Terug naar Ecclesianet.nl

Getuigen van Christus in de nazi-tijd - Kaj Munk (III)

Dr. H. KLINK, Hoornaar

Protestantisme

Van Kaj Munk kan gezegd worden dat hij een protestant was in hart en nieren. Wat protestant-zijn inhoudt, valt op te maken uit het boek van dr. W. Aalders De overlevingskansen van een protestantse natie, dat in 1987 werd uitgegeven. De oorsprong van het woord protestant ligt in het protest dat de verschillende Duitse standen in 1529 aantekenden tegen de koersverandering van Karel V ten opzichte van de "nieuwe religie".

Omstreeks deze tijd had Luthers prediking in het Duitse Rijk veel aanhang gekregen, ook onder de vorsten. In 1526 hadden zij op staatsrechtelijke basis een grote mate van vrijheid voor de uitoefening van het ware geloof kunnen bewerkstelligen. De keizer dreigde tijdens de rijksdag te Spiers in 1529 de overeenkomst van 1526 echter teniet te doen, waardoor de vrijheid om God overeenkomstig zijn Woord te dienen, in het gedrang kwam. Dat lokte protest uit van de Duitse standen.

In een Protestatio (een in het keizerlijke recht erkende mogelijkheid van protest, waarvan men gebruik kon maken in een toestand van aperte nood vanwege inbreuk op het recht) betoonden de standen zich ware volgelingen van Luther. Zij beriepen zich op het feit dat hun geweten gebonden was aan het Woord van God. Zij konden de ware dienst aan God omwille van hun geweten niet verloochenen - zelfs niet als de keizer van hen gehoorzaamheid vergde. Hun verantwoordelijkheid voor de prediking van het Evangelie in zijn zuivere vorm, alsook voor de aan hen toevertrouwde onderdanen, belette hun dat.

In hun Protestatio protesteren de vorsten tegen het door het pausdom ingegeven ideologische misbruik van de keizerlijke macht. Zij verklaren plechtig dat zij hun leven, hun goed en bloed ervoor over hebben om aan hun verantwoordelijkheid te kunnen voldoen.

Het geloof dat Luther herontdekte, werd in Spiers toegepast op politiek-staatkundig vlak. Zoals dr. Aalders zegt: het Paulinisch-Augustijnse geloof is in Spiers "staatkundig mondig geworden." Dit protest vormt het geboorteuur van het protestantisme. Protestant is dan ook zoals Aalders het verwoordt "een begrip, dat zowel religieus als politiek geladen is."

Aalders tekent daarbij aan, dat het optreden van de standen een natuurlijk vervolg vormde op de handelwijze van Luther enkele jaren daarvoor. We zien immers in 1521 de nog jonge Luther tijdens de rijksdag in Worms staan voor de keizer en diens gevolg alsmede voor de pauselijke nuntius, Aleander. We horen hem met moed en toch in vrees en beven de zo beroemd geworden woorden spreken: "Mijn geweten is gevangen in het Woord van God, daar het noch veilig, noch eerlijk is om tegen het geweten te handelen. Hier sta ik, ik kan niet anders, God helpe mij, Amen."

Aangeraakt door hetzelfde geloof als Luther dat zich keerde tegen het machtsmisbruik en de machtsaan-spraken van de paus van Rome en dat daar tegenover de horigheid aan het Woord van God stelde, trokken de Duitse standen de politieke gevolgtrekkingen uit dit geloof. Het gevolg ervan was dat de vorsten meer en meer in een houding van verzet tegenover de keizer en de paus kwamen te staan.

Zo trokken de protestantse vorsten de consequenties uit het geloof dat Luther hen geleerd had. Centraal in Luthers ontdekking van het Evangelie was immers dat alleen het Woord van God gezag toekomt over de gewetens. Als de aanspraak van de keizer in strijd is met die van het klare Woord van God, is men geroepen om God meer te gehoorzamen dan de mensen!

Gebrek aan vuur

Als Kaj Munk in zijn strijd tegen het nazisme en Hitler, in wie hij de verpersoonlijking van de duivel zag, iets gelaakt heeft in de houding van veel van zijn tijdgenoten dan is het wel het gebrek aan vuur en trouw aan het Evangelie, dat een man als Luther kenmerkte.

De door hem gewraakte houding kwam voort uit een grote mate van gemakzucht. Het geloof van velen was verworden tot een dorre en dode orthodoxie. Men was de waarheid in dogmatisch opzicht volledig toegedaan, maar de levende verbondenheid van trouw aan Christus was uit het leven van veel rechtzinnige lieden zo goed als verdwenen. Of: het geloof was naar binnen gericht in "vrome" stichtelijkheid, zonder enige relevantie voor het leven van elke dag en voor datgene wat zich op het wereldtoneel voordeed.

Kaj Munk heeft zich tegen deze geest van levenloze orthodoxie ten zeerste verzet. In de geest van Kierkegaard heeft hij zijn tijdgenoten terug willen brengen tot het levende Evangelie, dat in het volle leven zijn verwerkelijking zoekt.

Tal van uitspraken en gezegden in zijn preken worden vanuit dit gezichtspunt begrijpelijk. Kaj,Munk was allerminst een revolutionair prediker. Integendeel. Wat hem voor ogen stond, was: het wakker schudden van de gewetens van de mensen in echt christelijke zin. Hij zou in dit opzicht de volgende uitspraak van Kierkegaard volledig voor zijn rekening hebben kunnen nemen: "Verkondig ik dan wellicht tumult, omkering van alles, wanorde? In genendele. Ieder, die mijn schrijverschap kent, zal moeten beamen, dat ik in de tegengestelde richting heb gewerkt. Ik heb bedoeld onrust te wekken, in de richting van verinnerlijking." Eenzelfde taak zag hij voor zichzelf weggelegd. Sterker: hij zag er zelfs zijn levensroeping in. Midden in de oorlogstijd zei hij in de Onze Lieve Vrouwenkerk te Kopenhagen: "God zij ons genadig, als wij niet willen begrijpen, dat de kerk daar juist voor is: om op elk gegeven ogenblik de eeuwigheid te realiseren."

Kaj Munk aan de vooravond van de Tweede Wereldoorlog

Johan Winkler benadrukt in zijn biografie over Kaj Munk dat de predikant-dichter in de jaren kort voor de Tweede Wereldoorlog zeer onrustig was. Het verging hem als de regenfluiter, die aanvoelt wanneer er regen en storm op komst zijn en zijn lied begint te zingen. De tekenen der tijden wezen er voor Kaj Munk op dat

er in Europa een zware storm op zou steken. Dat maakte hem - dichterlijk en gevoelig als hij was -onrustig. Toen Hitler in 1938 en 1939 zijn ware gezicht liet zien, mede door zijn inval in Tsjecho-Slowakije viel hij voor Kaj Munk definitief door de mand. Enige jaren voordien had hij Hitler nog enigermate het voordeel van de twijfel gegeven.

Kaj Munks aanvankelijke houding hangt nauw samen met zijn karakter. Hij was een man die hield van grote, bezielende gedachten. Ergens bekent hij dat het hem tot de oorlog uitbrak gespeten had dat Denemarken geen groot en machtig land was - een wereldmacht, met een grootse roeping. Met een zekere jaloezie keek hij naar landen als Duitsland, Frankrijk en de Verenigde Staten. In later tijd veranderde die inschatting volkomen.

In een rede over Luther en de Reformatie uit 1938 treffen we dezelfde karakteristiek aan. Na gewezen te hebben op de absolute noodzaak van de breuk met Rome tijdens de Reformatie, kan de predikant het niet nalaten om te wijzen op de grootse gedachte die de kerk en het rooms-katholicisme in het bijzonder vanouds bezielde: het ideaal om alle dingen te brengen onder de heerschappij van Christus. Die inspirerende idee, wil Kaj Munk niet verloochenen.

Een derde voorbeeld: zijn leven lang, heeft ds. Munk het ideaal gekoesterd van één groot verbond van Scandinavische landen, die gezamenlijk een groot noordelijk rijk zouden vormen.

Zo had het optreden van de nationaal-socialisten in Duitsland hem aanvankelijk geïntrigeerd. Maar verder dan dit geïntrigeerd-zijn ging het niet. Munk volgde de gebeurtenissen die zich in Europa voordeden in de jaren dertig op de voet en meer en meer maakte onrust zich van hem meester. Midden in Europa deed zich een verrottingsproces voor. Het maakte hem bevreesd voor de dingen die zouden komen ...

Een ingesluimerd geloof

Als op 9e april 1940 de Deense regering zich zonder slag of stoot aan Hitler overgeeft en Duitse troepen, ondanks een niet-aanvalsverdrag, Denemarken binnentrekken, vervult dat Kaj Munk met grote afschuw. Verbijstering maakt zich van hem meester: het Deense volk haalt de vijand binnen! Kaj Munk neemt zich voor om met alle kracht te blijven protesteren tegen het optreden van de Duitse agressor en de laffe houding van de Deense regering. Het gebrek aan moed en aan geloofskracht bij zijn landgenoten raakt hem diep.

Bij verschillende gelegenheden analyseert hij de geestelijke toestand waarin zijn volk kennelijk geraakt is. Zowel de regering als de kerk, de eenvoudige burger als de boer, ambtenaren als predikanten verwijt Munk gebrek aan moed. Alom stelde men zich in op een gemakkelijk ("christen")leven. Dat de eer en de toekomst van een land, dat de verdediging van het christelijke geloof een offer konden vergen, gold als een boodschap, uit een andere, onbekende wereld. Een verslapt christendom, waarin de levende betrokkenheid op de levende Christus afwezig was, werkte in de hand dat men alom als de tien meisjes uit de gelijkenis in slaap gevallen was.

Heel schrijnend werd Munk dit gewaar in Oslo waar hij op de zondag na de 9e april ter kerke ging. De

lutherse bisschop die voorging, repte met geen woord over de annexatie van Denemarken en de toestand in Europa. De preek ging over een oeroud Luthers thema: de rechtvaardiging door het geloof. Zeer ironisch merkte Munk later op: "Ook in Noorwegen viel de 9e april 1940 op een dinsdag. De zondag daarop hoorde ik een preek in Oslo van een oude Noorse dominee. Ik dacht: wat zal die man nu zeggen? En ik luisterde met ademloze spanning, maar kreeg toen te vernemen, dat Jezus Christus, de zoendood was gestorven voor uw en mijn zonden, en dat 's mensen enige heil daarin bestond, dat hij geloofde. Dat is inderdaad zo, en het is ongetwijfeld juist. Maar was ik zo verstokt, dat ik het gevoel had dat ik daar toen iemand alleen maar hoorde leuteren? De mensen lopen met hun duizend vragen langs de muren van de kerk. Waarom gaan zij niet naar binnen? Om tal van oorzaken. En laat niemand mij wijsmaken dat een van de belangrijkste oorzaken niet deze is: dat wij predikanten daarbinnen wat staan te leuteren." Ds. Munk verwijst vervolgens naar de lieden van Indre Mission en zegt: "daar leefde de waarheid tenminste. Wat voor nut heeft de waarheid, die door de kappers stukgefri-seerd wordt? (...) Waar het de predikanten aan ontbreekt is niet psychologie of literatuur. Dat is de heilige razernij, bat is de razernij, ontsproten aan de kennis van Goden de mensen."

Het bijna smalende in deze opmerking kwam voort uit het feit dat er voor het gevoel van Munk zich in de kerk een enorm en fataal misverstand voordeed. De oorlogssituatie bracht dit schrijnend aan het licht. Het misverstand waar Munk met zijn verwijzing naar de preek over het thema van de Reformatie op doelt, betrof de vraag wat de kern van de Reformatie was.

Kaj Munk en Luther

Het is op dit punt dat de opvatting van Munk en die van dr. Aalders, zoals hierboven aangegeven, elkaar helemaal raken. Wat was voor Munk immers het grote van Luther? Vanzelfsprekend de ontdekking van de rechtvaardiging door het geloof alleen. Daarnaast de opruiming die gehouden werd van talloze misbruiken die in het kerkelijke leven waren binnengelopen. Maar vooral was het Luthers moedige geloofsoptreden tegen de knechting van de gelovige in zijn persoonlijke verhouding tot God, door de toenmalige kerk.

Luthers agitatie vergde een daad. Die daad heeft de jonge Luther volbracht in zijn protest ten overstaan van de keizer, tegen de aanspraken van de paus. Voor deze daad is ds. Munk Luther blijvend dankbaar. In de Reformatieherdenking van 1938 stelt Munk wellicht aï te gepointeerd, dat het niet zozeer de preken van Luther zijn, die de moderne mens aanspreken. Nee, het is zijn grote daad, die "nog altijd een van de grondslagen van ons bestaan vormt."

Een zelfde houding vroeg hij van anderen: "Beslistheid van optreden, verontwaardiging, hartstocht, dat waren de dingen die ons Denen vroeger geenszins vreemd waren; o laat die Westenwind opnieuw jagen over het land." Een soortgelijke houding heeft Munk als een echt protestant zelf opgebracht.

In mijn eerste bijdrage over Kaj Munk maakte ik er attent op, dat we achteraf kunnen constateren dat zijn eerste preek iets profetisch had. Hetzelfde kan men stellen van de Reformatieherdenking uit 1938, waaruit ik zojuist citeerde. In de tekening die ds. Munk van Luther gaf, geeft hij ook iets weer van zichzelf. Op meesterlijke wijze schildert hij de man Maarten Luther: Luther was een man van vleesden bloed. Dat wil zeggen: hij was van zichzelf een angstig man, die kon beven voor een blad dat van een boom viel. In dit licht interpreteert Munk Luthers belofte om monnik te worden tijdens het onweer dat hem tijdens zijn studententijd overviel. Luthers kloostertijd werd gekenmerkt door angst en zorg.

Na jaren begon hij door intensieve studie in de bijbel enige rust te krijgen. Een mens wordt gerechtvaardigd door het geloof. Met die kennis zou Luther een goed professor worden voor zijn studenten. Het gaf hem rust - rust voor zijn studie, rust in zijn taak in het onderwijs te kunnen uitoefenen. Maar zo ver kwam het gelukkig niet. Tetzel kwam in de buurt. Zijn boodschap - die van de aflaat - wekte Luthers woede op, zijn strijdlust. Zo kwam hij tot het naar buiten brengen van zijn stellingen. En zo kwam hij onder het grote publiek, door zijn openlijke bekentenis van de waarheid. Dat wilde Luther niet. Maar hij moest!

En juist deze angstige man, die verder niets kon, die weerloos was, gebruikte God. En God kon hem gebruiken omdat zijn angst er een garantie voor was, dat het geen hoogdravend ideaal was dat hij nastreefde, geen macht of eer, maar louter zijn liefde tot de waarheid. En die alleen kon de paus verslaan!

Welnu: de tekening die ds. Munk van Luther geeft, is in veel opzichten op hem van toepassing. Zoals Luther het als zijn roeping zag om van de waarheid te getuigen tegen de ideologie van Rome, zo beschouwde Kaj Munk het als zijn taak om de mensen wakker te schudden en de ogen te openen voor het gevaar van het nationaal-socialisme. Al was het alleen maar om hen eergevoel en een besef van recht bij te brengen.

Kaj Munk, een gedrevene

De eenvoudige dominee Kaj Munk, die als dichter en toneelschrijver vermaard geworden was, was ook een gedrevene. In een preek schrijft hij: "Wij hebben gespijbeld, wij hebben ons aan onze plicht onttrokken. (...) Terwijl ik deze woorden schrijf, brandt de pen in mijn handen, alsof ze van gloeiend metaal was. Maar ik moet die vuurproef toch maar doorstaan. Waarom? Omdat ik een Christenmens ben, omdat ik op de preekstoel sta, omdat het Evangelie van vandaag de naam van Jezus noemt. Hij is het die mij voortdrijft."

Een vechter noemt zijn biograaf Winkler hem; een man die het automatisch opnam voor de onderliggende partij. Kaj Munk werd in de oorlog een gedrevene. Uit zichzelf was hij een tenger man, iemand die twijfels en angsten gekend had. Hij kon onrustig zijn. Hij was iemand die zich het leed van de wereld en de vragen van het leven geweldig aantrok. Een weerloze en machteloze man, die met al zijn zwakten, toch één charisma had: hij kon goed spreken en schrijven. Het dwingt respect af dat hij dit charisma heel bewust heeft gebruikt om de leugen te ontmaskeren, ten diepste om het getuigenis van Christus, tot heil van zijn geliefde Denemarken.

Protestantse prediking

Een schoolvoorbeeld van in die tijd actuele protestantse prediking is de preek die hij in 1942 in de eenvoudige kerk van Vedersö hield. Jezus' woord "Geeft dan de keizer wat des keizers is, en Gode wat Gods is" vormde de tekst voor de verkondiging.

Munk zet de preek in met de woorden "Vandaag vernemen wij dan, hoe de Herodianen en de Farzizeeën een soort coalitieregering hadden gevormd. Hun haat tegen Christus hadden ze gemeen. Maar kijk nu eens, hoe beleefd ze Hem tegemoet treden; dat zijn bepaald lieden van beschaving: 'Mijnheer, wij weten, dat Gij waarachtig zijt en de weg Gods in waarheid leert en dat Gij u om niemand bekommert, want Gij ziet de mensen niet naar de ogen.' Wat is dat mooi gezegd! Je zou er bijna tranen van in de ogen krijgen." Munk vervolgt even later: "Met de manier waarop zij hun vraag stelden, was het er hun om te doen Jezus te vangen. Ze provoceerden Hem om onvoorzichtig te zijn. Het was overigens makkelijk geweest zich aan die valstrik te onttrekken. Hij hoefde alleen maar te zeggen, dat 'vraagstukken als het betalen van belastingen aan de keizer niet onder Mij ressorteren; de aardse koninkrijken vallen niet onder mijn domein; Ik heb alleen te maken met het Koninkrijk hierboven.'"

Kaj Munk legt hier sterke nadruk op, zoals later in de preek blijkt, vanwege het feit dat er nogal wat mensen waren die hem voorhielden dat "het Christendom zich buiten de politiek moet houden." "Maar", zo werpt hij tegen, "wie maakt dat uit? Het Christendom aanvaardt van niemand orders."

Kaj Munk stelt daarom: "De Verlosser had heel makkelijk ontwijkend kunnen antwoorden. En het moet Hem duidelijk voor ogen hebben gestaan, hoe gevaarlijk het is, ruzie te krijgen met de machtigste partijen in de staat. En nu gaat Hij spreken. En het eerste wat Hij zegt - wat zijn wij gespannen! Nu zal het blijken of Hij de Christus is - dat is een scheldwoord; Zo'n akelig, fel scheldwoord. "Huichelaars" zegt Hij.

Wat er nu teloor gaat aan hoffelijke conversatie toon -wordt aan duidelijkheid gewonnen. Nu weten beide partijen wat ze aan elkaar hebben."

Dan komt het antwoord van Jezus, die de tekst vormde van de prediking: "Geef dan de keizer wat des keizers is en Gode wat Gods is."

Munk merkt op: "De situatie is opgehelderd; er is eenvoudig niets dat er van hoeft te worden afgetrokken en niets wat eraan hoeft te worden toegevoegd. Maar tegelijkertijd is er een antwoord gegeven dat voor alle tijden geldt. Geen dode regel, maar levens-taal. Een levend antwoord. Het wordt ons als plicht opgelegd, als christenen de keizer te geven wat des keizers is." Dan stelt de predikant vast: "wij hebben dat bevel opgevolgd." De christenen zijn immers de eeuwen door de meest wetsgetrouwe staatsburgers geweest. Maar dan geeft Munk in de allereenvoudigste bewoordingen iets weer van wat vanouds een basisregel geweest is in de christelijke houding tegenover de overheid: "Maar als de keizer meer eiste dan wat de keizer toekwam, dan was niemand zo oproerig als wij. Ontembaar. Jaar na jaar. Eeuw na eeuw. Totdat wij wonnen.

Veel kan hij van ons eisen: ons geld, onze arbeidskracht, de beste jaren van onze jeugd, onze gezondheid, ons leven.

Maar als hij van ons eiste dat wij zwart wit zouden noemen en tirannie vrijheid, en leugen waarheid en overval en geweld rechtvaardigheid, dan antwoorden wij hem: Er staat geschreven: 'Gij zult geen andere goden nevens Mij hebben.'

Laat hem dan maar komen met zijn leeuwen en tijgers, zijn galgen en brandstapels. Het bloed der christenen is een zaad, zo heette het al in de oude kerk. Wij zegevieren met onze dood. Men moet God meer gehoorzamen dan de mensen.

'Geef de keizer wat des keizers is en Gode wat Gods is'. De christen is in allebei die geweldige rijken thuis. Maar als die twee met elkaar in conflict komen, dan weet hij onmiddellijk, aan wie hij allereerst gehoorzaamheid verschuldigd is."

Hier is Munk een protestant in hart en nieren. Zulke woorden in oorlogstijd te spreken, waarlijk dat is een daad - een protestant waardig! We herinneren ons dat dr. Aalders schreef "De historie heeft het woord 'Protestant' geijkt als een begrip dat zowel religieus als politiek geladen is. Protestant in de oorspronkelijke zin van het woord houdt in: allergisch zijn voor elke vorm van ideologie, of die nu komt van rechts of van links, van de Kerk of vanuit de Staat. In een Protestantse Natie slaan bij wijze van spreken alle zekeringen door als er ideologisch gevaar dreigt."

Met deze omschrijving is Kaj Munks houding raak getypeerd. De zekeringen sloegen door. Met alle gevolgen van dien, zoals we in een volgende en laatste bijdrage zullen zien ...