Terug naar Ecclesianet.nl

Getuigen van Christus in de nazi-tijd - Kaj Munk (IV)

Dr. H. KLINK, Hoornaar

Een woord op nieuwjaarsmorgen

"De eerste januari is geen kerkelijke feestdag, geen heilige dag. Men zou het een wereldse heilige dag kunnen noemen. Onze gedachten gaan dan hier in de kerk uit naar de wereld, naar ons vaderland. Vandaag begint er een nieuw jaar voor Denemarken. Hoe was het oudejaar en hoe zal het nieuwe jaar zijn? Wat was er in het oude jaar de moeite waard om er Christus voor te danken, vragen wij hier in de kerk, en wat zal Hij in het nieuwe jaar van ons eisen?

Vele christenen zullen zeggen: wij danken God, dat wij in het afgelopen jaar buiten de oorlog zijn gebleven. Ook ik houd van mijn land, mijn dorp, mijn huis, mijn gezondheid, mijn vrouw, mijn kinderen. Ook ik zou dodelijk wanhopig zijn als ik mijn huis in puin zou zien schieten en als ik mijn kinderen zich ergens met afgerukte ledematen tussen glassplinters en gruis zou zien rondwentelen. Dat zou het ergste van alles zijn.

En toch zijn er twee dingen, die nog erger zijn en die ik - God sta mij daarin bij - nog minder graag zou zien. Dat is, dat er verraad zou worden gepleegd aan de waarheid, en dat mijn land zijn eer zou prijsgeven. Ik kan niet meedoen met mensen, die God danken dat 'wij buiten de oorlog' gebleven zijn. Om te beginnen zijn wij niet buiten de oorlog gebleven. Ons land is

immers bezet. Wat dat allemaal nog voor ons mee kan brengen,- bloed en brand en bomaanvallen en invasie, dat weet geen mens. En in de tweede plaats kan men er God niet voor danken, dat wij toch zo'n handige koehandeltje hebben bedreven. God eiste strijd van ons. Wij luisterden niet naar Zijn gebod en wij verloochenden onze eigen woorden en besluiten. We mogen God er niet voor danken dat wij het met de duivel op een accoordje gooiden.

Is dat allemaal te sterk uitgedrukt? Neen, want wie God verloochent en verraadt, die stelt zich onder de bescherming van de duivel. Het leven dat wij op het ogenblik leiden, heeft niets met onze roeping en onze bestemming te maken. Denemarken leeft onder Gods toorn. En daarom hebben we het zo goed."

Deze scherpe woorden werden door ds. Kaj Munk uitgesproken ten gehore van zijn gemeente te Vedersö op nieuwjaarsdag 1941. Het was negen maanden nadat Denemarken zich 'vrijwillig' onder Duitse bescherming had geplaatst en zich zelfs aangesloten had bij het Anti-Kominternpact van de zogenaamde as-mogendheden, hetgeen betekende dat het land voor een oorlog en voor vernietiging bewaard bleef.

Christelijk verantwoordelijkheidsbesef

Voor Kaj Münk was deze houding ten enenmale onbegrijpelijk. Liever een regelrechte oorlog, ook al zou dat veel slachtoffers gekost hebben - en hoe reëel stelt hij zich dit voor - dan zijn geweten te verloochenen en zijn eer te verliezen! Want wie zich van God afkeert, stelt zich onder de hoede van de duivel en Gods toorn rust op hem. Ziedaar de boodschap waarmee hij zijn eerste preek in 1941, ten aanhoren van zijn gemeente, begon.

Als men niet beter wist, zou men te berde kunnen brengen dat het niet zo heel veel moed vergde om zulke woorden voor de eigen gemeente te sprelcen. Vedersö lag immers tamelijk geïsoleerd, ver weg van het centrum van Denemarken, de hoofdstad Kopenhagen. Waar we echter in de vorige bijdragen nauwelijks aandacht aan besteed hebben, is het feit dat Kaj Munk vanwege zijn kwaliteiten als schrijver, in 1941 een nationale figuur geworden was. Zijn toneelstukken werden met grote regelmaat in Kopenhagen op de planken gebracht. Bij het grote publiek vonden ze grote aftrek. Menig keer woonde Kaj Munk er een première bij. Ook voor andere gelegenheden bevond Kaj Munk zich met grote regelmaat in de hoofdstad. Aan zijn populariteit was onlosmakelijk verbonden dat hij in het oog liep en dat zijn standpunten, die hij nooit onder stoelen of banken schoof, bij vriend en vijand bekend werden.

Het christelijke geloof stelt voor de keus.

Als christen, als predikant en als bekende Deen wist Kaj Munk zich verantwoordelijk voor de koers die de regering van zijn land insloeg. Deze koers verbijsterde hem. Grote zorg vervulde hem over het signaal dat ervan naar het gewone volk uitging! De Deense volksziel, die eeuwen lang door het christelijk geloof gevormd was, liep gevaar zichzelf en het geloof in Christus te verloochenen! Munk zag echter als weinig anderen dat de situatie in Europa en Denemarken de christenen onomwonden voor een keuze stelde. Het

66

was, om met een geliefde uitdrukking van Kierke-gaard te spreken, 'of, of: of men koos in christelijke geest tegen het onrecht, of men collaboreerde met het kwaad. En wat Kaj Munk zijn hoorders en lezers wilde inprenten was dat men óók dan een keuze maakte, als men géén keuze wilde maken. Ja, dat was de verraderlijkste houding die men aan kon nemen. Het was een Pilatus-zonde: men waste de handen in onschuld, terwijl men iets had kunnen, ja had moeten doen!

Het dilemma waarvoor Hitler de christenen plaatste, had hij reeds in 1939 in een van zijn toneelstukken verwerkt. In het bewuste toneelstuk doet zich de volgende scène tussen een tiran (Hitler) en een professor (professor Mens) voor. Professor Mens komt de tiran een geschenk brengen - een mozaïek, met daarop de enige authentieke afbeelding van Jezus. Als professor Mens bij de tiran komt, ontvouwt deze zijn - overigens heel heldere - standpunt: "Voor mij is alleen het vaderland de waarheid. Staat een andere waarheid mij in de weg, dan sla ik die kapot." Professor Mens huldigt vervolgens de Führer, prijst het vaderland, maar schenkt hem het eeuwenoude portret, waarvan hij opeens beseft, dat dit niet heel kan blijven in de nabijheid van de Führer. Door angst en ontzetting aangegrepen werpt hij het de tiran voor de voeten, waarop hij verwijtend laat volgen: "Hetzelfde wat de ras-zuivere mannen eertijds schreeuwden, moeten wij nu ook - schreeuw dan mee, mijne heren! -: 'Kruisigt hem!'" Tartend gooit hij de mozaïek de Führer voor de voeten. Daarmee geeft hij aan dat Christus en de tiran eikaars tegenpolen zijn. Plotseling begreep de professor dat het aloude "of - of' ook in zijn tijd gesteld werd. Het dilemma luidde: verafgoding van de staat en het vaderland, of verering van de Christus.

In eenzelfde geest heeft Munk gesproken en geschreven in de maanden en jaren na 9 april 1940.

Niet ten onrecht stelt zijn biograaf Winkler dat Kaj Munk door de inval in 1940 opleefde. Heel juist merkt hij op: "De spanning tussen dichterschap en priesterschap wordt nu opgeheven; de dichter en de prediker, zij gaan beide op in de profeet. De op een na laatste periode van Munks leven begint, de profetische periode. De allerlaatste periode van dat leven begint met zijn dood: het martelaarschap."

Kaj Munks rede voor de studenten.

Het was dus niet alleen voor het eenvoudige gehoor in Vedersö dat Kaj Munk zijn stem liet horen. Hij deed het ook in zijn toneelstukken, èn vanachter de katheder. Als eerste van alle Denen sprak hij na de fatale 9e april in alle openheid over wat er feitelijk gebeurd was. Hij deed dit op 18 augustus 1940 tijdens een stu-dentenbij eenkomst te Gerlev.

De redevoering is de langste die Munk ooit gehouden heeft. Ten gehore van tientallen studenten die in de komende jaren verantwoordelijke posities in Denemarken zouden innemen, zag hij zijn kans om openlijk te getuigen van de Waarheid. De manier waarop hij de redevoering hield, had iets extatisch. Het is de moeite waard Kaj Munks getuigenis op de voet te volgen.

Ds. Munk releveert voor de studenten dat het een geluk is dat Denemarken een klein land is. Deze opvatting stond haaks op wat hij in vroeger dagen had beweerd. Nu echter ziet hij het als een groot voordeel dat zijn land relatief weinig voorstelt temidden van de grote mogendheden: de verleiding van de macht, doet zich op veel geringer schaal voor dan in Duitsland en andere wereldmachten.

De Duitse geschiedenis zelf is een voorbeeld van de verzoeking die in macht gelegen is: "Wat heeft Duitsland ons niet geschonken, toen ... Duitsland, nog niet bestond" - Kaj Munk bedoelt de tijd waarin Duitsland nog geen politieke eenheid vormde, maar bestond uit vele zelfstandige vorstendommen. Hij wijst dan op Luther, Kant, Goethe, Beethoven. "Onsterfelijke gedichten werden in die kleine Duitse staatjes geboren, ze fladderden omlaag en haalden de eeuwigheid naar de aarde omlaag!" Tegenover die zegen, staat de vloek van 1940: "Wij weten allemaal, wat er in het Groot-Duitse Rijk omhoogfladdert en dood zaait over de aarde."

Denemarken is daarentegen een klein land. Maar ook een klein land kan groot zijn. Denemarken is en was dat in haar edelste vertegenwoordig(st)ers, zoals koningin Margarethe (1375-1412), Grundtvig, Sören Kierkegaard, Andersen en velen meer. De predikant vervolgt "En weer herhalen wij: als Denen is het ons geluk, ons grote, zware geluk, dat wij een klein volk zijn." Dit geluk typeert hij met opzet als een "zwaar geluk", omdat het "zwaar is zich te moeten buigen onder het juk van onrecht." "Maar", zo vervolgt hij, "ons land zal blijven leven." De strijd voor de ware, christelijke, vrijheid is niet hopeloos. Wèl is zeker dat aardse grootheid een hoogst onzekere grootheid is", aldus ds. Munk.

Niet dat Kaj Munk de studenten opriep om zich hals over de kop in het verzet te storten: "Het is soms positiever passief te zijn dan te handelen. Die avond, toen doorgewinterde kameraden u wilden meenemen,

hebt ge neen gezegd. Toen waart ge positiever door thuis te blijven dan door mee te gaan. Dit alleen is al voldoende om aan ons leven zin en betekenis te geven: thuis te blijven zitten, wanneer de anderen ontucht gaan plegen. Want de waarheid is, dat de krachten die thans zo gevaarlijk zijn, en die wij in de allereerste plaats moeten zien néér te slaan, niet van buiten komen: het moeten niet de Duitsers zijn, maar de slappe Denen die niet rustig en gezond meer kunnen denken, het is alles wat er ziek en verwekelijkt is in ons zelf en in onze landgenoten. We moeten eerst tegen onszelf ten strijde trekken. Tegen alles in ons dat het wel op een accoordje zou willen gooien, dat de zaak nog eens wil overwegen, dat ingaat op het grote Misschien: misschien is Duitslands overwinning van eeuwige duur, misschien is de tijd wel rijp voor een Paneuropa, misschien heeft ons land alleen toekomst in vriendschap met Duitsland (...)

Ik antwoord: dat is allemaal best mogelijk: maar daar hebben we nu niets mee te maken. Denemarken kan Duitsland alleen maar gehoorzamen, zoals een onderworpene zijn bezetter gehoorzaamt. Denemarken kan handelsbesprekingen met Duitsland beginnen, omdat dat gaat over uiterlijke zaken, die onze ziel niet raken. Maar een vriendschappelijke verhouding met Duitsland is niet mogelijk, zolang de laatste Duitse uniform niet uit ons land is verdwenen. De heer Hitler dient te begrijpen, maar dat kan hij niet - maar elke vrijgeboren man zal het begrijpen, dat ons land in zijn duizendjarige historie nog nooit zo zeer is gekrenkt als op de 9e april van dit jaar!"

Kernachtig schetst Kaj Munk op het eind van zijn lezing de situatie in Denemarken: "De macht heeft Hitler in zijn macht gekregen. (...) En dan is dit de zware nood, waarin wij verkeren: de democratie is verouderd en verrot, de dictatuur is voor geest en denken der Denen onbruikbaar. Het oude is voorbijgegaan, en zie, er is niets nieuws voor in de plaats gekomen.

Mijne toehoorders, parlementarisme, nazisme, communisme - als alle -ismes niet meer helpen, zijn wij dan verloren? Is er dan absoluut geen -isme dat de wereld zal kunnen redden? Is er dan geen verlossing? Ik herinner mij uit mijn jeugd, dat het woord verlossing in verband werd gebracht met een persoon. Ik herinner mij de geschiedenis, waarin de wereldse macht zich eens tot een misdadiger wendde, in elk geval tot iemand die van misdaad was beschuldigd en aangeklaagd, en dat zij hem de altijd brandende vraag stelde: wat is waarheid? en Hij aan wie die vraag werd gesteld, antwoordde niet met een -isme, maar hij wees op Zichzelf. De waarheid was een persoon."

Ds. Munk wees er vervolgens op dat de wereld waarvan men afscheid nam, een wereld was die gegrond was niet op de waarheid maar op schijn en leugen. "Men noemde zich wel christelijk, maar men overtrad op alle mogelijke manieren de Tien Geboden: naast God geen andere goden dienen, Zijn Naam niet ijdel gebruiken, de sabbathdag heiligen, vader en moeder eren, zich verre houden van moord en echtbreuk en diefstal en leugen, niet begeren. (...) Zoals een werelddeel zaait, zo zal het ook oogsten. Het loon van ons optreden tegenover de wereld is onze hoge

levensstandaard en de techniek en dan de zondvloed, die deze keer van bloed is - veertig dagen regende het en we zijn nu nog maar in de eerste week."

Een ontroerend slot

We kunnen ons indenken dat de studenten ademloos luisterden naar het o zo moedige getuigenis van Kaj Munk - want deze rede was een getuigenis en dat aan het begin van de oorlogstijd. Voor wij iets van het slot van de redevoering doorgeven kan het geen kwaad om voor ogen te hebben welk een indruk de predikant maakte en hoe hij zijn rede afsloot: De verslaggever van de krant Nationaltidende eindigde zijn verslag als volgt: "Nu staat daar Munk een ogenblik zwijgend, bleek en verdiept in zijn gedachten. Dan zegt hij tot de studenten met hem tot God voor hun vaderland te bidden. Een minuut stilte volgt op dat gebed. Daarop zet Kaj Munk het Noorse volkslied in." En de studenten zongen met hem het volkslied van het bezette broedervolk. Welnu, in het slot van zijn rede sprak ds. Munk de woorden: "Op het ogenblik verkeren de mensen wéér in het oerwoudstadium en gehoorzamen zij aan de wetten van de jungle; misschien is de tijd rijp, om ze opnieuw op te heffen met behulp van de Tien Gebodep, behalve dat nu niet Mozes, maar Jezus ons die zal moeten geven. Ge zult -geen andere goden hebben - dat' is zo, het is al genoeg om er één te hebben - om die te vrezen - lief te hebben - er zich op te verlaten. Daarom waren de martelaren zo sterk, Nero en de wilde dieren en hun doodsangst en hun hang naar het leven, dat betekende allemaal niets, vergeleken hiermee, dat zij Hem bezaten en dat zij van Hem waren."

Hij eindigde zijn betoog als volgt: "Studenten, ik heb langer tot u gesproken dan ik dat ooit in een vergadering heb gedaan. Ik kon niet anders. (...) Ik voelde mij gedrongen u te zeggen, dat wij veel hebben om voor te leven, grote dingen om voor te leven. Zullen we iets van die grote dingen tot stand brengen? Zullen we ook maar één stapje verder komen? De Heer over wie het samen hadden, geeft ons niet het recht om dat te vragen. Hij slaat u alleen maar op de schouder: Ik heb u hier in deze wijngaard aan het werk gezet, begin daar maar vast mee, de rest is niet uw zaak, maar de Mijne. En dan beginnen we ook maar, zelfs al schijnt het onkruid nog sneller te groeien dan wij het wieden en opruimen. Wij hier in deze afdeling hebben het speciaal druk, want wij hebben het voordeel dat wij tot een kleine afdeling van de kruidentuin horen: de Deense. Misschien is hier de een of ander, voor wie ik vanavond hierheen werd gestuurd, om juist hem of haar iets in de ziel te branden: tegen de democratie en tegen de dictaturen, voor Denemarken en voor het Noorden en voorwaarts naar de christelijke wereldorde.

Als de stam verrot is, goed, laat ons hem dan maar omhakken, en hoera, daar valt hij in een wolk van vergane schors en schimmel....

Er zal een Rijsje voortkomen uit de afgehouwen tronk van Isaï. Zijn we ook maar met weinigen, wat doet het er toe? Wij zijn Denen en we zullen dat blijven, nu slechts nog meer, vuriger, trouwer en geloviger, met dieper inzicht, met breder uitzicht - met Christus voor Denemarken, voor de wereld."

Zoals gezegd, Munk eindigde met een gebed: "Here, onze God, maak ons waardig, weer een vrij vaderland te bezitten - en schenk ons dat! Amen!"

Vanwege haar diep christelijke en moedige inhoud citeerden we omstandig uit de aangehaalde lezing. Wat moet de predikant een indruk gemaakt hebben op zijn studenten, toen er na het gebed een minuut lang geen stem meer klonk, en Munk het Noorse volkslied inzette. Met recht merkt Winkler op dat dit de eerste openlijke demonstratie was tegen de Duitsers op Deense bodem! Deze eer valt Kaj Munk te beurt.

Jaren van voortdurend protest

Het zou niet bij dit protest blijven. Voortdurend heeft Kaj Munk zich in woord en geschrift gekeerd tegen de laksheid van zijn volk en het aperte onrecht van de bezetter. En het was alsof hij de Duitse bezettende macht dwong om zich in zijn ware gedaante te laten zien. Munk was diep overtuigd van de demonische en anti-christelijke krachten die achter het nationaal socialisme en het Derde Rijk schuil gingen.

Het criterium van waaruit hij de situatie beoordeelde lag voor Munk in de Openbaring van God in de Tien Geboden en in het Evangelie van Christus. Vanuit de verworteling in de Openbaring van God was hij in staat om de situatie waarin hij verkeerde kritisch te bezien. Dat gold zowel het Duitse als het Deense volk.

Hoever staat Kaj Munk dus af van het platte nationalisme dat het nationaal-socialisme kenmerkte en waarvan wij vandaag de dag in de Balkan opnieuw op een schrijnende wijze getuige zijn. Ook daar is het: de waarheid is daar waar ik voor mijn vaderland opkom! Voor Kaj Munk was het zonder meer duidelijk dat waar de Tien Geboden van de HERE God geschonden worden, de ziel van een volk aangetast wordt - ook al kan dat lange tijd verborgen blijven.

Zijn gehechtheid aan Christus bracht met zich mee dat Kaj Munk ondanks zijn grote vaderlandsliefde volstrekt niet nationalistisch dacht. Nationalisme is voor hem juist het tegendeel van vaderlandsliefde. Door vaderlandsliefde werd Kaj Munk gekenmerkt, maar dan vanuit de gehechtheid aan het Evangelie. Waar het Evangelie en het nationale belang met elkaar in conflict lijken te komen, koos hij zonder meer voor het Evangelie en voor de waarheid. Daarom hekelde hij de houding van de Deense regering. Men gooide het op een akkoordje met Hitler om Denemarken aanzien te geven. Liever klein met Christus dan groot in het onrecht. Nooit mag men daarom Kaj Munks uitspraken over Denemarken en Christus typeren als een gevaarlijke vorm van nationalisme. Ook niet als hij een beroep doet op de Deense ziel. Wat hij in dergelijke gevallen bedoelde is een appèl te doen op het christelijk geloof dat vanouds de Denen gestempeld had. Los van het christelijke geloof en van de Tien Geboden is "vaderlandsliefde" een bedrieglijke vorm van afgoderij en baart ze ontzaglijk veel onheil: "De kerk wil Denemarken oproepen tot een nationaal ontwaken, maar zij wil tot geen enkele prijs met dat nationaal reveil tevreden zijn. Een nationalisme zonder Christendom veroordelen wij als iets kwaads."

Vanuit het Evangelie en de Tien Geboden beoordeelt Kaj Munk de situatie. Kaj Munk haatte

Duitsland niet, maar beoordeelde de Duitsers naar hun daden. Zo wenste hij ook met de Deense regering te doen!

Zoals gezegd: ds. Munk was diep doordrongen van het demonische van het nationaal-socialisme. Door zijn oprechte, christelijke en getuigende optreden dwong hij de demonen om zich te vertonen. Zoals ooit door Christus' doen en laten de demonen gedwongen werden om uit hun schuilhoeken tevoorschijn te komen. Het kwaad werd waar Christus kwam naar buiten geperst. Als men de Evangeliën leest, heeft men soms de ontstellende indruk dat Christus het daarop toelegt: Hij moest van de waarheid getuigen, juist daar waar Hij de gewaarwording had, dat het Hem belet werd, omdat de boze er de dienst uit maakte.

Zo verging het Kaj Munk. In zijn weerloze en christelijke verzet tegen het Duitse regime vond hij zijn levensroeping. ■ .

Hij protesteerde vanaf de kansel - wierp de Denen voor dat hun godsdienst "verstichtelijkt" was. De bijbel ging op een nieuwe manier tot hem spreken, reden waarom zijn oorlogspreken op ons zo'n indruk maken. Op die manier kwam de bijbel zeer dichtbij. Wat te denken van zijn uitleg van de vijf wijze en dwaze meisjes, over wie hij preekte op 5* december 1943. "Het enige wat stichtelijk is aan deze gelijkenis, is, dat ze niet stichtelijk is" zei hij kernachtig. "Want het is onze situatie, waar die geschiedenis over gaat. Hoort gij het niet? Uit de hoge hemel wordt ons toegeroepen: Wat zei Ik? Een bitter, een zwaar, een met de ernst der eeuwigheid geladen: Wat zei Ik? Er waren tien maagden, en zij vielen allen in slaap. Alleen maar, omdat het met Mijn wederkomst iets langer duurde, viel Mijn hele kerk in slaap."

Munk protesteerde in geschriften - van sommige preken die hij uitgaf, is het niet eens zeker of hij ze wel gehouden heeft. Ze waren bestemd voor het grote publiek. Hij protesteerde voor de radio. Zoals die ene keer op 2 november 1941, waarover een Duits gezantschap dat samen met de koning bij de lezing aanwezig geweest was, zich naderhand zéér beklaagde. Ds. Munk meed het niet op de vijand zelf openlijk en rechtstreeks de waarheid te zeggen.

Toen in Noorwegen de kerkstrijd uitbrak en de Duitsers het hoofd van de lutherse kerk, bisschop Berggrev gevangen zette, reageerde men in Denemarken fel. Het ministerie voor kerkelijke aangelegenheden verbood het de predikanten om op de kansel aandacht te geven aan wat er in Noorwegen passeerde. Kaj Munk legde het verzoek, zoals te verwachten viel, niet alleen maar naast zich neer. Hij beantwoordt haar met een brief die al snel ondergronds in Denemarken van hand tot hand gaat. Munk was zo moedig en open in zijn verzet dat hij een afschrift van de brief verstuurde aan de Duits-vriendelijke minister president en de minister van Buitenlandse Zaken. In de brief schrijft hij de beroemde woorden: "Het is beter Denemarken te schaden in zijn verhouding tot Duitsland dan in zijn verhouding tot de Here Jezus." Het waren vooral deze woorden die het Deense verzet hebben geïnspireerd. Met deze ene, bondige zinsnede bracht Kaj Munk onder woorden wat hem dreef.

In het volgende artikel wil ik kort ingaan op de laatste preek die Kaj Munk hield en op zijn levenseinde wat enkele dagen nadien zo wreed volgde.