Terug naar Ecclesianet.nl

Getuigen van Christus in de nazi-tijd - Kaj Munk (Slot)

Dr. H. Klink, Hoornaar

In onze vorige bijdrage gaven we heel wat voorbeelden waaruit bleek hoe Kaj Munk onomwonden en in het openbaar zijn diepe afschuw uitsprak over hetgeen door de nazi's werd gedaan. Veel meer dan te berde gebracht is, zou genoemd kunnen worden. Bijvoorbeeld zijn openlijke tegenstand tegen wat de Joden werd aangedaan.

Wat moet het ds. Munk goed gedaan hebben, toen in augustus 1943 het latente verzet in Denemarken, dat allengs sterker werd, in een "volksrevolutie" omsloeg. Deze "revolutie" maakte een einde aan de dubbelzinnige positie van Denemarken. De Duitsers stuurden de regering naar huis en namen zoals in de andere bezette landen, het bewind rechtstreeks in handen. De zondag erna begon Kaj Munk zijn preek met de opmerking "Vandaag is het voor Denemarken een dag van trots. (...) Nu herademen wij, nu zeggen wij tegen elkaar: Gelukgewenst landgenoten. Nu is onze positie ineens duidelijk."

Een bewust aanvaard risico

Tegen deze achtergrond verwondert het ons niet dat ds. Munk al snel in de gaten liep bij de Duitse bezetter. Hijzelf heeft zijn ogen daar niet voor gesloten. Hij was zich zeer wel bewust van het grote risico dat hij door zijn optreden liep..

Menigeen heeft geprobeerd om hem in de oorlogsjaren een gematigder houding aan te laten nemen. Tevergeefs. Hoe kon hij toornen, wanneer men op grond van het Evangeliewoord hem erop wees, dat men, als men geslagen wordt op de ene wang, de vijand ook de,andere wang moest toekeren: "Ze houden zich buiten, de politiek. Zij prediken vrede tot elke prijs, tot stibhting en vermaak van de duivel, die niets liever heeft dan dat het boze zich in 'vrede' kan uitbreiden. Er staat niet geschreven, dat het, als uw naaste een klap op zijn ene wang krijgt, het uw plicht is, hem vast te helpen houden, zodat hij ook op zijn andere wang nog een klap kan krijgen." "Bouwt niet op dominees", houdt hij zijn gehoor vervolgens voor, "zolang ze niet wakker worden en zich eindelijk eens herinneren, dat zij de dienaren zijn van het hele Evangelie en van de Vredevorst, die niet kwam., om vrede te brengen, maar het zwaard ..."

De laatste preek

Zoals gezegd: Munks leven liep op den duur steeds groter gevaar. In de preek op nieuwjaarsdag 1944 staat Kaj Munk naast de kerstboom, onder de preekstoel. In plaats van een toga droeg hij een overjas en een rode shawl. Aan het begin van de preek legde hij een verklaring af voor zijn toch wel zonderling gedrag: "... toen ik gisteren voor Gods aangezicht deze dienst voorbereidde, heb ik gevoeld, dat het mij onmogelijk zou zijn, vandaag op de preekstoel of voor het altaar te gaan staan..."

Wat hij de gemeente toen moest vertellen, moet hem door het hart gesneden zijn. Hem was gebleken dat sommige van zijn gemeenteleden, zonder daartoe verplicht te zijn, in Duitse dienst getreden waren.

Kaj Munk voelde zich verplicht om als dienaar van het Woord deze zonde in het midden van de gemeente aan de kaak te stellen: "Het woord van God staat geen beperkingen toe. Het heeft betrekking op ons hele leven en op alle omstandigheden." Onomwonden laat hij erop volgen: "Denemarken is in oorlog met Duitsland." Tot de dag van de volksrevolutie op 29 augustus 1943 was de situatie onhelder gebleven. Vanaf toen baseerden de Duitsers hun optreden op principes die alleen maar gelden tussen oorlogvoerende staten. "Wanneer thans een Deen vrijwillig hulp verleent aan

de Duitsers, maakt hij zich schuldig aan verraad."

Indrukwekkend moet in de kerk van Vedersö geklonken hebben wat Munk daarna zei: "Ik sta hier niet, om haat te verkondigen. Ik kan dat doodeenvoudig niet. Ik haat zelfs Adolf Hitler niet. Ik weet, in welk een staat van verschrikking en ellende de wereld is komen te verkeren. Ik weet welke smaad mijn eigen land heeft moeten ondergaan. Ik weet, dat ik mij nu al maanden geen enkele keer ter ruste heb begeven, zonder tegen mezelf te zeggen: 'Zullen ze je vannacht komen halen?' En dat is geen vrolijke gedachte voor iemand, die het leven liefheeft, die nog veel werk heeft te verrichten en die gelukkig is met vrouw en kinderen. En toch kan ik niet haten. Want de mensen zijn zo verschillend, bezeten door verschillende geest en de Verlosser heeft ons Ieren bidden: 'Vergeef het hun, want ze weten niet wat ze doen'."

Zeer scherp zegt hij echter later in de preek, dat hij moet stellen dat er gemeenteleden zijn, die "hun Deense christenplicht" verzaken. In veel opzichten moet men een oogje dicht doen, als het gebreken en zonden van de naaste betreft. "Maar wanneer Deense mannen, zonder dat de nood hen dwingt en uit eigen vrije wil en keuze hun vaderland en hun Christendom verraden uit vuil winstbejag, moet hun door de kerk worden gezegd, dat de rijkdom, die zij aldus verkrijgen, gelijk is aan de zilverlingen van Judas en dat die rijkdom hun verderf zal zijn."

Juist op deze dag was het twintig jaar geleden dat Kaj Munk voor het eerst op de preekstoel van Vedersö stond. Nu, twintig jaar na dato, stond hij naast de kansel, om er niet weer op te komen. Drie dagen later werd hij door de bezetter uit zijn huis gehaald en doodgeschoten. Kaj Munk die een dergelijke gang van zaken alleen nog maar vrezen kon, eindigt zijn laatste preek met de woorden: "Ik had niet gedacht, dat ik dit jubileum op deze manier zou vieren. Twintig jaar -wat een herinneringen komen er bij me op. Ik ben u veel dank verschuldigd voor uw trouw jegens mij en dat gij zoveel van mij verdragen hebt, die toch eigenlijk met mijn eigenaardigheden zo heel anders ben dan gij allen hier. Wat er deze laatste dagen is geschied, is daarom voor mij des te smartelijker. Ik ken de namen niet en ik zal ook geen moeite doen, ze te weten te komen. Ik kan slechts bidden, dat het geweten van deze kinderen der gemeente wakker mag worden en dat zij tot inkeer komen en opnieuw hun plaats als goede Denen en goede christenen onder ons mogen innemen. Amen."

Kaj Munks levenseinde

Drie dagen later, het was de vierde januari 1944, werd Kaj Munk uit de pastorie gehaald en vermoord. Overal in en rondom Vedersö lag sneeuw. Het was stralend weer. Na met zijn kinderen uit geweest te zijn, en zijn geliefde sport van de jacht te hebben beoefend, kwam hij vermoeid thuis. Gewoontegetrouw luisterde hij naar de Engelse radio. Een vreemde onrust merkten de anderen aan hem: het was of hij ergens op wachtte. De familie Munk kreeg een verdacht telefoontje. Even later rende plotseling het dienstmeisje binnen: "De Duitsers", riep ze. Vijf Duitsers waren er aangekomen. Ze posteerden zich op verschillende plaatsen. Ze beduidden Munk hen te volgen. Het werd hem toegestaan om wat nachtgoed en dergelijke mee te nemen. Munk fluisterde zijn vrouw nog in het oor dat ze, zodra hij weg was, de Deense politie moest bellen. Hij wist dat zijn leven gevaar liep. Toen alles klaar was, nam hij afscheid van zijn vrouw. Rustig. Drie woorden sprak hij: - "Stol paa Gud", vertrouw op God. De kinderen waren ten einde raad. Eén van hen herhaalde steeds maar weer: Drie - tegen - één, drie - tegen - één. Haar vader had haar geleerd dat dat altijd gemeen was.

Ze hoopten op zijn terugkomst. Tevergeefs. De Duitsers vertelden Munk dat hij de nacht in het hoofdkwartier van de Gestapo moest doorbrengen. Maar tegen middernacht waren zij bij Hörbylunde, tien kilometer ten westen van Silkeborg. Daar stapten ze uit en schoten hem neer. Kort na middernacht maakte de Duitse radio er melding van "dat over de Deense schrijver het vonnis was voltrokken." Toen ds. Munk enkele dagen later begraven werd, werd de vlag van de pastorie, die hij na de 9e april 1940 nooit meer had uitgestoken op zijn kist gelegd. Zestien maanden later werd ze, zo merkt Winkler op, weer uit het donker genomen om op de dag van de bevrijding nog één keer te worden gehesen: "De Deense vlag. Rood. Met op dat rood het witte Christus-kruis".

Toen tijdens de begrafenis-plechtigheid de kist de kerk werd ingedragen, snikten allen ... De begrafenis was nergens aangekondigd. Toch waren er duizenden uit heel het bezette land gekomen. In regen en wind wachtten zij buiten de kerk van Vedersö. Meer dan ooit begreep men hoeveel deze man voor het volk van Denemarken en voor de kerk, dankzij het christelijk geloof, betekend had. Aan de voet van de kerk werd hij begraven. Het was op de plaats die hij ooit zelf had aangewezen. Hier was hij altijd thuis geweest en hier kwam hij nu weer thuis - nu voorgoed. Als een trouwe dienstknecht en moedige belijder. In de vreugde zijns Heren!