Terug naar Ecclesianet.nl

Johannes Wichelhaus (1819- 1858) (II)

Prof. dr. W.Balke, Amsterdam

Na zijn Habilitation kwam Wichelhaus eerst als privaat-docent en na 8 jaar als hoogleraar in de wetenschappelijke kring te Halle binnen, waar hij een eenzame en aangevochten positie innam. Hij stond alleen tegenover mannen, die trots en zelfbewust de wetenschap vertegenwoordigden - dachten zij - en die vanuit hun hoogte neerkeken op Wichelhaus, die in hun ogen niet wetenschappelijk was.

Wichelhaus trad voorzichtig, schuchter en bescheiden op; hij had een onderzoekende geest; maar was beslist en vastberaden als het ging om de fundamentele waarheden van de H.Schrift en de reformatie. De besten onder zijn collegae golden als pilaren van de kerk, terwijl zij tegelijk grote delen van de Schrift prijsgaven tegenover de Schriftkritiek. Wichelhaus nam het 'unverf-roren'1 op voor de autoriteit van de H.Schrift en de belijdenis van de reformatie.

Het wilde met zijn hoogleraarsbenoeming maar niet vlotten. Zijn oom August von der Heydt, minister van financiën in Berlijn, bracht voor Wichelhaus een audiëntie met de Kulturminïster Ladenberg tot stand. Wichelhaus wilde eigenlijk niet gaan, niet alleen vanwege zijn schuchtere aard, maar ook om de schijn van begunstiging te vermijden. Maar hij liet zich overhalen om te gaan en zoals hij zelf zei: "een goed geweten voor God en mensen gaven hem vrijmoedigheid om te gaan en aan de Minister Ladenberg, zijn zaak voor te leggen."2 De Geheimrat Schulze zei na afloop: "ik ken U, U bent een dapper mens, een vir quadratus3, U twijfelt en wankelt niet. Zulke lieden hebben wij nodig in de theologie. Ik sta voor Uw zaak." Maar Minister Ladenberg liet de zaak versloffen. In dezelfde tijd had Kohlbrugge een gesprek met de grootmoeder van Wichelhaus, de oude Wilhelmine von der Heydt-Kersten. Kohlbrugge zei tegen haar: "wanneer er twee, alleen twee studenten door de dienst van Wichelhaus bekeerd zijn, dan zijn twee gemeenten bekeerd." Toen lachte zij, gaf Kohlbrugge een kus en zei: "dat troost mij."4

Het lange uitblijven van zijn benoeming tot hoogleraar was te danken aan de tegenwerking van de faculteit en de kerkelijke autoriteiten in Halle. De relatie met Kohlbrugge was het struikelblok. De Ober-Konsistoriairat beweerde, dat Wichelhaus tot de sekte van de Kohlbruggianen behoorde en daar ook aan het

Avondmaal geweest was. Wichelhaus verweerde zich tegenover zijn leermeester Hengstenberg in Berlijn, die hem welgezind was: "met welk recht vraagt men van mij uit eigen beweging te verklaren, dat ik met geen sekte in verbinding sta. Ik belijd zonder voorbehoud de hervormde leer. Maar hier in Halle wil niemand refor-miert, hervormd zijn. En men heeft de leer van de prae-destinatie zo verminkt en belasterd, je behoeft iemand alleen maar een praedestinatiaan te noemen om iedereen bij hem weg te jagen.5 En verder: ik ben lid van de landskerk. En "die landskerk bergt zoveel in haar boezem, wat zich een recht heeft aangematigd, en de gereformeerde belijdenis zullen zij uitstoten en in mijn persoon voor rechteloos verklaren?"6 Door toedoen van Hengstenberg ging de minister (nu was het inmiddels minister Von Raumer) zelf zich bemoeien met de benoemingskwestie en vroeg Wichelhaus om schriftelijk de bedenkingen van de faculteit te weerleggen. En toen kwam eindelijk na acht jaar de benoeming af. De minister had Wichelhaus ook in Koningsberg (een positie met een goed salaris) willen benoemen, maar Hengstenberg had hem dat afgeraden omdat Wichelhaus zich nu in Halle er doorheen geslagen had.

De studenten-disputen in Halle

Er waren in Halle onder theologen drie studentendispu-ten:l. De eerste groep is zeer levenslustig, verder onverschillig en met hen heeft Wichelhaus geen aansluiting.

2. De tweede groep studenten "Von Winglof" is de eigenlijke christelijke groep en staat onder leiding van Tholuck. Zij zien slechts Gods Woord in de Bijbel. Zij vinden Wichelhaus te stichtelijk en te weinig wetenschappelijk. Zij gaan liever naar een rationalist op college.

3. Een derde groep wordt gevormd door studenten die het meest uit Pommern en Westfalen komen. Zij staan om Wichelhaus heen. Zij willen exegese en Hebreeuws. De studenten die leiding geven aan deze groep zijn frisse lieden met een helder hoofd. Zij hebben in de gaten, dat Tholuck geen strengere richting naast hem wil toelaten. Zij vinden de groep studenten "Von Wingolf" domme lieden. Men kan hun stichtelijk geklets niet aanhoren, én zij willen toch geen stichtelijke college's. Deze derde groep studenten is in staat om Tholuck met zijn club het hoofd te bieden.

Wichelhaus zegt: "ik leg mij toe bij mijn college's op schriftonderzoek, houdt vast aan de autoriteit van de H. Schrift, en probeer een heldere uiteenzetting van de leer te geven in overeenstemming met de reformatorische belijdenis. En ik heb nu tenminste een klein aantal, die mij daarin volgt. Ik zie zelfs graag, dat zich bepaalde tegenstellingen vormen; Thofuck tegen het Schriftgezag, Julius Muller tegen de kerkelijke belijdenis, - en daartegenover de andere kant - en daar bedoelt Wichelhaus zijn eigen positie mee: 'Biblia et Confessio Patrum' (de H, Schrift en de belijdenis der vaderen)". Hij vatte het plan op te schrijven "over de autoriteit van de Heiligen Schrift". Het is er nooit van gekomen.7 Tekenend is wat Kohlbrugge in dit verband aan Wichelhaus schrijft: "alleen treedt toch niet op als partijman en doe juist zo, alsof er geen tegenstellingen zijn, ja, alsof het onmogelijk is, dat iemand iets tegen zou hebben op datgene wat jij onderwijst. Partijen zullen zichzelf vernietigen. De waarheid gaat rustig, bescheiden, ernstig, zacht haar gang, doet goed, stoort zich nergens aan en, zondigt niet tegen de liefde, die ieder welgezind is en die zich verwondert, dat anderen niet willen wat zij wil. Zij is met haar goud niet verlegen. En als je iets in druk wil geven, laat het alleen wetenschappelijk werk zijn".8

Maar aan zijn vriend H.J.A. Boissevain te Amsterdam meldt Kohlbrugge het volgende: "Ik hoor van Wichelhaus dat professor Tholuck uit zijn schuilhoek gejaagd is door mijn boekje: Wozu das Alte Testament? en nu aan de studenten gezegd heeft dat onze Heer en Zijn apostelen joodsgezinde mensen geweest zijn, waarop de studenten hem met mijn boekje verslagen hebben. Daarop heeft hij zich gewroken in een preek en is daarin losgetrokken tegen het geloof aan de bijbel; dat heeft enige studenten geheel van hem verwijderd en aan Wichelhaus doen aansluiten."

Omgang met studenten

Wichelhaus was een priesterlijke figuur in de omgang met zijn studenten. Wanneer één van hen vanuit de verte hem om raad en hulp vroeg in allerlei nood en verlegenheid, wees hij hem niet af, maar schreef bijvoorbeeld als volgt: "Mijn trouwe vriend! In de strijd en de vraag naar waarheid, waarin gij u bevindt, zijn het de liefde en tevens de plicht, die mij dringen met de woorden van een vriend u terzijde te staan."9 Wichelhaus heeft zijn leerlingen in grote getale naar Elberfeid gestuurd 'in de leerschool van de praktijk' en wel eens opgemerkt: "ik beschouw mij hier als een loods, die uitvaart naar de wijde zee, en gevoel mij gelukkig, wanneer ik een scheepje te Elberfeid in de haven heb gebracht. Het gaat mij daarbij daarom, dat de jonge mensen in Elberfeid tegelijk hun leer- en proef-

tijd doorbrengen, dat zij onder de ogen van de predikant en in de gemeente tot boden en dienaren van het Woord gevormd worden."10

De colleges van Wichelhaus

"Mijn beroep wordt voor mij met elk semester zwaarder en tegelijk ook liever".11 Het is zwaarder omdat het de hele mens opeist en het nodig is om niet alleen met het Woord maar ook met de daad anderen te leren in de kracht des Geestes, die van het Woord uitgaat en die men zelf eerst moet ondergaan. Maar tegelijk gaan mij steeds meer de schatten open van de waarheid en de betrouwbare troost, die in de Heilige Schrift gegeven zijn.

Johannes Wichelhaus gaf zijn bijbel-exegetische colleges, naast Tholuck en naast de rationalistische hoogleraren. Men keek niet hoog tegen hem op. Het getuigenis dat hij wou brengen, het getuigenis van de alleen goddelijke gerechtigheid tegenover de volkomen ongerechtigheid van de mens, ging voor onwetenschappelijk door. Wichelhaus ging zijn weg in stilte, studeerde intensief en vond waardering bij een klein aantal studenten. Zijn werk zou echter op de duur zegenrijke vruchten dragen en hij zou worden tot een van de weinige echt reformatorische theologen in een eeuw die speculatieve wetenschap hoger achtte dan het met grote kennis van hulpwetenschappen steeds dieper doordenken van het goddelijk geheimenis waarbij de gehele mens betrokken is. Met een paar studenten gaat Wichelhaus het boek Samuël lezen en voor een klein gehoor Genesis uitleggen. Kohlbrugge geeft hem daarbij raad. Deze wijst hem ook nog eens op Luther, die hem zelf zo lief is. Toch waarschuwt hij ook Wichelhaus, dat de grote reformator de bijbelheiligen nu en dan niet mensen laat zijn die, zoals ze zijn, de raad Gods dienen. Het onderscheid tussen die bijbelheiligen en andere mensen is, zo schrijft Kohlbrugge hem, dat de eersten zich steeds houden aan het Woord, aan de barmhartigheid Gods en juist daarbij tonen dat ze van een gerechtigheid weten, die de anderen vreemd is. Wichelhaus leerde zijn studenten de goede vragen te stellen en dat is enorm belangrijk. Bijvoorbeeld over het stuk van de regeneratie, de wedergeboorte. Op welke plaatsen in de bijbel wordt daarover gesproken? In welke context? Wie is de auteur van de wedergeboorte? Bewijsplaats daarvoor. Door welk middel? Bewijsplaats daarvoor. Verschillende uitspraken. Door het Woord. Door water en Geest. Hoe komt dat overeen? Op welke manier? Wat gaat voorop? Hoe bevindt zich daarbij de mens? Wat wordt hiervan bij de modernen? Tot welk doel, waartoe wordt iemand van boven of opnieuw geboren? Wie is de oorsprong? Wat is het doel van het nieuwe leven? Naar God toe? Door het Woord? Tot welke hoop? Tot geloof? etc. etc.12 Men ziet op welke wijze Wichelhaus de dogmatische vragen op het nauwste verbindt met de exegese van de H.Schrift. Daardoor wordt voorkomen dat de leer tot een systeem wordt, dat als een deksel op de H. Schrift ligt.

Noten:

1. Onbeschroomd.

2. Joh. Wichelhaus, Die Lehre der heiligen Schrift, 68.

3. Lett.: een vierkant man.

4. Briefe von dr. H.F. Kohlbrugge, 74

5. Briefe von dr. H.F. Kohlbrugge, 170

6. Briefe von dr. H.F. Kohibrugge, 171

7. Briefe von dr. H.F. Kohibrugge, \64

8. Briefe von dr. H.F. Kohlbrugge, 103

9. Joh. Wichelhaus, Die Lehre der heiligen Schrift, 131

10. Joh. Wichelhaus, Die Lehre der heiligen Schrift, 88

1 1. Joh. Wichelhaus, Die Lehre der heiligen Schrift, 65 ] 2, joh. Wichelhaus, Die Lehre der heiligen Schrift, 89f