de VU-hoogle-raar Zuidema. Van zijn dochter kreeg ik enkele oude exemplaren uit de 50-er en 60-er jaren ter inzage. Hij verzorgde een speciale rubriek in dat blad: Openhartige brieven aan jonge vrienden. Uit het nummer van 14 november 1958 citeer ik enkele regels die even typerend zijn voor het peil van het gereformeerde leven toen als ook voor de geestelijke instelling van broeder Sanders er tegenover.

"Zondagavond j.l.werd in de dienst die ik bijwoonde, een kindje gedooßpt, ik werd mij toen bewust dat het bedienen van de Heilige Doop reeds hierom iets bijzonders is, omdat er dan voor het te dopen kind werd gebeden. En dat, terwijl het zelf van het bestaan van God, zich niet bewust is. Het bijzondere daarvan treedt nog te meer voor de dag als je er aan denkt wat er dan wordt gebeden. Onderschat die betekenis van een ander niet. 't is niet gedaan door een aantal personen, min of meer toevallig met elkaar in aanraking gekomen, maar door de kerk van Christus. Van die kerk leert de Bijbel ons, dat zij is het lichaam van Christus. Eigenlijk is het onbegrijpelijk, dat het toch en helaas maar al te dikwijls, voorkomt, dat veel gedoopten later niets meer van de kerk willen weten. Er niet meer bij willen behoren. Voor hen is immers gebeden door de kerk en dat is toch niet niets te noemen! Hoewel wij reeds vele malen dit gebeuren hebben bijgewoond, zijn we ons toch nog steeds te weinig bewust van het feit, dat ook speciaal voor ons is gebeden en zó is gebeden. Aan dit bidden van de kerk van Christus paart zich ook het bidden van onze ouders en grootouders. Ook zij hebben immers reeds voor ons gebeden, nog voordat wij iets van het bidden hadden geleerd. In een boekje, dat verschenen is onder de titel "Waakt", wijst prof. Zuidema in het hoofdstuk "Waakt in het gebed" erop, dat wij wandelen midden in de verhoring van de gebeden, van onszelf en van anderen, en wie onzer weet, welke gebeden van zijn ontslapen ouders in zijn leven verhoord worden?

Menigeen vraagt zich af, hoe het komt, dat zovelen tegenwoordig de kerk de rug toekeren. Met God en zijn dienst breken. Een oordeel hierover durf ik me niet aan te matigen. De gedachte komt wel meer dan eens in me

op of de oorzaak daarvan voor een belangrijk deel niet moet worden gezocht in de omstandigheid, dat in deze gevallen het gebed van het voorgeslacht voor het nageslacht heeft ontbroken.

Ik wees op hef gebed in de kerk bij de bediening van de H. Doop. En ik geef nu door wat ik jaren terug Ds. Dirk Sikkel te Amsterdam in de Raamkerk, eens heb horen uitroepen: "Hoort het, gij gedoopten, gij moet zalig worden. Zo staat het er inderdaad mee: wij moeten. Maar ook: wij mogen. Dat kan alleen als wij geldig werkzaam zijn mei Gods beloften. Of dat mogelijk is? Ongetwijfeld. Wij hebben immers een getrouwe Vader. Hij leert het ons zelf: wandelen op het spoor der godsvrucht. Hij vraagt daartoe, waartoe Hij ons zelf aanspoort - dat ik bij dagen en nachten Gods wil bepeins en Hem als 't hoogste goed van harte zoek met ingespannen krachten". Van de heer Sanders, evenals van Mr. A. Zeegers en

van zovelen meer binnen de Gereformeerde Kerken, kan men zeggen dat zij hoe langer hoe meer zich een vreemdeling zijn gaan voelen in het kerkverband waar zij zich van jongsaf aan zo nauw mee verbonden voelden.

Het was opvallend, dat in hun ouderdom velen van deze 'bezwaarden' de conferenties van de Vrienden van Kohlbrugge gingen bezoeken en zich abonneerden op het Kerkblaadje, nu Ecclesia. Die waren voor hen als de spelonk van Adullam in Davids dagen. Daarom voel ik mij gedrongen om na het artikel van ds. Geluk, gewijd aan broeder Zeegers, nu ook een herinnering op te roepen aan diens vriend Sanders. Zijn wij niet allemaal "broeders van één Huis", allemaal zwervende Arameeërs", en zingen wij niet allemaal de Psalmen als heimwee-liederen naar een ander en beter Vaderland?

W. Aalders