Terug naar Ecclesianet.nl

Johannes Wichelhaus (1819- 1858) (I)

Prof. dr. W. BALKE, Amsterdam

Het heeft een goede zin om in de vriendenkring van Kohlbrugge aandacht te vragen voor één van de vrienden -leerlingen van het eerste uur: Johannes Wichelhaus. Het behoort tot de merkwaardige levensgang van Kohlbrugge, aan wie in ons land kansel en katheder werden geweigerd, - immers de mens wikt maar God beschikt - dat twee van zijn leerlingen academische katheders gingen bezetten, nl.: Johannes Wichelhaus aan de universiteit te Halle en Eduard Böhl aan de universiteit te Wenen; en dat velen van hun leerlingen terecht kwamen op de kansels in Duitsland, Nederland, Zwitserland. Oostenrijk, Bohemen en Moravië en zelfs Amerika. Kohlbrugge vertelt aan Wichelhaus met een zekere verbazing, dat in Jamaica1 zwarte hulppredikers voorlezen uit de Engelse vertalingen van zijn preken. Zo ontving de invloed van Kohlbrugge een Europese, zelfs een Atlantische horizon.

Maar daarmee is het geheim van deze invloed niet verklaard. Die ligt in de inhoud van de boodschap zelf. Een boodschap, die door vele tijdgenoten met bijtende spot en verachting werd bejegend en voor 'niet-weten-schappelijk' werd verklaard en daarmee als zodanig voor hen afgedaan had. Maar het blijkt dat de mode-theologie heel snel veroudert, maar dat de boodschap van de reformatie en van de H.Schrift altijd nieuw blijft. In het revolutiejaar 1848 klaagde zijn oudere collega Tholuck in Halle aan Wichelhaus, dat het nu met de theologie gedaan was. Waarop Wichelhaus reageerde: "Integendeel, nu begint juist de echte theologie!"2. En toen Wichelhaus eens op bezoek was in een pastorie (het was bij de oude ds. Zahn in Giebichenstein bij Halle waar Kohlbrugge zelf na de dood van Wicheihaus ook op bezoek geweest is) en er gesproken werd over het christendom, veroorloofde hij zich de merkwaardige laconieke opmerking: "Ik heb geen christendom, maar een levende Christus"3. . Dit zelfbesef is tekenend. Kohlbrugge en in zijn voetspoor Wichelhaus zijn zich bewust nieuwe wegen te gaan. Kohlbruggezegt zelf een standpunt in te nemen dat niemand voor hem, behalve misschien Luther, die hij een enkele maal uitzondert, heeft ingenomen4.

Afkomst

Wichelhaus werd geboren in 1819 te Mettmann, maar stamde uit Elberfeld waar zijn vader in 1823 predikant werd naast Gottfried Daniël Krummacher. Zijn moeder was Wilhelmine von der Heydt en stamde uit de bankiersfamilie waarvan meerdere leden later steunpilaren vormden van Kohlbrugge's gemeente te Elberfeld. Wichelhaus was ruim 15 jaar jonger dan Kohlbrugge. Hij leerde Kohlbrugge allereerst kennen door diens preken en door diens geschrift over Romeinen 7. Dat heeft Wichelhaus voor zijn leven gestempeld. Het was in 1842, Wichelhaus was toen 23 jaar en al enkele jaren theologie-student, dat hij, na een verblijf aan zee in de badplaats Scheveningen aan Zee vanwege zijn zwakke gezondheid, een bezoek bracht aan Kohlbrugge in Utrecht. Het klikte onmiddellijk tussen beiden. Beiden waren bijzonder meester in de Oosters talen: het Aramees, Arabisch, Babylonisch, Syrisch en Samaritaans. Bovendien had Wichelhaus zich reeds ontwikkeld als een uitstekend kenner van de kerkvaders, de patristiek, en van de kerk- en dogmengeschiedenis. Later komt Kohlbrugge herhaaldelijk in zijn brieven op deze eerste ontmoeting terug: "Ik denk vaak daaraan, hoe wij samen zaten in Utrecht, en hoe toen alles naar het uitwendige nacht om ons heen was."5 Kohlbrugge was door de leerschool van bijbel en van het leven reeds 'gevormd'. Eerst was hem het licht opgegaan, dat Gods barmhartigheid van ons niet wijkt als we Hem met een gelovig hart aannemen. En later was het hem ten volle duidelijk geworden, dat wij ondanks die barmhartigheid Gods in ons zelf toch vleselijke mensen zijn en blijven; dat Gods wet echter geestelijk is. Uit die controverse had hij de volledige troost geput dat we wel met vreze en beven onze zaligheid kunnen bewerken, maar niet onze heiligheid. Maar in dat bewerken van onze zaligheid door Christus vast te grijpen in het besef van onze schuld, wordt ook de heiliging geschonken. Na dit hem van God gegeven inzicht in de evangelische boodschap van hef heil aan mensen van het welbehagen, spreekt en schrijft en predikt hij dan en voortaan als man met een profetisch gezag, die zich geroepen weet dat volle evangelie te moeten verkondigen aan allen die in zichzelf zijn vastgelopen en overtuigd zijn van de heerlijkheid Gods, eigen zaligheid en heiligheid te moeten derven. Hij blijft dezelfde die hij door zijn van de Heilige Geest verkregen inzicht geworden is, al neemt hij toe in kennis van de Schrift en daarmee in kennis van God'. Daarom is voortdurende Schriftstudie nodig. Het is een kennis die zetelt in hoofd en hart, die objectief geput wordt uit de Heilige Schrift en tot subjectieve zekerheid wordt in onze geloofservaring. Met die kennis en in die zekerheid, en door voortdurend leed gelouterd, wordt Kohlbrugge dan tevens een kenner van het menselijk hart als maar weinigen. Hij leert Gods barmhartigheid steeds weer dieper doorgronden en juister verstaan, en kan daarom Gods doel en Zijn boodschap aan de mens aan vertwijfelden steeds troostvoller doorgeven.

Wichelhaus daarentegen stond toen nog in het begin van zijn vorming tot getuige Gods. Hij was een jonge man met aanleg en met liefde tot de studie van het goddelijk geheimenis bezield. Hij had al getoond met grote zelfstandigheid tegenover de door zijn studie gerezen problemen te staan. Wichelhaus zegt zelf: "In de tijd, dat ik theologie studeerde, toen ik in de ongehoorzaamheid, in het verzet en de moedeloosheid van mijn hart doodziek terneerlag - toen is des Heren Woord tot mij gekomen in de prediking en in het woord van een getrouwe en waarachtige getuige der waarheid en heeft

mij in het stof geworpen, mij overwonnen en gezond gemaakt. Ik moest echter spoedig gewaarworden, dat hetgeen om mij heen werd geleerd en gepredikt, niet dit Woord is; en hoe ik mijzelf ook wilde helpen, een uitweg te vinden, er was geen weg: ik moest of het éne haten en het andere liefhebben, óf aan het éne mij vastklemmen en het andere verachten"6. Wichelhaus deed de goede keus, maar heeft ervaren wat hij enkele dagen na zijn 20e verjaardag, toen hij -inmiddels student te Berlijn - op zijn kamer zat, bij de gedachte aan het toekomstig beroep met een merkwaardige blik in de toekomst schreef, dat het ambt van een getuige van Christus "het ambt van grote beproevingen, van groot lijden, maar ook van grote belofte"7 is. De vriendschap met Kohlbrugge heeft de weg van Wichelhaus tot een lijdensweg gemaakt, omdat deze vriendschap hem ook deed delen in de vijandschap die Kohlbrugge veelvuldig ten deel viel. In de contacten met Wichelhaus was van meet af aan de gehele familie Kohlbrugge betrokken. Na zijn eerste bezoek stuurde Wichelhaus 5 kopjes en schotels, voor vader en moeder en de drie kinderen Kohlbrugge. Vaak komen de familiaire omstandigheden ter sprake in de briefwisseling. En vaak gaat er een briefje van één van de kinderen mee in de brief van vader aan Wichelhaus.

Studie te Bonn en Berlijn

In Elberfeld was Wichelhaus op het gymnasium. Hij was een uitstekende leerling, maar ook het sportieve element ontbrak niet. Hij deed aan paardrijden, maakte berg-tochten in de omgeving met zijn vrienden, en ging met hen zwemmen en 's winters schaatsen. Na een uitstekend eindexamen, vooral in de wiskunde, ging Wichelhaus theologie studeren eerst in Bonn (1836-1838) en daarna in Berlijn (1838-1840). In Bonn ontmoette Wichelhaus de hoogleraren: Bleek, Nitzsch, Sack en Redepenning, en de filosoof Fichte. Karl Immanuël Nitzsch, die vanaf 1847 in Berlijn doceerde, was in de faculteit te Bonn de belangrijkste figuur. Nitzsch (1787-1868) verbond de geloofsleer van Schleiermacher met speculatieve theologie. Hij was een vertegenwoordiger van de zogenaamde Vermittlungstbeoiogie en een voorstander van de Union tussen Lutheranen en Reformierten. In Rheinland was hij vice-president van de provinciale synode. In Berlijn studeerde Wichelhaus bij Neander, Hengstenberg en vond eerst onderdak bij zijn oom Gerhard Friedricfi Abraham Strauss (1786-1863), de eerste hofpredikant en hoogleraar in de praktische theologie.8 Strauss behoorde evenals de Krummachers tot de opwekkingsbeweging in Wuppertal. Wichelhaus liep ook college bij de geograaf Ritter, en wel met groot

genoegen. Ongetwijfeld hing dat ook samen met zijn grote interesse in de archaeologie. Wichelhaus heeft in Berlijn Schleiermacher zelf niet meer gehoord; deze overleed 1834.

Wat betreft de Berlijnse faculteit: August Neander (1789-1 850), een vroom en vredelievend man, was een bekeerde Jood. (In Berlijn doceerden in het midden van de vorige eeuw 24 hoogleraren van Joodse afkomst, die evenals Da Costa en Capadose christen waren geworden). Neander, hij heette eigenlijk Mendel en nam bij zijn doop een nieuwe naam aan, Neander [neos an-dros = nieuwe mens); Neander stond sterk onder invloed van Schleiermacher, en bedreef het vak kerk- en dogmengeschiedenis als vroomheidsgeschiedenis, een sfrijd tussen de Geest van Christus en de geest van de wereld. Men spreekt ook wel van pectoraal-theologie vanwege de latijnse spreuk van Neander: pectus est quod theologum facit (= het is het hart, dat de theoloog maakt). De theologie was voor hem niet een zaak van het verstand alleen maar evenzeer van het hart. Hij noemde zich 'recht glaubig, aber nicht rechtglaubig' (oprecht niet rechtlijnig). Zo bestreed hij de filosofie van zijn collega Hegel en tegelijk het confessionalisme van zijn collega Hengstenberg. Andere representanten van deze Erweckungstheologie komen straks nog ter sprake.

Wij bevinden ons met deze theologie der ervaring en van het vrome gemoed niet bij Kohlbrugge en ook niet bij het hart van de reformatie. Het oude onkruid, anders gezegd: de erfzonde van de (in wezen roomse leer van de gratia infuso (= ingestorte genade), een erfzonde met name ook van het pië'tisme, is hier met de handen te tasten. De theologie staat hier niet op de noemer van het oordeel van God, de bevrijdende boodschap van de rechtvaardiging van de goddeloze, maar op de noemer van de wedergeboren vrome mens. Ernst Wilhelm Hengstenberg (1802-1869) was een strenge Lutheraan en een groot geleerde, die zich geheel inzette voor de verdediging van de goddelijke autoriteit van de H.Schrift. Hij redigeerde sinds 1827 de Evangelische Kirchenzeiiung, het invloedrijke orgaan van de orthodoxe partij om het oude geloof te verdedigen en de Verlichting te bestrijden. Hengstenberg was Wichelhaus zeer toegedaan.

Licentiaatsexamen te Bonn

Na zijn studie in Berlijn gaat Wichelhaus zich voorbereiden op het licentiaatsexamen aan de universiteit te Bonn. Men is daar op de hoogte van zijn relatie met Kohlbrugge; men kent ook de protesterende houding van zijn Elberfeldse ooms Karl en Daniel von der Heydt tegenover de van bovenaf opgelegde Union tussen Lutheranen en Reformierten op kerkelijk gebied. De voorzitter van de faculteit verlangt nu van hem dat hij, om zijn examen te mogen doen, eerst de eed op de kerkelijke symbolen zal afleggen om daardoor te tonen dat hij het recht erkent lutherse en gereformeerde gemeenten in één kerverband te verenigen. Deze speciaal hem opgelegde verplichting vóór het examen krenkt Wichelhaus en stuit hem tegen de borst. Hij wendt zich daarom met een verzoekschrift tot de koning van Pruisen om van de eedsaflegging dispensatie te verkrijgen, maar krijgt ten antwoord dat zijn verzoek afgewezen is. Hij denkt er dan ernstig over naar Heidelberg te gaan om daar zijn examen af te leggen. De bevriende hofprediker Snethlage in Berlijn, van mening dat zo'n begaafde kracht niet 'ins Ausland' moet gaan maar voor Pruisen behouden moet blijven, raadt hem aan naar Halle te gaan. Kohlbrugge, om raad gevraagd, stimuleert het voorstel met de woorden: "Daarvoor moet toch de Here naar Zijn trouw en waarheid geprezen zijn, dat, nu je werk klaar gekomen is, Hij ook.de man gestuurd heeft, die je naar de plaats verwijst waar je je dissertatie zou kunnen aanbieden en je werkkring zou kunnen vinden. Laat het dan niet Heidelberg maar Halle zijn, dat mij aanvankelijk ook meer leek en dat ik je eerst al, naar ik meen, heb voorgesteld"9.

In Halle

De faculteit in Halle werd aan het begin van de 19e eeuw beheerst door de geest van het rationalisme, dat zijn geestesvader had in de filosofie van Immanuël Kant. Van 1810-1849 was hier de Kantiaan Julius August Ludwig Wegschneider (1771-1849) hoogleraar. In zijn wat wel genoemd wordt de klassieke dogmatiek van het rationalisme: instiutiones theologioe christanae dogmaticae werden de hoofdpunten van de belijdenis der kerk onderworpen aan de kritiek van de rede of ratio. Het zogenaamde 'gezonde verstand' was de hoogste rechter. De bijbel is niet de openbaring van God. Erfzonde is er niet, want dat is in strijd met de goedheid van God. Ook zijn de begeerten van de mens op zichzelf niet slecht. Slecht worden zij eerst door de boze wil van de mens. De Godheid van Christus wordt geloochend. Zijn dood is een symbool voor de verzoening van de mensen met God. De rechtvaardiging van de goddeloze wordt verworpen. Die leer is voortgekomen uit bepaalde anthropomorphe fmensvormige) begrippen van een onbeschaafde eeuw. De tekenen in het H. Avondmaal zijn slechts symbolen. Dit alles kwam neer op een radikale opruiming van de hoofdzaken van het christelijk geloof.

Dit leidde in 1830 tot een felle strijd in Halle tussen de Erweckungstheologen en de vrijzinnigen. Het ging om de fundamentele vragen: "Haltst du's mit Christo oder mit Wegschneider? Gibt es überhaupt noch ein Wort Gottes oder nicht?"10

Tussen deze vrijzinnigen en de piëtistische supranatura-listen verliep de weg tot hoogleraar in Halle voor Wichelhaus niet over rozen. Hij werd uiteindelijk door de minister benoemd tegen de zin van de faculteit maar steun heeft hij ontvangen van de curator van de universiteit Pernice en van de historicus Heinrich Leo. Als hoogleraren en latere collegae ontmoette hij daar behalve Wegschneider: Tholuck, Muller, Guericke, Hupfeld, Fritzsche en Thilo.

Friedrich August Tholuck (1799-1877) was vanaf 1826 tot aan zijn dood werkzaam in Halle, waar hij werd benoemd als correctief van de rationalist Wegschneider. "Bringen Sie dem Rationalismus vulgaris in Halle ein Pereat!"" riep de filosoof Hegel in 1 826 Tholuck toe bij zijn vertrek uit Berlijn naar Halle. Inderdaad slaagde Tholuck er in om de benoeming van de radikaal vrijzinnige F.C. Baur (Tübingen) in Halle te verhinderen. In zijn plaats werd Julius Muller benoemd. Tholuck was een orthodox gelovig man en onvermoeid bestrijder van het rationalistisch modernisme dat - zoals hij zei - "het edele, schone en goddelijke predikt; maar zonder de God, die in het hart van de mens persoon geworden is, kan geen ijskorst smelten." Hij behield zijn 'Passion zum Herrn'12 maar toch ook, aangetast door de geest van zijn tijd, kon hij niet geloven, dat de bijbel van kaft tot kaft Gods Woord was. Hij maakte zich verdienstelijk met steun van een rijke Engelander voor de editie van de commentaren van Calvijn in goedkope banden en gaf een studie uit over Calvijn als exegeet. Hij was een man van grote faam, maar zijn kracht lag niet in zijn theologie, maar in zijn persoonlijkheid. Hij is op piëtistische wijze 50 jaar lang een studentenvader geweest. Aan zijn portret te zien, was hij niet van ijdelheid gespeend. Tholuck was een typische figuur van het Duitse Réveil en kreeg onder de theologische studenten grote aanhang. Het ging hem om persoonlijke vroomheid, om een aanvaarden met het hart van wat de bijbel als heil voor de zondige mens verkondigt. In de tijd van dor vulgair rationalisme bracht hij de genadebood-schap met een warmte van geloofservaring die weldadig aandeed. Maar in Schleiermachers geest legde hij het centrum van het christelijke geloof geheel in het menselijk gevoel. Zeker ging het hem om God die tot de mens spreekt, maar evenzeer om de mens die dit spreken Gods wenst te horen. Daarbij kwam nu toch weer het accent op de vrome mens te liggen met al de gevaren die dit centraal stellen van menselijk vroomheid met zich mee bracht. Kohlbrugge waarschuwt Wichelhaus voor Tholuck:

"wees voor hem altijd op uw hoede."13 Kohlbrugge was niet onder de indruk van het wetenschappelijk werk van Tholuck. In zijn commentaren is het wetenschappelijke van anderen. Ook diens kennis van de Oosterse talen acht Kohlbrugge onder de maat. Het moest dus wel botsen. Als een man van de vrome ervaring en het vrome gevoel, evenals de mannen van het Réveil in Nederland de scherpe paradoxen van Kohlbrugge niet verdroegen, stond ook Tholuck wantrouwend tegenover Wichelhaus achter wie ieder de krachtige invloed van Kohlbrugge wist. Het is geen wonder, dat zo'n repristinatie-theoloog, die alleen maar oude waarheden kon repeteren, in het revolutiejaar 1 848 vertwijfeld uitriep: "dit is het einde van de theologie!" Terwijl Kohlbrugge en Wichelhaus door de herbronning op de reformatie en op de H. Schrift zelf wisten: "wij staan aan een nieuw begin".

Julius Muller (1801-1 878), was privaat-docent te Göttingen, hoogleraar te Marburg en kwam in 1 839 naar Halle. Hij was geschoold door het piëtisme en fel gekant tegen Schleiermacher en Hegel, die hij bestreed met een speculatieve methode. Hij wilde godsdienst en speculatie verzoenen in de vorm van een theïstische filosofie, waarop de dogmatiek moest voortbouwen. Heinrich Ernst Ferdinand Gueriche (1877), een merkwaardig man, was een strenge Lutheraan en fel tegen de Union met de Reformierten ('pures Fürstenwerk'), want hij wilde de "gottliche Bau" van de evangelisch lutherse Kerk niet "zerstÖren"14. Zijns inziens werd door de verderfelijke rationalistische hervormde avondmaals-opvatting de zegen van het sacrament onmogelijk gemaakt. Hij was fel gekant tegen het absolutisme en sloot zich aan bij de revolutie van 1 848. Hij stond bekend om zijn stekelige polemiek. Een belangrijke figuur was Hermann Hupfeld (1796-1866), Oud-Testamenticus en uitstekend Hebraïcus. Hij was eerst in Marburg hoogleraar geweest en kwam in 1845 naar Halle. Hij stamde uit de Erweckungs-bewegung en verbond de opwekkingstheologie met de historische-kritische methode in de bestudering van de Heilige Schrift. Hij is bekend vanwege de opvatting van de bronnensplitsing in de Pentateuch. Hij was ook actief in de politiek. Met hem kreeg Wichelhaus voor zijn dis-seratie vooral te maken.

Een onbetekenende figuur was Christian Friedrich Fritzsche (1776-1850) sinds 1827 in Halle, supranatu-ralist. Ook was er als hoogleraar Thilo, dekaan van de faculteit, die tevens Kon sistoriaairat was.

Promotie

Het was voor Wichelhaus dus wel even wennen daar in Halle. Zijn eerst werkstuk werd door Hupfeld afgewezen. Het is niet wetenschappelijk genoeg en Hupfeld is het met de methode van exegetiseren van Wichelhaus niet eens. Men geeft hem een ander, filologisch-kritisch onderwerp over de hebreeuwse Jerem ia-tekst, waaraan de vertaling in de Septuaginta getoetst moet worden. Hij krijgt van te voren al te verstaan, dat een gelukkige afloop van het wettelijk examen nauwelijks te verwachten kan zijn. "Ik ben blij", schrijft Kohlbrugge aan Wichelhaus, "dat je je hoofd rechtop houdt en je bij dat alles de moed niet verliest. Dat is toch over het geheel genomen waar, dat bij die mensen geen dorst naar gerechtigheid is, dat het hun niet om Gods wet gaat, niet daarom dat God geëerd wordt en gediend naar Zijn wil. Ze maken een ambacht van hun werk, ofschoon zij weten dat zij zich op een onjuiste weg bevinden en onrein zijn. Hun vriendelijke manier van vragen: Maar wat gelooft U dan?, hun geduld en beleefdheid hebben slechts ten doel uit de eenvoudige woorden der waarheid het een en ander bijeen te garen om zich zelf daarmee te handhaven en omdat ze dat niet klaar kunnen spelen, wreken ze zich op de onschuld en veroordelen deze ten slotte na lang gety-ranniseer."15

Wichelhaus schreef in 9 maanden een studie over het opgegeven onderwerp: De jeremeriae versionts grae-cae Atexandnnoe sndole otque auctoritote, waarvan men dacht dat hij dit niet aan zou kunnen en dat het voor hem te moeilijk zou zijn. Men kon het niet afwijzen. Bij het examen16 was de eerste vraag van Tho luck: "welk boek van Hegel hebt U gelezen?" Antwoord: "geen enkel." Wat bij het gedweep met Hegel geen goede indruk maakte. Men stond verbaasd over zijn kennis, zijn talenkennis en zijn kennis van de kerk- en dogmengeschiedenis.

Referaat gehouden op de conferentie van 10 april 1999 in de Thomaskerk te Zeist

Noten

1. Briefe von dr. H.F. Kohlbrügge...an Johannes Wichelhaus...heraus-geg. J.J. Langen (Elberfeld 1911), 131.

2. Joh. Wichelhaus, Die Lehre der heiligen Schrift.... nebst Mitfeilungen aus seinem Leben herausgeb. A. Zahn, 3e Aufl. (Stuttgarf 1892), 41.

3. Joh. Wïchelhaus, Die Lehre der heiligen Schrift, 34.

4. J.C.S. Locher, Kohlbrugge en de Afscheiding (Amsterdam 1934), 21.

5. Briefe von dr. H.F, Kohlbrugge, 53.

6. Joh. Wichelhaus, Die Lehre der heiligen Schrift, 13.

7. Joh. Wichelhaus, Die Lehre der heiligen Schrift, 15.

8. G.F.A. Strauss was gehuwd mef Johanna von der Heydt, een jonger zuster van Wichelhaus7 moeder.

9. Briefe von dr. Hl.Kohlbrugge, 30.

10. Houd je het met Christus of met Wegschneider? Is er tenslotte nog een Woord van God of niet?

1 1. Bezorg het alledaagse rationalisme in Halle een ondergang.

1 2. Hartstocht tot de Here God.

1 3. Briefe von dr. H.F. Kohlbrugge, 36.

14. Zuiver werk van vorsten ... goddelijke bouw ... verwoesten.

15. Briefe von dr. H.F. Kohlbrugge, 35.

16. 1 7 oktober 1 846.