Terug naar Ecclesianet.nl

"God bijvallen - tegen jezelf in" (V)

De Luther-studies van Hans Joachim Iwand

Dr. C.C. DEN HERTOG, Leiden

In dit laatste artikel geef ik het een en ander weer uit een tweetal Luther-studies van Iwand uit 1 959, het jaar vóór zijn vroege dood. De ene, Martin Luther -der Kampf um die rechte Lehre, is verschenen in een voor een breder publiek geschreven bundel, waarin Iwand de taak toeviel om Luther te introduceren. De andere studie is een degelijk wetenschappelijk artikel, met de titel: theologia crucis ( theologie van het kruis), dat Iwand bij zijn leven als lezing op enkele plaatsen heeft gehouden, en ook geheel uitgewerkt en gereed gemaakt voor publicatie, maar niet meer zelf het licht heeft kunnen doen zien. In beide bijdragen staat Luthers theologie van het kruis centraal - kennelijk een thema, dat hem in die tijd sterk bezighield. Ik sluit deze artikelen serie af met kort in te gaan op een artikel over Luthers kerkbegrip, dat Iwand in 1957 het licht heeft doen zien, en waarin hij aangeeft wat de theologie van het kruis voor ons zicht op en staan in de kerk betekent.

Het is opmerkelijk, dat Iwand's laatste teksten de theolo-qie van het kruis tot thema hebben. Opmerkelijk, omdat men in het Lutheronderzoek die theologie van het kruis beperkt tot de vroege, vóórreformatorische fase van Luthers denken. Het zou een rest zijn van middeleeuwse kruismystiek, die naar de achtergrond zou zijn gegaan toen de betekenis en de kracht van het Woord, de belofte, voor de reformator helder werd. Voor Iwand is dat Woord, de belofte, evenzeer centraal -en tegen het eind van zijn leven is dat eerder meer dan minder het geval. Juist daarom kan het op het eerste gezicht verbazen dat deze gerichtheid op het Woord en de belofte van het Evangelie bij hem gepaard gaat met een nieuwe aandacht voor de theologie van het kruis.

Godskennis en zelfkennis

Laten we daarom eerst zien, hoe voor Iwand de nadruk op de belofte van Gods genade in Christus en de theologie van het kruis samengaan, en zelfs wezenlijk bij-eenhoren. Zo is het voor hem van meet af aan - ik denk vooral aan zijn eerste grote Lutherstudie uit 1927, waarin we de theologie van het kruis al ontvouwd zien -duidelijk, dat de belofte van het Evangelie een werkzame kracht is, die in ons leven ingaat om ons radicaal te vernieuwen. "Het Woord van God komt om te veranderen", is een woord van Luther, dat hij met voorkeur aanhaalt. Het heil wordt ons in de belofte niet maar voorgehouden, maar God eigent het ons ook toe. Hoezeer die toeëigening Gods werk is en blijft, toch laat zich wel degelijk iets zeggen over de weg waarlangs de Here dat doet. Iwand neemt dan een inzicht op, dat voor de Reformatie wezenlijk was, namelijk dat Godskennis en zelfkennis geheel verweven zijn. Wie de Institutie van Calvijn opslaat, ziet op de eerste bladzijde dat de reformator van Genève daarmee inzet. Welnu, ook voor de theologie van het kruis bij Luther is kenmerkend dat de kennis van God samenhangt met die van onszelf. Luther sprak zelfs bij voorkeur over de theo/oog van het kruis, want in de theo/og/'e van het kruis kunnen we zelf op geen enkele wijze buiten schot blijven. Het is van belang ons enkele consequenties daarvan te realiseren. Het betekent om te beginnen dat we niet kunnen uitgaan van een min of meer onbedorven rede, die krachtens de eigen verstandelijke vermogens het een en ander over God kan weten. Het mag waar zijn dat de mens zinnige dingen over God beweert - hij hééft er alleen niets aan, en het dient uiteindelijk alleen maar om de waarheid in ongerechtigheid ten onder te houden. Nee, voor Luther - laat Iwand in 1927 al heel helder zien - is de menselijke rede op een onzichtbare manier, maar juist daarom heel wezenlijk ondergeschikt aan het hart. De rede voert graag de pretentie vrij en onafhankelijk te

zijn, maar staat in feite in functie van ons pogen onszelf voor God te rechtvaardigen; dat bepaalt ons ook daar, waar het helemaal niet over de werken lijkt te gaan! Luther wist van binnenuit dat "Adam het eeri'geweldig idee vindt om door prestaties weer opgebouwd te worden." Echter, de mens die uitgaande van zijn goede wil zichzelf wat zoekt op te kalefateren en bij te schaven voor God, kan niet anders dan langs de levende God heen schieten. Wat hij ook uit de bijbel put en in zijn theologie beweert - het is er alles naast. Het kan op zichzelf een bijbelse waarheid zijn, maar het staat in een verkeerd kader - en daarom leidt het nergens toe. De mens beoordeelf zichzelf naar zijn werken, beoordeelt ook anderen naar die maatstaf, en zo wordt ook de maatschappij bepaald door wat we 'maken'. Een mens die iets betekent, is een mens die veel heeft gepresteerd; daarom zal omgekeerd een verstandelijk gehandicapte geen lintje krijgen en ook geen enkel geschiedenisboek halen. Zo zit de wereld in elkaar -nee, zo zit ónze wereld in elkaar. Dit zijn onze ogen. We kunnen ons inbeelden dat we heel objectief en oprecht over God spreken, maar wat we met ons hart niet willen zien, dat zien we ook niet. Het gevolg is dat de mens zichzelf met blindheid slaat voor Gods heils-werk in deze wereld, en zeker ook in zijn eigen leven. Doordat nu de mens zichzelf vanuit zijn werken verstaat, moet hij namelijk onvermijdelijk ook Gods macht als uitvergroting van zijn eigen mogelijkheden zien. We kijken, zegt Luther in zijn uitleg van de Lofzang van Maria, van nature omhoog - maar God alleen kijkt omlaag, God alleen kan dat onbeduidende meisje Maria zien, in haar 'lage staaf. De natuurlijke mens kijkt omhoog, naar de hemel, en precies daarom ziet hij Christus niet afdalen en zich bukken, om ons op te rapen in onze reddeloze verlorenheicl. Omdat de natuurlijke mens God in diens machtige daden zoekt, is hij blind voor Gods weg en werk in Christus. Hij ziet dat niet, omdat hij denkt dat het zo erg met hem niet is gesteld. Hij beseft niet hoe diep de verlossing moet reiken, en evenmin langs welke weg die moet komen... Voor Luther is theologie daarom een nadenken over God én onszelf tegelijk - we kunnen onszelf, ons eigen hart en leven, er op geen enkele wijze buiten houden!

Dwaas worden voor God

Het kan daarom niet anders of de menselijke eigenwaan moet eraan, waar het tot een ontmoeting met God in Christus komt. God ontmoeten wil zeggen: op een grens stuiten, waar Gods verstand mij onverstandig maakt, zoals Luther in zijn uitleg van Psalm 32 onderstreept. Mijn verstand wordt tot onverstand, d.w.z. ik loop vast, wanneer ik Gods wegen van mijzelf uit beoordelen wil. We kennen dat uit ondervinding. Onze pogingen het Godsbestuur te rechtvaardigen zijn gedoemd schipbreuk te lijden.

Dat komt door onze hoogmoed, die meent dat we met ons verstand God kunnen narekenen. Maar wij mensen waren er niet bij toen God de wereld schiep, en we kunnen evenmin over Gods schouder meekijken in zijn eeuwige raad, laat staan Gods eeuwige gedachten na-den-ken. We moeten af van die hoogmoed en ons door God laten vinden in de diepte van onze werkelijke situatie, onze verlorenheid, ons uitzichtloos van Hem afgekeerd-zijn, ons dood-zijn door de zonden en de misdaden. In de theologie van het kruis leren we God niet langer naar de maatstaven van de menselijke rede te beoordelen, maar onszelf omgekeerd aan zijn Woord te onderwerpen. Zo alleen kunnen we de levende God ontmoeten. De god die we zelf ontwerpen is dood, en zwijgt. Hij spreekt niet, en spreekt ons dus ook niet tegen. Zijn zwijgen zet ons in onze verblinding aan tot grotere inspanning, zoals de Badlpriesters pp de Karmel (1 Kon. 18). Het leidt echter tot niets. Maar de levende God spreekt, en als Hij spreekt kan het niet anders of Hij breekt onze eigenwaan af. Zijn Woord, zegt de jonge Luther, gaat altijd in tegen onze gedachten en waar wij zin in zien. We doen er goed aan Hem gelijk te geven, in zijn oordeel over ons - en Hem te verheerlijken voor de wijze waarop Hij naar èns heeft omgezien in Christus. Het is opnieuw: God gelijk geven - tegen onszelf in. Het kruis - en het kruis alleen -dat is onze theologie, zegt Luther. Zo hoort de theologie van het kruis wezenlijk bij de reformatorische boodschap, precies zoals het uitgaan van de natuurlijke kenvermogens van de mens hoort bij een theologie die nog enige verwachting heeft van wat de mens vanuit zichelf tot zijn heil kan bijdragen....

Als wij theoloog van het kruis worden komt het tot een ontmoeting met de werkelijkheid van God. Dan zien we niet alleen onszelf, maar ook de wereld, de dingen zoals ze zijn. Het kruis van Christus openbaart ons het ware zijn van de wereld voor God. Theologie is niet duiding en verklaring van de werkelijkheid van ons uit, maar een buigen over de sporen die God in de wereld heeft gelegd en nog legt.

Doop door het leven

Waarom stelt het Lutheronderzoek toch dat de theologie van het kruis een vorm van laatmiddeleeuwse mystiek is, en dat Luthers ontdekking van de kracht van de belofte van het Evangelie een afscheid van de theologie van het kruis inhield?

In de lezing die Iwand enkele maanden vóór zijn dood over de theologie van het kruis houdt, gaat hij op deze tegenwerping in - zonder dat overigens met zoveel woorden te zeggen. Hij beperkt zich er eenvoudig toe uiteen te zetten hoe het bij Luther zit.

In Luthers uitleg van de Psalmen in de jaren'1515/1516 ziet Iwand zich een omslag voltrekken, die van groot belang is. De taal van Luther is daar nog de taal van de laatmiddeleeuwse mystiek. Maar bij goed toezien is er een diep, fundamenteel verschil. Waar de mystiek hetgeen de ziel ondergaat in de ontmoeting met God beschrijft als een gebeuren dat ons weliswaar aan de grens van ons bewustzijn brengt, maar toch binnen die grenzen blijft, heeft Luther ontdekt dat het eigenlijke gebeuren slechts recht gedaan kan worden, als we erkennen dat God ons door zijn Woord beweegt - van buitenaf. Luther wist uit ondervinding dat de mens door God in het leven op een weg wordt geleid, die dwars tegen alles ingaat. Tegen alles. Wanneer Luther over het kruis spreekt, moeten we ons realiseren: deze ontmoeting met God is bitter. God voert ons met zijn Woord juist daarheen, waar wij niet naartoe willen. Het gaat niet om een mystiek, die zich beperkt tot zielstoestanden, maar om een gebeuren dat bij daglicht, midden in het leven plaatsvindt. God breekt de weg óp, die ik voor goed en heilzaam hield - en leidt mij op een weg die nergens heen lijkt te leiden. Hij neemt me af, wat ik voor waardevol houd, en knoopt niet aan bij mijn sterke punten. Dat alles is geen gebeuren in de ziel, dat ik kan 'opstarten' of afbreken, maar overkomt mij midden in het leven. Het trekt een spoor in iemands biografie. Ik kan me niet terugtrekken uit de wereld van de ziel, om daarnaast mijn mogelijk comfortabele leven te leven. Nee, de weg van het kruis is dat God ons werkelijk tegenkomt, en dat er geen ontwijken aan is. Welnu, juist het feit dat die ontmoeting met God zich in het werkelijke leven afspeelt, laat zien wat het Woord, Gods handelen in en door het Woord, inhoudt. Het vereist niets meer of minder dan een wedergeboorte uit het Woord. In een zielsgebeuren kan ik nog mijzelf blijven, maar in de theologie van het kruis kan niemand door God bewogen worden, zolang hij niet zijn eigen ik, zijn natuurlijke bewustzijn, aan Hem is kwijtgeraakt. Het is van tweeen een: óf wij zetten God en zijn Woord om in onszelf, in onze gedachten, plannen en idealen, om Hem daaraan ondergeschikt te maken - öf Hij zet ons om in zijn Woord, zodat wij niet langer onze eigen gedachten volgen, maar ons overgeven aan Hem, aan zijn Woord, aan zijn belofte van vergeving en een nieuw hart, aan zijn leiding in ons leven. De weg - en de 'reformatorische ontdekking' - van de jonge Luther verstaat men volgens Iwand eerst dan, als men beseft, dat hij door God met heel zijn leven op zijn leer, als op iets dat 'buiten hem' is, teruggeworpen is, en dat hij daaraan onvoorwaardelijk gebonden is gebleven.

Een nieuwe manier van staan in de werkelijkheid

Het verwaarlozen van de eigen kenweg van de theologie van het kruis is niet zonder gevolgen gebleven. Kerk en theologie zijn vervreemd geraakt van de werkelijkheid. Men heeft er in verschillende tijden iets van beseft, en men heeft pogingen ondernomen om de theologie opnieuw in de werkelijkheid te verankeren. "We moeten af van een theologie, die los staat van de werkelijkheid." "De kerk moet aansluiten bij wat er onder en in de mensen leeft." Men stelt als diagnose dat de kerk de mensen in de steek gelaten heeft en van zich heeft vervreemd. Daartoe zijn en worden nieuwe vormen van de verhouding van leer en leven, van theorie en praxis beproefd - maar vergeefs.

Hoe komt dat? Dat is, omdat men het Woord, de roeping van Godswege, reserveert voor een bepaald terrein van het leven. Men hoort zijn stem niet langer midden in de geschiedenis. Christen-zijn, geloven is gereserveerd tot de sfeer van het religieuze. Als gezegd wordt: "Wij hebben een Woord voor de wereld", dan is het ook weer een woord voor de sfeer van de 'perennial problems', de altijd op de een of andere manier terugkerende, 'eeuwige' vragen van schuld, dood enz. Maar de wereld laat er zich steeds minder aan gelegen liggen, naarmate de 'perennial problems' meer en meer naar de randen van het leven gedrongen kunnen worden. Zou het ook kunnen zijn, dat we de vraag van God midden in het leven ontlopen? Dat we daar waar Hij ons tegenkomt met zijn Woord allang andere goden dienen? Zou het kunnen zijn, dat het er vandaag net als in de tijd van de Reformatie om gaat midden in het leven rekening te houden met Gods beloften en geboden, en de weg van het kruis te gaan? Iwand constateert bij Luther een belangrijk verschil met de mystiek in dit opzicht, dat de reformator niet maar let op wat zich in het innerlijk voltrekt, en zo de menselijke autonomie uiteindelijk intact laat - maar heeft gezien dat God ons midden in het leven opzoekt, en daar op een weg leidt waarop we niet onszelf gorden, maar Hij ons gordt en brengt waar we van nature niet heen willen. Die weg, die niet zelden bitter is, werkelijk een kruisweg, is in waarheid een heilspad, een lévens-weg. En: God wil de wereld op deze wijze, langs deze weg confronteren met zijn openbaring in Christus, zoals de apostel in de Tweede Brief aan de gemeente van Korinthe ook laat uitkomen. Dat is de kerk, die zich werkelijk door haar Heer laat leiden...

De kerk is verborgen

In Luthers geschrift tegen Erasmus over de onvrije wil (1525) staat de zin, die de kop van dit paragraafje is:

"De kerk is verborgen, en de heiligen zijn aan het oog onttrokken." Wat bedoelt Luther daarmee? We kunnen die zinnen enkel tegen de achtergrond van de theologie van het kruis verstaan, betoogt Iwand in een belangrijk artikel over het ontstaan van Luthers kerkbegrip, dat hij in 1957 publiceert.

Nu had Luther deze zinnen ook tien jaar eerder kunnen neerschrijven, in de tijd dat hij nog 'bevangen' was in de 'kruismystiek'. Ook toen stelde hij, dat de kerk wezenlijk onzichtbaar is. Luther bedoelde er in die fase van zijn denken mee, dat het ware zijn van de dingen voor de zintuigen verborgen is, en dat alleen waar de mens zich vrijmaakt van zijn vastzitten aan de dingen van deze wereld hem het ware inzicht geschonken wordt. Geloven is dan: doorstoten vanuit de zichtbare wereld in de onzichtbare wereld. Let wel: dat is de fase van Luthers leven, die men gekenmerkt acht door een 'vóórreformato-rische' theologie van het kruis. Als we echter goed zien, is dit wel een afzien van de nadruk op uiterlijkheid, en dus op de Paus als plaatsbekleder van Christus en de mis als reële presentie van de Gekruisigde, maar het is (nog) géén theologie van het kruis!

In de Heidelberger Disputatie uit 1518 - die men rekent tot de reformatische fase van Luther - maakt de tegenstelling zichtbaar/onzichtbaar plaats voor een andere begrippentegensteliing: Godswoord/mensenwoord. Nu maakt Luther er ernst mee, dat Gods heil geheel en al aan het 'aanschouwen' onttrokken is en blijft. De kerk is onzichtbaar, zegt Luther ook nu en met des te meer nadruk, omdat het eigenlijke is dat Christus vanuit de verborgenheid, maar niettemin op een wijze die werkelijker is dan alles wat zichzelf voor werkelijkheid uitgeeft, de zijnen regeert. De kerk is daardoor gekenmerkt dat ze van het mensenwoord, van iedere vorm van menselijke identiteit en wat daar voor doorgaat, vlucht naar Gods Woord, naar de belofte waarin de levende Christus werkzaam tegenwoordig is. Dat de kerk onzichtbaar is, is dan niet langer een vlucht uit de aardse werkelijkheid, die wat we hier doen relativeert en in feite onbelangrijk maakt. Nee, de onzichtbaarheid van de kerk is een appèl, een voortdurende herinnering aan alle kerkelijke verbanden om metterdaad Christus te volgen en de eenheid te zoek en te belijden met hen die Hem volgen, gehoorzamen en liefhebben. Een ander kerkbegrip duidt op een andere theologie dan de theologie van het kruis!

Theologie en biografie

Tegen het eind van zijn leven haalt Iwand deze dingen bij Luther naar voren. Stellig houdt dat verband met zijn levensloop. Er leeft bij hem een diepe teleurstelling over een kerk in Duitsland, die toch weer houvast zoekt in

uiterlijkheid, in invloed en machtspositie. In eigen leven heeft hij veel afbraak moeten meemaken: de teloorgang van de Oost-Pruisische kerk, waar God zulke grote dingen heeft gedaan, de onderbreking van zijn wetenschappelijke loopbaan door de Nazi's, het afzien van publiceren van Luther-studies om de predikanten te kunnen voorzien van Predigtmeditationen...

Vanwege dit alles en nog meer heeft hij voor zichzelf de toevlucht gezocht in deze theologie van het kruis. Maar toevlucht nemen is iets anders dan op de vlucht slaan. En daarom laten we ons ook vandaag graag door Iwand meenemen, de weg wijzen, de weg van het kruis - om daar uit te zien naar het Woord dat leven is en een belofte van toekomst in zich bergt.