Terug naar Ecclesianet.nl

Johannes Wichelhaus (1819- 1858) (III)

Prof. dr. W.Balke, Amsterdam

Zijn studenten

Omdat de oude mevrouw Zahn tot de kennissen behoorde van Wilhelmine von der Heydt-Kersten, de grootmoeder van Wichelhaus, kwam Wichelhaus vanzelf op bezoek in de pastorie van ds. Zahn in Giebichenstein, vlakbij Halle. Hun zoon, dr. Adolph Zahn heeft ons een uitgave van brieven van Wichelhaus verzorgd en heeft vele van diens manuscripten uitgegeven. Hoe dankbaar wij ook zijn dat op deze wijze veel van Wichelhaus is bewaard gebleven, de briefuitgave is zeer gebrekkig, en wat betreft de uitgave van de manuscripten, zal nooit met zekerheid te zeggen zijn, waar en of Zahn's bewerking niet tegelijk een bijmenging of inkleuring betekende. Ook Johannes Zahn, broer van Adolph, behoorde tot de leerlingen van Wichelhaus.

Een al oudere student, die zich bij Wichelhaus aansloot, en tegelijkertijd als privaatdocent optrad, was Georg August Meier uit Bremen. Zij hebben samen veel tijd besteed aan de Duitse uitgave van de geschriften van Kohlbrugge, waarvan er vele in Halle gedrukt werden. Zij deden niet slechts de correctuur van de druk, maar verbeterden ook het 'Hollandse' Duits van Kohlbrugge. Meier zou de eerste hulpprediker worden in Elberfeld. Hij stierf op 12 september 1849 in Bassum bij Bremen. Op de dag, waarop hij in Elberfeld zijn intrede zou doen, preekte Wichelhaus daar en deelde aan de gemeente mee, dat Meier overleden was.

En zo werd Hans Rudolf Wolfensberger daar de eerste hulpprediker, van 1853-1855. Hij wordt vaak genoemd in de correspondentie 'onze trouwe Zwitser'. Vele Zwitsers worden in de brieven genoemd: J.F. Bula, Herter (ook jong gestorven), Rudolf Huber, Gottlieb Johner, Julius Künzli, Th. J. Locher (die later in het huwelijk trad met Maria de Clercq). Velen uit Duitsland: Ed. Böhl uit Hamburg, Nippel uit Elberfeld, Schmitz, Bezner, Anstein, E. Hesse',

Axenfeld, A. Zahn en Joh. Zahn uit Giebichenstein bij Halle, en tenslotte Tschanter uit Silezië. Vaak worden namen slechts met één initiaal aangeduid en zijn ze moeilijk te identificeren. Maar de genoemden behoren alle tot de intimi van Wichelhaus, die bij hem een privatissimum2 liepen en met wie hij op zondagsavonden een preek van Kohlbrugge las. Op wandelingen werd dan de homiletiek3 van Kohlbrugge besproken.

Zijn theologie

Wichelhaus hield zijn colleges over bijbelse dogmatiek in een tijd, die hijzelf kenschetste als "een tijd, waarin het christelijk bewustzijn van iedere enkeling wilde beslissen over de vraag, wat christelijk geloof en wat christelijke leer is", "waarin de zelfbewustheid en de zelfhandhaving alles was bij de mens, die God en Christus, hemel en aarde, en ieder dogma wilde opbouwen op de basis van het eigen leven." "Waar echter zelfbewustheid en zelfhandhaving de boventoon voeren, daar kan - zo heeft Wichelhaus terecht geconcludeerd - geen sprake meer zijn van geloof en van gehoorzaamheid des geloofs. Waar geloof is, daar is God Degene, die spreekt, die getuigt... Wie zichzelf van alle dingen bewust is, heeft evenmin behoefte aan het Woord, als hij, die zichzelf handhaaft, een Verlosser en Plaatsbekleder nodig heeft." Deze Bibiische Dogmatik, die slechts 200 bladzijden omvat, is uiterst actueel. Wichelhaus snijdt alle wereldbeschouwing en filosofie af, die volgens hem "een proces is, waarbij de menselijke geest zichzelf als het ware verbrandt, waar het volgende systeem steeds het voorafgaande vernietigt en uiteindelijk niets dan as overblijft."4 "Heeft de mens begrippen van Gods gerechtigheid en goedertierenheid, beschouwt hij hem niet in het diepst van zijn hart als de grootste tiran en egoïst? Het zichtbare heeft voor de mens de attributen van almacht, eeuwigheid, aanbiddelijke heerlijkheid; maar van het Wezen van alle wezen, van de enige Realiteit, van de allerhoogste Majesteit heeft de ziel van de mens zó weinig een blijvende indruk, dat de mens op het ogenblik, waarop hij handelt van de kleinste nietszeggende dingen nog méér afhankelijk is dan van Hem, op Wiens wenk de hemelen der hemelen zich bewegen, die alleen redden en veroordelen kan. Voor alles heeft de mens begrip, weetgierigheid, verstand, geheugen, geest - maar aan God gaat hij hoofdschuddend en spottend voorbij. Als de mensen een denkbeeld, een idee, ja slechts een vermoeden hadden van het wezen Gods, - zo zegt de apostel -, dan zouden zij de Here der heerlijkheid niet hebben gekruisigd (1 Kor. 2: 8). Als de mensen werkelijk God kenden, dan zouden zij Hem vrezen, liefhebben en eren; als zijn verstand het de mens zei, wie God is en wat Zijn gerechtigheid en Zijn gericht, dan zou hij zo verstandig zijn, de eer bij God hoger te achten dan de eer bij de mensen, en het tijdelijke achterstellen bij het eeuwige en zich met God laten verzoenen. Als de mens verstandig was, dan zou hij allereerst twijfelen aan zichzelf, want wat wordt spoediger beschaamd dan vertrouwen op menselijke wijsheid en onfeilbaarheid? Het is dus duidelijk bewezen: in de dingen Gods is de menselijke wijsheid dwaasheid, in het licht van het verstand duisternis en het verstand als zodanig niets dan onverstand. Wie zich verlaat op zijn verstand, zegt de Schrift, is een dwaas, en een wijze beroeme zich niet op zijn wijsheid."

Belangrijk is de methode. Kohlbrugge en Wichelhaus waren wat wij noemen irregulaire theologen. Zij schreven geen grote speculatieve systemafische werken. Zij hebben de theologie zo dicht mogelijk aan de H. Schrift beoefend. Een groot deel van hun bewaard gebleven brieven is aan exegetische kwesties gewijd. Zij hielden vast aan de grote leerstukken van de kerk, maar verbonden hun onderwijs en prediking met de hermeneutiek, het onderzoek naar de rechte uitleg van de H. Schrift. Daarin staan zij direct naast Luther en Calvijn. Luther schreef geen dogmatiek. Calvijn ook niet. Zijn Institutie is wel genoemd een bijbels leesboek. Hij bedoelde daarmee tot de Schrift zelf te leiden. En daarom zijn Calvijns commentaren de ware goudmijn en mag zijn institutie nooit zonder zijn commentaren gelezen worden.

Huwelijk

Wichelhaus trouwde in het najaar van 1 855 met Pauline Seyler uit Aken. Hoe kort heeft dit gelukkig huwelijk , dat voor de moeilijk levende, lichamelijk zwakke Wichelhaus als een geschenk van God was, geduurd! Nauwelijks twee en half jaar! Kohlbrugge zou met zijn dochter Anna in Halle op bezoek komen, zo was het plan. Het kwam er niet van. Juist in deze tijd

gingen de kansels in Nederland voor Kohlbrugge open en kon Kohlbrugge er niet toe komen naar Halle te reizen. Eerst na het overlijden van Wichelhaus is hij er geweest en heeft hij ook in de Dom te Halle gepreekt. In december 1857 werd Wichelhaus ernstig ziek; hij had griep en leed aan nerveuze aandoeningen. Kohlbrugge wenste hem in een brief, die de voorlaatste zou zijn, beterschap, bracht daarin ook nog allerlei theologische kwesties ter sprake, maar heeft niet beseft, dat de ziekte zo ernstig was. Eerst enige dagen later vernam hij uit een schrijven van Pauline, hoe het met zijn geliefde vriend gesteld was en hoe ellendig zich deze lichamelijk en geestelijk gevoelde. Kohlbrugge antwoordde toen met een troostbrief. Niemand - behalve misschien zijn vrouw Pauline - vermoedde toen nog dat Wichelhaus van zijn ziekte niet meer kon opkomen, hoewel hijzelf meende dat hij de dood tegemoet ging. De afgematte zieke had het echter bij het juiste eind gehad. De 14e februari 1858 ontsliep hij, nadat zijn vrouw hem de troostende woorden van psalm 48 had voorgelezen.

Johannes Wichelhaus werd enige dagen daarna begraven op het kerkhof van de N'tederlandische Reformierte Gemeinde te Elberfeld.

Epiloog:

In zijn opheldering van de Catechismus schrijft Kohlbrugge: "Wat is de rechte omgang met de gaven van de Heilige Geest? Wanneer men niet weet, dat men gaven heeft, maar dit ene weet, dat men een genadige God heeft."

Zo heeft Kohlbrugge aan Wichelhaus geschreven: "Ik begrijp het wel, wat je daarmee bedoelt, als je schrijft, dat je door te veel strijd heen een theoloog geworden bent. Maar toch: laat jouw hemd niet weten, dat jij je voor een theoloog houdt."5

"Mijn geliefde Johannes, ik ken de belangrijke plaats waarop je staat; echter houd op, iets van jou vast te houden."6

Daarin ligt de blijvende actualiteit van de boodschap die Kohlbrugge en Wichelhaus, ieder op zijn plaats en wijze, zo klaar en duidelijk gebracht hebben, namelijk: de blijde boodschap, dat wij een genadige God hebben.

1. E. Hesse schreef: Caspar Huberninus, Vom Zorn und von der Güte Gottes.

2. Een college over een bijzonder onderwerp speciaal voor gevorderde en geïnteresseerde studenten.

3. Preekkunde.

4. Joh. Wichelhaus, Akademische Vorlesungen über Biblische Dogmatik, herausgeb. A. Zahn (Halle 1875), 10-20.

5. Briefe von dr. H.F. Kohlbrugge, 71