Terug naar Ecclesianet.nl

"God bijvallen - tegen jezelf in" (III)

De Luther-studies van Hans Joachim Iwand

Dr. C. C. DEN HERTOG, Leiden

Op 30 januari 1933 wordt Adolf Hitler door president Von Hindenburg benoemd tot Rijkskanselier. Tijdens zijn leven zou deze man, wiens benoeming bedoeld was als tactische manoeuvre, in de verwachting hem en zijn nationaal-socialistische beweging eens en voorgoed te laten mislukken, de macht niet meer afstaan. Democratische instituties werden door de Nazi's meteen bruutweg terzijde geschoven en afgeschaft. In het land heerste evenwel in brede kringen euforie. De democratie van de Republiek van Weimar - de jaren 1918-1933 -had bij veel Duitsers niet echt geworteld, en de Führer werd daarom blij begroet als brenger van een nieuwe tijd. Ook in de kerk - met name aan protestantse zijde - overheersten vreugde en bijval. Niet weinigen van de latere voormannen van de Belijdende Kerk (M. Niemöller!) hebben in 1 933 zelf ook op de NSDAP gestemd...

Gelet op zijn politieke houding bevond ook Hans Joachim Iwand zich in de gevarenzone, en inderdaad kan hij - waar zijn vrouw zomer 1933 in brieven reeds scherpe kritiek ten aanzien van het nieuwe regime uit -nog in september 1933 in hooggestemde bewoordingen schrijven over een gematigd duits-christelijke spreker,

Karl Fezer, die 'het Woord Gods ten gehore bracht vanuit de geschiedenis van het volk'. Als Iwand in 1935 herinnert aan een woord van de filosoof M. Scheler, namelijk dat het gevaar voor een bestaande religie gelegen is in de aantrekkingskracht van een nieuwe krachtige en levende religie, zal hij niet in de laatste plaats aan zichzelf gedacht hebben. De ontnuchtering moet bij Iwand evenwel al spoedig hebben plaatsgevonden. In januari 1934 is hij in Berlijn aanwezig bij een bespreking van theologen, ter voorbereiding op een bezoek van M. Niemöller, de spreekbuis van de in september 1933 opgerichte Phrrernotbund, aan Hitler. Bij die gelegenheid heeft Karl Barth - met instemming van Iwand - de reeds genoemde duitsch-christelijke theoloog Karl Fezer toegevoegd: 'U hebt een andere god dan wij.' Iwand is sinds september 1933 lid van de Pfarrernotbund van Niemöller en de zijnen, en ligt dan al onder vuur van de Duitse Christenen in Oost-Pruisen, die misschien al eerder dan Iwand zelf doorzagen dat hij wel één van hun scherpste bestrijders moest worden. In 1933 en 1934 is de positie van Iwand en Schniewind in de oostpruisische kerk nog zo sterk, dat men reële hoop kan koesferen de kerk bijeen te houden, als een gesloten front tegen de dwaalleer van de Duitse Christenen. De ontwikkelingen in deze geïsoleerd gelegen, meest oostelijke provincie van het Duitse Rijk liepen dus niet parallel met die in het hart: Berlijn en de kerken in het Ruhrgebied. Niettemin kondigt zich ook in Oost-Pruisen al wel een confrontatie aan tussen hen die Jezus Christus als enige Heer belijden, en de Duitse Christenen die een vorm van christelijk belijden meenden te kunnen combineren met de verheerlijking van ras, bloed en bodem. Opmerkelijk genoeg is het optreden van de Duitse Christenen tegen Iwand - de pogingen vanaf juli 1933 om hem af te zetten als Inspektor van het lutherheim, die uiteindelijk zomer 1934 tot zijn terugtreden leiden - het punt waarop de kerkstrijd ontbrandt. Tegen het einde van 1934 -de synode van Barmen (mei 1934), waar de Belijdende Kerk geboren werd, is dan al achter de rug, zonder dat Oost-Pruisen er vertegenwoordigd was - komt de eerste provinciale Belijdenissynode bijeen, in een gebouw van de Gemeinschaftsbewegungl

In de eerste jaren na de 'nationale revolutie' van 1 933 staat Iwands theologisch bezig-zijn in het teken van de kerkelijke strijd tegen de Duitse Christenen. Fronten blijken ineens heel anders te lopen dan men altijd had gedacht. In relaties met vrienden en geestverwanten ontstaan scheuren, en soms breken contacten voor enige tijd - met Rudolf Hermann - of ook voorgoed - E. Seeberg en F. Gogarten - af. 'Sommigen hebben gelei zitten op de plaats, waar anderen altijd meenden dat hun ruggengraat zat', merkt Iwand eens op met een beeld dat aan duidelijkheid niets te wensen overlaat. Daarentegen komt met anderen, tegenover wie Iwand altijd een zekere reserve had gehad, een levende verbondenheid op basis van het Evangelie tof stand. Had Iwand tot 1933 forse kritiek op Karl Barth, onder de indruk van diens principiële verzet tegen de ideologie van de Duitse Christenen herkent hij in hem een bondgenoot. Hij neemt bepaalde fundamentele inzichten van hem over, maar zonder dat dat tot een breuk in zijn theologische ontwikkelingsgang leidt. Hij leest Barfh door de bril van de jonge Luther, en ontdekt tof zijn eigen verrassing dat er tussen die beiden meer overeenstemming is dan zowel Barth als vooral de lutheranen menen.

Barmen en Luther

Van meet af aan zijn er in de Belijdende Kerk twee stromingen, grofweg: de leerlingen van Barth enerzijds en de conservatieve lutheranen anderzijds. De beide stromingen vinden elkaar op de synode van Barmen, in mei 1934, en blijven ook daarna nog enige tijd bijeen. Vanaf het begin echter zijn er inhoudelijke tegenstellingen, die ingrijpende pracfische consequenties hebben. De grote lutherse kerken in de diverse 'provincies' van het Duitse Rijk - net als vandaag nog met eigen synodes in de verschillende gebieden - waren vooral beducht voor de teloorgang van het lutherse belijden, en gingen sterk uit van een moderne invulling van een scheiding tussen de twee rijken of regimenten. Een christen zou, in het licht vooral van Romeinen 13, op het terrein van de staat zonder enig voorbehoud moeten gehoorzamen aan de overheid. Op de synode van de Belijdende Kerk te Barmen waren afgevaardigden aanwezig in een bruin SA-uniform, waarmee ze te kennen gaven dat het hun slechts ging om de zuiverheid van de lutherse belijdenis binnen de kerk, en dat zij daarbuiten geen enkel probleem hadden mee te gaan in de idealen en praktijken van het nationaal-socialisme. Begin 1936 slaagt Hitler erin de beide vleugels tegen elkaar uit te spelen. De Duitse Christenen, die overigens nooit zijn openlijke en hartelijke steun hadden genoten -Hitler besefte terdege dat er geen enkel compromis mogelijk was tussen het christelijk geloof en de ideologie van hef nationaal-socialisme -, waren intern verdeeld geraakt ten gevolge van het optreden van extreme figuren, en hadden hun (aantrekkings)kracht goeddeels verloren. Bovendien manifesteerde zich een offensief van nieuw heidendom, dat gematigde Duitse Christenen afschrikte. In die situatie meenden de aaneengesloten gebleven lutherse kerken te kunnen samenwerken met gematigde Duitse Christenen binnen door de overheid in het leven geroepen kerkcomités. De principiële vleugel van de Belijdende Kerk, waartoe de meeste gereformeerden behoorden, wees iedere vorm van samenwerking met de Duitse Christenen af, en al bleef er een vorm van overleg tussen de tot compromis bereide lutheranen en de principiële vleugel bestaan, -de kracht van de Belijdende Kerk was gebroken. In die situatie roept de Luiherrat in oktober 1936 een conferentie bijeen, waar men als Lutheranen terugblikt op de jaren van de kerkstrijd en zich bezint op hoe verder te gaan. Men nodigt er als spreker niet alleen geestverwanten van de Duitse Christenen, zoals P. Althaus, uit, maar ook een verklaard voorstander van de Belijdende Kerk zoals Iwand. Men wist dus heel goed wie men binnenhaalde. Iwand genoot vertrouwen in hun kring, maar hij had rond de vierde synode van de Belijdende Kerk in Bad Oeynhausen (februari 1936) geen enkele twijfel erover laten bestaan aan welke kant hij stond, lp een theologische meditatie rond de jaarwisseling hadlwand in aansluiting bij de jonge Luther Gods menswording in Christus getekend als doorkruising van de aspiraties van de mens, die als God wil zijn - een niet mis te verstane proclamatie van onverenigbaarheid van christelijk geloof en nationaal-socialisti-sche ideologie. Tegelijkertijd had hij in een door de Broederraad (de dagelijkse leiding van de Belijdende Kerk) op grote schaal verspreide brochure de afgevaardigden opgeroepen niet terug te vallen achter gemeenschappelijk tot stand gekomen theologische beslissingen, en niet uit te gaan van menselijke inzichten, maar te blijven vertrouwen op God en zijn Woord, dat in de kerkstrijd zulke grote dingen had gedaan. In zijn referaat legt Iwand de eerste twee stellingen van de Theologische Verklaring van Barmen naast de theologie van Luther, met name de Heidelberger Disputatie (1518). Iwand betoogde, dat ook Luther's verstaan van Johannes 10 en 14,6 - sleutelteksten in de eerste twee stellingen van Barmen - scherpe afgrenzingen liet zien tegen iedere vorm van beroep op Gods 'openbaring' in de geschiedenis. Men kon zich niet op de reformator beroepen als men meende Jezus Christus te kunnen navolgen en tegelijk van harte Hitler als Führer erkennen. De weg van het kruis is niet zo innerlijk als de 20ste eeuwse lutheranen het graag wilden geloven. Van Luther heeft Iwand geleerd, dat de eigenlijke ketterij niet in de woorden steekt, maar in de zin die wij aan de woorden geven. Dat is een niet mis te verstane waarschuwing aan het adres van het confessionele lutheranisme, dat meent dat we al een heel eind zijn met het repeteren van en vasthouden aan formuleringen uit het verleden. Zo beneemt men zich, aldus Iwand, het rechte zicht op het Woord.
Het Woord is altijd levend en nieuw, heeft Luther gezegd, maar de ketterij in feite alleen maar 'meer van hetzelfde'. In Barmen was het om dat Woord gegaan, en van dat Woord was kracht uitgegaan: machtigen - Iwand denkt aan duits-christelij-ke bisschoppen - waren van de troon gestoten, en zij die zich op God verlieten waren wonderlijk beschermd. Het ging in de kerkstrijd naar Iwands overtuiging er niet maar om de kerk in formele zin - de formulering van haar grondslag - zuiver te houden, maar de kerkstrijd was ten diepste ge/oofsstrijd. De lutherse kerken kunnen naar Iwands inzicht daarom niet volstaan met dankbaar te constateren dat de confessionele basis van de kerk onaangetast is gebleven, maar zij dienen een open oog te hebben voor de aanvallen op het Evangelie van Jezus Christus en die af te weren met de wapenrusting die ons gegeven is: het zwaard van het Woord. Tegen de stroom van de conferentie in noemt Iwand in zijn referaat Barmen een belijdenis, waarmee hij in feite opkwam voor het gelijk van de principiële vleugel van de Belijdende Kerk. Iwands pleidooi heeft niet mogen baten. Pas vanaf 1943, als Hitler's plannen met de kerk na zijn eindzege duidelijk worden, komt er weer toenadering tot stand. Maar in de jaren dat de oorlog losbarst en tot de Sjoa besloten wordt, ontbrak een protest van de Belijdende Kerk - zij had zichzelf van de mogelijkheid te spreken beroofd...

De leer van de onvrije wil

In 1936 is Iwand nog predikant-directeur van een Predigerseminar van de Belijdende Kerk. Als de slagkracht van de Belijdende Kerk evenwel gebroken is, ziet de overheid haar kans schoon de activiteiten van de Belijdende Kerk te verbieden. De Predigerseminare worden illegaal verklaard en gesloten, waarmee men poogt de invloed van o.a. Bonhoeffer en Iwand aan banden te leggen. De theologische kandidaten worden opgeroepen voor militaire dienst, en na het uitbreken van de oorlog bij voorkeur op de gevaarlijkste plaatsen ingedeeld. Niemöller en anderen worden veroordeeld tot het concentratiekamp. Het is een doeltreffende strategie...

Iwand heeft vanaf 1938, als hij uit Oost-Pruisen verbannen is en hem de bevoegdheid om onderwijs aan de universiteit te geven ontnomen is, geen andere mogelijkheid dan het predikantschap in het voor hem en zijn vrouw zo vreemde westen van Duitsland. Dat is echter van de 'buitenkant' af gezien en gesproken: 'een ander zal u gorden en brengen waar gij niet wilt'. De 'binnenkant' is dat Iwand zich in zijn predikantschap geheel en al 'kwijt kan', en zich door God geroepen en geleid weet. In het predikant-zijn vindt hij ook bescherming tegen een veroordeling tot het concentratiekamp - en hij krijgt gelegenheid zich verder met Lufher bezig te houden.

Die veroordeling tot het concentratiekamp dreigt in de winter van 1938/1939, als Iwand een half jaar in een Gestapo-gevangenis in Dortmund zit. Die tijd benut hij door een commentaar te schrijven op Luther's geschrift contra Erasmus, over de onvrije wil. Hoezeer de studie van Luther en het leven bij hem samenhangen, blijkt misschien wel het duidelijkst in bepaalde accenten in die uitleg. Zo schrijft hij dat de leer van Erasmus, waarin een goede kern in de mens is verondersteld, uiteindelijk wel móet leiden tot een vergoddelijking van de mens, die alles wat het heidendom op dit punt had laten zien verre zal overtreffen. Na de oorlog zegt hij het in ronde woorden: Luther zag Hitler al, verscholen in de lendenen van Erasmus. Toch schrijft hij een commentaar, en niet een tendentieus pamflet, dat geheel en al naar een bepaalde conclusie is toegeschreven. Iwand behoeft zijn conclusies niet in Luthers geschrift in te lezen, maar kan de teksten voor zichzelf laten spreken; Luthers leer van ae onvrije wil vormde ook al het onderwerp van Iwands Anlrittsvorlesung (1927) is en in de jaren daarna had hij nog enkele malen een lezing over dit thema gegeven. Centraal in Iwands benadering staat het inzicht dat bij Luther de leer van de rechtvaardiging en de onvrijheid van de wil onlosmakelijk met elkaar verbonden zijn. De leer van de rechtvaardiging door het geloof wordt tot in de wortel bedorven, als men die - zoals het neoprotestantisme van de 19e eeuw had gedaan - tracht te verbinden met de idee van de natuur-fijke vrijheid van de mens. De rechtvaardigingsleer van Luther doet echter geen appèl op het 'hogere' in de mens, maar cirkelt geheel en al om God die rechtvaardig maakt. Wanneer een mens zich rijk rekent met zijn aangeboren geestelijke vrijheid ontkent hij Christus' gerechtigheid werkelijk nodig te hebben. Christus wordt een 'halve Verlosser', alleen voor het 'lagere' in de mens, schimpt Luther - voor het 'hogere' in ons menen we het zonder verlossing en Verlosser te kunnen doen. Hef is Iwands overtuiging, dat de mens zichzelf daarmee een rad voor de ogen draait - en blind is voor wat werkelijk plaatsvindt. De vreugde over de 'natuurlijke vrijheid' van de mens onttrekt aan het oog dat achter die facade de intocht van de zeven boze geesten plaatsvindt, die bewerken dat het met Duitsland aan het einde erger zal zijn dan in het begin, toen de adem van het Evangelie voor het eerst over het land ging en dankbaar werd opgenomen.

Godskennis en zelfkennis

Na Iwands vrijlating uit de gevangenis in april 1939 kan hij bevestigd worden als predikant van de St Mariengemeinde in Dorfmund. De kerkeraad had tegen de intimidatie van overheidszijde in vastgehouden aan het beroep dat zij op Iwand hadden uitgebracht. Enkele jaren van betrekkelijk ongestoord gemeentelijk leven volgen. Tijdens de eerste oorlogsjaren leest Iwand meteen kring gemeenteleden (!) in Dorfmund Luther's colleges over de Brief aan de Romeinen - zijn 'eerste liefde'. Het duurt echter niet lang of de geallieerde bombardementen van het Ruhr-gebied treffen ook Dortmund en bewerken dat de gemeente decimeert: van 4000 leden naar 100.

In 1940 dringt vanuit Dachau het gerucht door dat M. Niemöller uit teleurstelling over de opstelling van de Belijdende Kerk overweegt over te gaan naar de Rooms-Katholieke Kerk.

Op verzoek van Rijksbroederraad schrijft Iwand in korte tijd - er wordt een periode van acht dagen genoemd - een kleine studie over Luthers rechtvaardigingsleer. Het is een beknopt overzicht van Luthers theologie, dat niet toevallig inzet met wat is uitgedrukt in de titel van deze artikelen: het gaat erom God gelijk fe geven tegen jezelf in. In de rechtvaardigingsleer gaaf het dan niet om een religieuze invulling van een fundamenteel besef aanvaard te zijn, ondanks al je fouten. Nee, het gaat erom Gods oordeel over wie ik ben geheel en al bij te vallen, en mijn - neoprofesfanfse, maar in feife aangeboren - neiging om enige troost en houvast te zoeken in mijn pluspunten, te laten varen. We hebben er ook baat bij, want het zoeken naar positieve elementen in mijn leven levert geen zekerheid op, maar wie God bijvalt tegen zichzelf in, krijgt tevens oog voor Gods scheppende gerechtigheid in Christus, die de goddeloze rechtvaardigt, ledere vorm van steun zoeken in onszelf, in onze prestaties of werken, is niet minder dan een verloochening van wat God in kruis en opstanding van Christus tot stand heeft gebracht.

Schuldbelijdenis en omkeer

Tegen hef einde van de oorlog wordt Iwand gevraagd een bijdrage te leveren aan een feestbundel voor Julius Schniewind. Hij kiest ervoor iets te schrijven over Lufher's benadering van de (erf)zonde, die het exacte tegendeel vormt van de populaire gedachte dat de mens verleid is door de Boze en zich in ellende heeft gestort - een ellende, waaruit hij zich met hulp van Christus en enige heiligingskrukken kan bevrijden. Het omgekeerde valt bij Luther te lezen. De zonde heeft zijn intrede in de wereld gedaan door een daad van de mens. Er was geen sprake van een zodanige verleiding, dat de mens die niet doorzien kon of geen kracht had stand te houden. Nee, in volle verantwoordelijkheid heeft de mens ervoor gekozen als God fe willen zijn.

Wat daarna volgde was de teloorgang van zijn vrijheid. Speelbal van de Boze is de mens geworden. God is echter in Christus in de wereld afgedaald om van zulke jammerlijke, ongelukkige 'goden' weer mensen te maken - bevrijde mensen.

Als Iwand zo een klein hoofdstuk uit Luther's denken voor het voetlicht haalt, lijkt dat een wetenschappelijk verhaal zonder directe relevantie. De schijn bedriegt evenwel. In feite is hij bezig met de vraag hoe er sprake kan zijn van wederopbouw van Duitsland na de Tweede Wereldoorlog. Iwand ziet al aankomen, dat men zich in protestantse kring erop zal beroepen door Hitler 'verleid' te zijn, en ten diepste zelfs verschalkt door demonen - wat kan een mens uitrichten de 'antichrist'?! Als men al wist wat er gebeurd was, dan waren er zulke bovenmenselijke krachten aan het werk, dat de mens daartegen geen schijn van kans had. Iwand doorziet dat bij voorbaat als weigering verantwoordelijkheid te aanvaarden voor wat er gebeurde, en met name ook voor de eigen rol daarin.

Iwand verafschuwde die denkwijze, die inderdaad na 1945 werd gepropageerd. Zo kon men zich afmaken van wat er gebeurd was - en daardoor niet alleen zichzelf de ware kennis van zichzelf en van de vrijheid in Christus onthouden, maar ook de wortel ongemoeid laten waaruit het kwaad van het nationaal-socialisme had kunnen opkomen.

Nee, er is vanuit Luther - en die was daarin enkel leraar der Schrift - geen andere weg dan te erkennen dat schuldbelijdenis als kern heeft de erkenning van de eigen verantwoordelijkheid. 'Tegen U alleen heb ik gezondigd.' Zo hebben we ons uitgeleverd aan de Boze en kon het rijk van de Boze in en door ons gestalte aannemen. Schuldbelijdenis en omkeer - tot God in Christus - is de enige weg die voor Duitsland echt begaanbaar is en leidt tot een toekomst. Ook voor de wederopbouw van Duitsland na 1945 kan men veel bij Luther leren... Maar dan moet Luther wel zélf aan het woord komen!