Terug naar Ecclesianet.nl

Bijbels-theologische bezinning op Europa (II)

Dr. H. KLINK, Hoornaar

Nederlands geestesmerk

Huizinga maakt in zijn boek Nederlands Geestesmerk duidelijk door welke eigenschappen het Nederlandse volksleven in vroeger dagen werd gekarakteriseerd. De Nederlanden werden gekenmerkt door een sterk stedelijke cultuur, ze vormden een land waarin de burgerij de toon aan gaf. Dat had zelfs gevolg voor de kerkinrichting en de kerkdiensten. Deze waren niet priesterlijk van aard. Ze vonden plaats in de volkstaal, temidden van het volk, met een kerkenraad, die de predikant omringde en die gekozen was uit het -volk. Andere kenmerken, die hij noemt, zijn de relatieve properheid, de handelsgeest en de vergelijkenderwijs grote mate van tolerantie. Mede dankzij deze karakteristieke eigenschappen kwam ons land in veel opzichten tot grote bloei.

Zoals gezegd was de minderheid overtuigd protestants of calvinistisch. Is het ooit anders geweest? Maar deze minderheid oefende grote invloed uit. Het calvinisme stempelde de cultuur in hoge mate. De kerk nam een belangrijke plaats in in het geheel van het dagelijkse leven. Tegelijkertijd werden aanspraken van de kerk gematigd door het stedelijke patriciaat.

In staatsrechtelijk en bestuurlijk opzicht waren de Nederlanden op een merkwaardige manier aan elkaar verbonden. Mensen van buiten de Republiek verbaasden zich er ten zeerste over. Het kenmerkende ervan was dat de natie een eenheid vormde door middel van het stadhouderschap, door de Raad van State en de Staten Generaal, terwijl de verschillende provincies autonoom bleven. Dit werd gezien als een novum. Het was het niet. Dr. W. Aalders wijst in zijn boek De overlevingskansen van een protestantse natie op parallellen met het oude Romeinse principiaat. Het blijft merkwaardig dat de Nederlandse staatsinrichting, ondanks de vele nadelen - bijvoorbeeld de ruggespraak die de afgevaardigden van de provincies naar de Staten Generaal moesten houden - toch zoveel goeds voortbracht: economisch ging het de Nederlanden goed, en in sociaal opzicht deden zich betrekkelijk weinig misstanden voor. Nauwelijks was ergens een grotere vrijheid te vinden dan hier- temidden van het door het calvinisme gestempelde stedelijke leven.

Tegelijkertijd vormden de Nederlanden een natie waar men in het geheel van de Europese politiek ernstig rekening mee hield. Voor zowel Willem van Oranje als Willem III geldt dat ze op het Europese toneel in verschillende opzichten een beslissende rol gespeeld hebben.

In revolutionair vaarwater

De geschiedenis van Nederland was niet los te denken van Europa. Europa vormt vanouds een christelijke en een culturele eenheid, waarbinnen de volkeren op elkaar betrokken en aangewezen zijn. Een zegenrijk volksleven kon van invloed zijn op omliggende volkeren.

Maar ook het omgekeerde is het geval: waar ongeloof en revolutie in een bepaald land de overhand krijgen, kan deze brand als een veenbrand uitslaan naar andere streken. Iets soortgelijks deed zich voor op het eind van de achttiende eeuw, ten tijde van de Franse Revolutie. Ik kan daar niet lang op ingaan. Maar zeker is, dat van meet af aan duidelijk was dat de gevolgen van deze omwenteling zich voelbaar zouden maken voor heel Europa. Niemand die dat zo goed gezien heeft als de Engelse staatsman Edmund Burke (1729-1797).

Burke stelde dat de Franse Revolutie, zoals eens de Reformatie, van beslissende invloed zou zijn op het hele leven in Europa. Maar: een onmetelijk verschil was dat de Franse Revolutie de volkeren niet entte op Israël, waardoor Gods zegen zich zou kunnen uitspreiden over de volkeren. Integendeel. Om bij de gebezigde beeldspraak te blijven: De Franse Revolutie

entte de volkeren op de boom van de vrijheid en doopte hen in naam van de rede. Het misgewas wat toen opgroeide, had verwoestende gevolgen. De Tien Geboden, als uitdrukking van Gods wil, waaraan men tot dus ver in het algemeen gehoorzaam wenste te zijn, maakten plaats voor de religie van de ideologie die zich dwingend meester maakte van onze samenleving. Wat wij onder ideologie moeten verstaan, bracht Burke onder woorden toen hij zei: "zij (de revolutionairen) kiezen voor hun verbeelding inplaats van voor ervaring." Vanuit de fantasie moest aan de werkelijkheid vorm gegeven worden. Het fnuikende was dat de fantasie van de ideologie losgeraakt was van elke verwonding in het goddelijke recht.

Deze omslag, die tot doorbraak kwam in de Franse Revolutie en die de Franse schrijver Paul Hazard, La crise de la conscience Européenne (de crisis van het Europese geweten) noemde, heeft buitengewoon veel gevolgen gehad voor Europa. Ook voor Nederland. Het staatsbestel werd veranderd. Ontworteling vond plaats! Alom wilde men de staat bouwen op de menselijke rede, los van de openbaring van God. T.S. Elliot heeft eens onder woorden gebracht dat een dergelijke poging tot mislukken gedoemd is (T.S. Elliot, "Choruses from The Rock'").

"Do you need ïo be told that even such modest attainmënts
As you can boast in the way ofpolite society
Will hardly survive thefaith to which they owe their significance ? "

(Moet het u echt nog verteld worden dat zelfs zulke bescheiden resultaten, waarop u zich kunt beroemen, als het gaat over de beschaafde samenleving Nauwelijks in staat zijn om het geloof waar ze hun betekenis aan ontlenen, te overleven)

Nederland en Israël

Ik zei: Nederland staat niet los van Europa. De geschiedenis bewijst het. Dr. W. Aalders stelt op de eerste pagina's van zijn genoemde boek over Europa: "Zoals storingen en hogedrukgebieden niet stilstaan voor de grenzen van ons land, zo is dat ook met ontwikkelingen die zich in Europa voordoen." Dat Nederland als klein land zich niet aan ontwikkelingen elders kan onttrekken is duidelijk. Inzake de economie, de veiligheid, bestrijding van de misdaad, de vluchtelingenproblematiek etc. moet het beleid in verregaande mate afgestemd worden op dat van de buurlanden.

Na de verschrikkingen van de Eerste en Tweede Wereldoorlog kwam de Europese integratie op gang, mede om een herhaling van de catastrofes van de beide wereldoorlogen in de toekomst te voorkomen. De vraag doet zich nu voor hoe men als christen tegenover deze ontwikkeling moet staan. Deze vraag stellen we ons ook vanmiddag in het licht van de Bijbel.

Vooraf moet dan gezegd worden dat Europa in veel opzichten van vroege dagen af reeds één geheel vormt. Dat heeft alles te maken met Europa's gemeenschappelijke verleden en de verstrengeling van de geestelijke en materiële belangen van de verschillende landen. Burke, die ik zojuist citeerde, heeft dit heel goed ingezien. Als eerste pleitte hij voor een weloverwogen internationaal ingrijpen in Frankrijk om de geest van de Revolutie een halt toe te roepen.

De vraag die zich aan ons opdringt, is hoe we, in dit licht bezien, om dienen te gaan met onze eigen, nationale en protestantse identiteit? Deze vraag dringt des te meer omdat het gevaar dreigt dat het-Europa van de toekomst een seculier Europa dreigt te worden, waarin de christelijke identiteit verre van gewaarborgd is. Kan men zich, waar dergelijke ontwikkelingen zich voordoen, daaraan onttrekken? En als dat al mogelijk is: moet men dit willen? Zo niet, hoe zullen we dan vanuit christelijk perspectief de Europese integratie moeten zien?

De filosoof Friedrich Hegel heeft eens over de geschiedenis gesproken als over "der grotëe Jaggernauth". Het is maar beter dat dier goed in de gaten te houden, want als men dat niet doet, wordt men eronder vermorzeld. Hij bedoelde: de geschiede-nismachten laten zich niet zomaar in hun loop stuiten. Zo is het ook met de eenwording van Europa. Het lijkt onmiskenbaar de kant op te gaan van Europese integratie. Hoe daar tegenover te staan? Kunnen we daar wat op zeggen in Bijbels licht? Dat is mogelijk. Ik sprak over het geënt worden in Israël en over het exemplarische en paradigmatisch karakter van Israëls geschiedenis. Een belangwekkende kwestie is of Israël dergelijke vragen rondom het eigen volk in zijn relatie tot andere volkeren ook kende. Het antwoord moet bevestigend luiden. Israël was maar al te vertrouwd met het feit dat men een klein volk was, een roemrucht en gezegend verleden had, terwijl men desondanks op dreigde te gaan in grotere (wereld)mach-ten!

Welke houding nam men in dergelijke situaties aan? Om daarop een antwoord te formuleren, verwijs ik naar die periode in Israëls geschiedenis waarin het volk zijn houding moest bepalen tegenover de overheersende Grieks-Romeinse cultuur. Twee houdingen deden zich voor. Aan de ene kant stonden de saddu-ceeën. De sadduceeën hadden diepe eerbied voor de Griekse cultuur en werden er sterk door beïnvloed. Zij verloochenden veel traditioneel geloofsgoed. Daartegenover stonden de farizeeën. Van hen geldt het tegenovergestelde. Alleen de naam bewijst het al: farizeeër betekent: "afgezonderde". Zij zetten zich tegen de ontwikkelingen af en trokken zich terug op hun eigen volks- en landsbelang. U weet wat de gevolgen waren van hun exclusiviteit. Tegenover beide groepering staan nu figuren die zich gedroegen als Daniël. Hij bevond zich enkele eeuwen voordien in dienst van de koning van Babel en van de koning van de Perzen. Hij diende hen trouw, maar - als vrome en wetsgetrouwe Israëliet - met het oog op Jeruzalem. Figuren als Daniël zochten het goede van de voor hen zelfs vreemde overheersers en tegelijkertijd hielden zij vast aan het eigene van Israëls wetten en aanbaden zij uitsluitend de God van Israël. Zij stelden hun krachten in dienst van de vreemde koningen. Maar er was een grens. Die werd bereikt op het moment dat hun geloof en hun eigenheid als Israëliet in gevaar kwamen. Dan wisten zij van geen wijken.

Een dergelijke houding kenmerkte menige jood in de diaspora. Een schoolvoorbeeld is de jood Philo, die op een bepaald moment de verdiensten van keizer Augustus ten zeerste prees, maar die tegelijk aangaf dat een jood in de synagogen en in de tempel nooit aan keizerverering zou doen. Een tweede voorbeeld voor een dergelijke houding vinden wij bij de vertalers die bijdroegen aan de totstandkoming van de Septuaginta. Zij namen kennis van de grote beweging van het hel-lenisme, die de toenmalige wereld tot een grote oecumene smeedde. Zij hielden daarbij vast aan hun eigenheid en brachten die als zoutend zout in de toenmalige wereld in, overtuigd als zij waren van de betekenis van hetgeen hun door God geschonken was. En hoe vruchtbaar is hun houding niet geweest!

Hetzelfde geldt in nog groter mate voor de christenen. Zij kenmerkten zich door een grote mate van openheid - als vrucht van het geloof in het Evangelie. De volkeren kwamen bij de christenen van meet af aan in het vizier. Een goed voorbeeld hiervoor is de apostel Paulus. Paulus had zijn eigen volk lief als geen ander. Maar er was iets wat boven de liefde tot zijn volk uitging: zijn liefde tot het Evangelie, dat niet alleen voor de Jood, maar voor alle volkeren bestemd was. De ontmoeting met Christus had een eind gemaakt aan zijn farizeïsch exclusivisme. En toch ontwortelde hij niet. Hij was er diep van overtuigd dat het meest wezenlijke dat God aan Israël had geschonken -de Tien Geboden, als uitdrukking van Gods wil, op grond waarvan God de gewetens van de mensen aanspreekt - zijn blijvende betekenis had voor alle volkeren en alle tijden.

In een soortgelijke zin hebben wij mijns inziens onze houding ten opzichte van de Europese integratie te bepalen. Op die manier is het goed en zelfs nodig, terwille van Europa, om onze eigen karakteristiek als Nederlands volk, met onze eigen geschiedenis, wellicht met de ervaringen van ons oude staatsbestel, mee te nemen en waar dat van pas komt, in te brengen. De houding die we juist ook als christenen in zullen kunnen nemen, is die van wat de Fransman zou noemen disponibilité; beschikbaarheid. Dit dienen we te doen vanuit de verworteling in het Oude en Nieuwe Testament, in de Tien Geboden en in onze eigen geschiedenis.

Christus het licht der volkeren

Aan deze beschouwing kunnen we nog één wezenlijk element toevoegen.

Daniël leefde aan de hoven van de koning van Babel en van Perzië, Philo's leven speelde zich af in Alexandrië. In hun houding van "beschikbaar-zijn" konden zij in veel mindere mate teruggrijpen op een gemeenschappelijk verleden met de grote wereldmachten dan wij dat kunnen in Europa. Vanouds is Europa immers een werelddeel dat gestempeld is door het christelijk geloof. Een werelddeel waar wij uit de aard der zaak verantwoordelijkheid voor hebben. Dat was zo. Ik wees u op twee Oranje-vorsten, stadhouder Willem I en stadhouder Willem III. Dat is nog zo. Waar het in de vragen waar de wereld voor staat en waar ook Europa voor staat, om gaat, is immers hetgeen ik omschreven vond bij Jean Guitton, een Franse christendenker. Hij schrijft ergens: "Wij beleven een soort hergroepering van volkeren, een soort poging om tot een eenheid te komen. Maar rondom welk principe, rondom welk centrum en vanuit welke bron, komt deze tot stand? Is er een ZIJN, een IDEE, een BESTAAN, dat in onze dagen werkelijk in staat is om de mensen toe te staan om tot een eenheid te komen, om voort te gaan, om de schade die ze opgelopen hebben te herstellen? Het lijkt me toe dat de- geschiedenis van Jezus, en deze verlicht door de tijdperken die erop gevolgd zijn, de twintig eeuwen die daarna geweest zijn, ons in staat stellen om op deze vraag te beantwoorden. Want wij hebben om zo te zeggen, alle ervaringen opgedaan, wij zijn door alle revoluties en ontkenningen heengegaan: en er is geen andere Naam, die genoemd kan worden, die aan de mens van de 20e eeuw hoop en vreugde kan geven" (Jean Guitton, sus, Parijs 1956, blz. 347).

Zou het dan de opdracht van een christenpoliticus niet zijn om vanuit de verworteling in het protestantse staatsrecht dit heil voor alle volkeren te zoeken?

Tot slot: het lijkt me dat zulk een omgaan met het verleden van het eigen volk het tegendeel is van nationalisme. Christelijke vaderlandsliefde is immers geënt op Christus. Hij was geworteld in het verleden van Israël. Hij had oog voor de grote gebreken van het volk en spaarde Zijn volk niet. Tegelijkertijd had Hij medelijden met Jeruzalem en riep de stad op tot erkenning van Zijn messiasschap, dat daarin bestond dat Hij het Licht der volkeren wilde zijn. Aan Christus weten wij ons in de eerste plaats gebonden. Vanuit die verbondenheid erkennen wij in dankbaarheid de zegen die Hij ook ons volk, vanuit het geloof, heeft gegeven.