Terug naar Ecclesianet.nl

Kohlbrugge eindelijk op de kansel van de Ned. Hervormde kerk (IV)

Dr. K. GROOT

Terecht had Mevrouw Kohlbrugge-van Verschuer bij de aankondiging van de preekbeurt te Vianen aan haar vrienden geschreven, dat als haar man eenmaal in ons land gepreekt had, het ijs gebroken zou zijn; daarbij doelende op het vooruitzicht dat er dan wel meerdere verzoeken aan haar man om in Nederland te komen preken zouden gedaan worden. Weldra wisten nu immers de vrienden te Delft gedaan te krijgen dat Kohlbrugge in de Waalse Kerk mocht optreden en er een doopdienst vervullen. In Den Haag liet de vacante Duitse gemeente hem enige malen in de dienst voorgaan; er was bij deze gemeente zelfs ernstig sprake van om hem te beroepen. Geestverwante collega's stelden hem in verschillende plaatsen hun kansel ter beschikking, zodat Kohlbrugge menig reisje naar Holland maakte om in de Hervormde Kerk het Woord te bedienen. Zo preekte hij o.a. een of meer malen in Den Haag (Duitse Gemeente), Scheveningen, Delft (Waalse Gemeente), Dordrecht, Maassluis, Delfshaven; Bleskensgraaf, Fijnaart, Raamsdonk, Hilversum, Nichtevecht, Loosdrecht. In 1863 gelukte het Kol en zijn medestanders eindelijk hem in Utrecht in de Dom te doen optreden op 16 December. Kol liet uit dankbaarheid het briefje met de predikbeurten voor die week op goudpapier drukken; een exemplaar daarvan is nog in het Kohlbrugge-Archief aanwezig. De studenten in deze kerkdienst tegenwoordig reageerden op de beginwoorden van de preek "sol justitiae illustra nos", de zinspreuk van hun universiteit, met waarderend voetgetrappel. Op 2 februari 1864 preekte hij er ten tweeden male, ook weer in de Domkerk, en hield er zijn bekende preek over "Barabbas of Jezus Christus". In 1871 liet dr. Kuyper hem in de Zuiderkerk te Amsterdam voor zich preken. Verzoeken van afgescheiden gemeenten om in hun Kerk voor te gaan wees Kohlbrugge van de hand; hij ging ook niet in op een verzoek zich in Nederland te vestigen om in een nader te bepalen plaats een gemeente te vormen voor aanhangers die toch hun rechten als lidmaten der Nederlands-Gereformeerde Kerk wensten te handhaven, noch op een ander verzoek om in combinatie met zijn herderlijk werk in Elberfeld eens per maand voor "duizenden in den lande die tot God opzuchten" het Evangelie te verkondigen en de sacramenten te bedienen. Voor het officiƫle beroep naar de Hervormde gemeente te Zoutelande in 1865 bedankte hij. Wat die aparte gemeente betreft, meende hij dat zulks "niet naar Heilige Geest en bijgevolg naar wet en oude gereformeerde Kerkorde is". Het beroep naar Zoutelande verblijdde hem, daar hij hierin een vervulling van Gods belofte zag. Toen men hem nl. in het begin van de dertiger jaren geweigerd had als lid van de Hervormde Kerk, had hij innerlijk geweten en het ook uitgesproken: God zal mij mijn recht geven, al was het in het kleinste dorpje aan de zee! Hij voelde zich echter te nauw met zijn Elberfeldse gemeente verbonden "om

ze om zijns zelfs wil te verlaten". De verlokking om naar het vaderland terug te keren had ook voor mevrouw Kohlbrugge haar macht verloren, nu haar dochter getrouwd was en in Wenen woonde en zij zelf niet meer in staat was om te reizen; ze stierf het volgende jaar. Ook Gerrit woonde niet meer in Vianen, maar had zich sedert kort met zijn gezin op het landgoed Werth in de gemeente Halders in Pruisen gevestigd. Het is te begrijpen dat Kohlbrugge, moe na veel leed en verdriet, niet meer de begeerte had om nog eens een geheel nieuwe periode van zijn bewogen leven te beginnen.

Tenslotte een enkel woord over de houding van de kerkelijke besturen tegenover het feit dat Kohlbrugge dan toch eindelijk in de Hervormde Kerk preekte en zelfs in een hunner gemeenten beroepen werd.1)

Na gevraagde inlichtingen van de kerkenraad van Vianen over het preken van Kohlbrugge aldaar in 1856 verkregen te hebben, deelde het Classicaal Bestuur van Gouda aan die kerkenraad mee, dat het in deze zaak geen uitspraak zou doen, maar voorlichting van hoger Besturen zou inwachten. De gewenste voorlichting kreeg het Classicaal Bestuur van de Synodale commissie niet, maar deze adviseerde aan de Synode voor het voorgaan van buitenlandse predikanten de toestemming van de plaatselijke kerkenraad te eisen. De Synode "zich verblijdende in de geest der verdraagzaamheid, die zich in vele gemeenten van ons Vaderland openbaart", ging in zoverre met dit advies mee, dat ze verklaarde het niet nodig te achten "deze aangelegenheid nader te regelen".2) Daarmee was dus het preken van Kohlbrugge in de Nederlandse Hervormde Kerk gesanctioneerd.

En toen in 1856 Kohlbrugge te Zoutelande beroepen werd, had de consulent van die gemeente zich van tevoren van de agreatie en approbatie van Koning Willem III verzekerd, zodat ook dit beroep wettig was.

Niet de oude, maar een nieuwe geest van verdraagzaamheid was over de Synode vaardig geworden en de Koning had nu toch in een "zuiver kerkelijke aangelegenheid" het eerste, en daarmee als drager van het hoogste gezag, ook het laatste woord gesproken.

1) Voor een volledige behandeling daarvan en tevens voor de merkwaardige reactie van Ds. Van Duyl op het verzoek om inlichtingen van het Classicaal Bestuur verwijs ik naar het genoemde artikel in "Nederlands Archief voor Kerkgeschiedenis".

2) Handelingen van deAlg. Synode derHerv. Kerk, zitting van 24 Juli 1857.