Terug naar Ecclesianet.nl

Een studie over de Evangeliën met een boodschap voor onze tijd

(een nieuw boek van Martin Hengel)


E e n l a b y r i n t h ?
De lezers van Ecclesia herinneren zich vast nog dat er
ongeveer twee jaar geleden enige commotie ontstond
n.a.v. de vondst van het gnostische geschrift “Het evangelie
van Judas”. Het boek trok natuurlijk de aandacht,
ook van wetenschappers. Sommigen van hen hechtten
er veel waarde aan en ventileerden dat in allerlei bladen.
In dit zgn. evangelie wordt beweerd dat Judas als
enige Christus begrepen heeft en dat hij om die reden
meehielp aan zijn veroordeling. Ik vergeet niet meer
dat ik enige tijd later in Tübingen in gesprek was met
prof. dr. Anna Maria Schwemer, die toen dit Judasevangelie
ter sprake kwam, terloops bijna meewarig
opmerkte: “Ach ja, dat doen de gnostici altijd. Die
keren altijd alles om.” Het evangelie van Judas stond
niet op zichzelf. Het werd geschreven in de tweede
eeuw na Christus, toen tal van gnostische sekten de
kop opstaken. Zij produceerden veel ‘evangeliën’,
zogenaamd onder apostolisch gezag, om hun ideeën
des te gemakkelijker aan de man te kunnen brengen.
Ze beriepen zich daarbij op geheime mondelinge
overlevering, die door de “officiële kerk” niet gehonoreerd
zou zijn.
Er is wat dat betreft nog weinig veranderd. Zeker na
de ontdekkingen in Qumran is het mode geworden
om ‘het ware verhaal’ over Jezus nu eindelijk te vertellen,
om te geloven dat de kerk het bij het verkeerde
eind had omtrent Jezus en dat de waarheid alleen
achterhaald kan worden door het Nieuwe Testament
met een grote mate van scepsis tegemoet te treden.
Helaas geldt dit niet alleen voor mensen die op sensatie
belust zijn. Ook in de wereld van de wetenschap is
men ijverig op zoek gegaan naar ‘de ware Jezus’ en
schuwt men speculaties niet.

Wie in dit labyrinth van opvattingen een leidraad
zoekt en het Duits beheerst, kan ik niet beter aanraden
dan het nieuwste boek van prof. Hengel Die vier Evangelien
und das eine Evangelium ter hand te nemen.1
Het grote belang van dit boek bestaat daarin dat Hengel
allerlei vragen rondom het gezag van de vier
Evangeliën zoals wij die kennen, beantwoordt en een
inkijk geeft in het begin van de kanonvorming van het
Nieuwe Testament. Hengel maakt heel inzichtelijk wanneer
en door wie de Evangeliën geschreven zijn, welk
gezag ze hadden en waaraan ze hun gezag ontleenden,
welke rol ze speelden in de vroeg-christelijke
gemeente en hoe de vroeg-christelijke kerk haar identiteit
dankzij de Evangeliën (en de apostolische brieven)
in de tweede eeuw na Christus heeft kunnen bewaren.


D e g e w e l d i g e b e t e k e n i s v a n I r e n e ü s v a n
L y o n
Hengel neemt het uitgangspunt voor zijn onderzoek in
de tweede helft van de tweede eeuw na Christus. In
deze jaren heeft de kerk een moeilijke periode doorgemaakt.
De generatie christenen die de apostelen
nog gekend had, was inmiddels gestorven. In het
vacuüm dat ontstond, wierpen de gnostici zich op als
verlichte leiders, bij wie men moest zijn. Het was ook
de tijd van Marcion, die tegenover de gnostici met hun
vele ‘evangeliën’ beweerde dat alleen het Evangelie
van Lucas en de brieven van de apostel Paulus kanonieke
status toekwam. Daarnaast waren er binnen de
christelijke gemeenten die een of meerdere van de vier
bekende Evangeliën wantrouwden en er geen gezag
aan toekenden. Weer anderen zetten zich tot het
schrijven van een ‘evangelieharmonie’ (Tatianus in
Syrië). De verhalen van de Evangeliën werden ineengevlochten,
waar ze elkaar tegen leken te spreken
werden ze geharmoniseerd. Zo zou er een gezaghebbend
Evangelie overblijven. Kortom verwarring alom.
In deze verwarde situatie is Ireneüs van Lyon (140-
222) van onschatbare betekenis geweest. Hij was de
eerste, aldus Hengel, die zich ontpopte als een Schrifttheoloog
door zich uitdrukkelijk en met veel argumenten
tegenover het veelvoud van gnostische geschriften
en tegenover de kanonreductie van Marcion (110-
160) te beroepen op de vier Evangeliën. Ireneüs zelf
geeft duidelijk aan, waaróm hij dit doet: deze Evangeliën
gaan terug op apostolisch gezag. Hij schrijft:
“Mattheüs schreef zijn Evangeliegeschrift onder de
Hebreeën in hun taal, toen Petrus en Paulus in Rome
het Evangelie predikten en de kerk daar stichtten. Na
hun dood leverde Marcus, de leerling en vertaler van
Petrus, de verkondiging van Petrus in schriftelijke vorm
over. Lucas echter, de begeleider van Paulus legde het
door hem verkondigde Evangelie neer in een boek.
Uiteindelijk was er nog Johannes, de leerling van de
Heer, die ook aan zijn borst rustte, die zelf het Evangelie
uitgaf, toen hij zich in Efeze, in de provincie Asia,
ophield.”
Hengel kent aan deze terugblik van Ireneüs veel
waarde toe. Allereerst omdat hij historisch betrouwbare
gegevens aanreikt, die men alleen maar tot eigen
schade kan veronachtzamen (zoals vaak gebeurt). Ireneüs’
bericht stemt overeen met dat van Clemens van
Alexandrië (Egypte) (150-211?) en met dat van Papias
van Hiërapolis (Klein-Azië) (80-150?), waarbij opgemerkt
moet worden dat zij onafhankelijk van elkaar
over de oorsprong van de Evangeliën berichtten! Zo
toont Hengel aan dat Ireneüs’ opmerkingen over de
Evangeliën los staan van wat Papias geschreven heeft
over zijn gesprekken die hij rond 100 na Chr. gevoerd
heeft met de toen nog levende presbyter Johannes in
Efeze, die hem het nodige meegedeeld heeft over de
oorsprong van de Evangeliën.
Hengel stelt dat Ireneüs zijn gegevens ontleend moet
hebben aan het archief ofwel de bibliotheek van
Rome, waar hij meer dan eens geweest is. Ook de stijl
van Ireneüs’ mededeling omtrent de Evangeliën komt
overeen met de toen gangbare indicering in bibliotheken.
Heel kort werd verwezen naar een auteur en de
tijd van ontstaan van zijn werk. Men mag er zondermeer
van uitgaan dat de vier Evangeliën in Rome in
een bibliotheek of archief bewaard werden, vooral
met het oog op de lezing tijdens de eredienst. Andere
gegevens, waaronder papyrusvondsten, wijzen uit dat
deze praktijk ook elders bestond.
De Evangeliën werden benut tijdens de eredienst.
Als afzonderlijke boeken (codex) moeten ze in rekken
neergelegd zijn, zoals dat in de synagogen en huisgemeenten
ook het geval was met de boeken van de
Septuaginta (het Griekse Oude Testament). Omdat
men in de gemeenten veel waarde hechtte aan het
gezag van geschriften (men wantrouwde anonieme
geschriften) tekende men op de codices aan wie de
auteur was. Zo zijn de Evangeliën gekomen aan de
opschriften, die we tot op de dag van vandaag kennen.
Ze werden aangeduid als “Evangelie naar de
beschrijving van …”
Opvallend is dat de volgorde waarin Ireneüs
spreekt over de Evangeliën overeenkomt met heel veel
andere bronnen uit de tweede eeuw en uit latere eeuwen.
Ook codices die meerdere Evangeliën bevatten
geven deze volgorde te zien: Mattheüs gaat voorop,
gevolgd door Marcus, Lucas en Johannes. Er is weliswaar
een andere traditie geweest, waarin de
Evangeliën van Mattheüs en Johannes voorop gingen,
gevolgd door die Lucas en Marcus (de zgn. Westerse
traditie). Deze volgorde heeft echter geen stand gehouden.
De andere wel. En het opvallende is dat deze
volgorde overeenkomt met de tijdsvolgorde waarin de
Evangeliën verschenen zijn: Marcus schreef het eerst,
daarna kwam Lucas en enige tijd daarna schreven
Johannes en de schrijver van Mattheüs hun Evangeliën.
Dat Mattheüs desondanks de eerste plaats kreeg
hangt samen met zijn grote verwantschap met Marcus
en omdat de auteur ervan put uit de traditie van de
apostel Mattheüs, die als eerste een Evangelie schreef
in het Aramees. Het kan haast niet anders of de codices
moeten in deze chronologische volgorde in de
boekenrekken gerangschikt zijn. Zo was het ook met
de boeken van de Septuaginta.


H e t u n i e k e v a n h e t M a r c u s - E v a n g e l i e
Het eerste Evangelie dat geschreven werd, is dat van
Marcus. Het werd in Rome geschreven. Het belang
van het verschijnen van dit Evangelie (68/69 na Chr.)
kan nauwelijks overschat worden. Marcus schiep met
deze literatuurvorm een geheel eigen genre: een ‘biografie’
van Christus, met een verkondigend karakter,
ofwel een ‘kerygmatische biografie’. De andere evangelisten
hebben zich later bij deze vorm aangesloten,
als eerste Lucas, die aan Theophilus schreef, een
belangrijk man, die waarschijnlijk in Rome woonachtig
was en gezorgd heeft voor verspreiding van dit
Evangelie. Daarna volgden de schrijver van het Mattheüs-
evangelie (waarschijnlijk woonachtig in Zuid
Syrië, rond 90 na Chr.) en Johannes (Efeze, rond 100
na Chr.) Vooral Mattheüs en Lucas ontleenden veel stof
aan Marcus, maar vulden dat uit andere bronnen aan,
Mattheüs vooral uit de traditie die in Israël gangbaar
was, en die haar oorsprong vond bij de aantekeningen
van de apostel Mattheüs. Dat het Evangelie van
Marcus zo’n indruk maakte dat het vanuit Rome gelijk
zijn weg vond naar andere gemeenten binnen het
Romeinse Rijk hangt ongetwijfeld samen met het
unieke karakter van het geschrift en met het apostolische
gezag van Petrus, dat achter dit boek staat!
Het ‘revolutionaire’ van Marcus’ werk is dat hij in
kort bestek schrijft over het leven en sterven en opstanding
van Christus en over de heilsbetekenis van dit
gebeuren voor de hele wereld én dat hij zijn ‘verkondigende
biografie’ uitdrukkelijk in het eerste vers Evangelie
van Jezus Christus noemt (Marcus 1: 1). Daarmee
gebruikt hij een woord dat in de christelijke
gemeente algemeen bekend was: Paulus typeert zijn
prediking meer dan eens als ‘Evangelie’ (Galaten 1:
6). Ook in Handelingen komt het woord evangelizein
voor, dan in verband met de prediking van Petrus.
Ook elders wordt het woord gebruikt voor de verkondiging
van het heil in Christus.
Als Marcus zijn gehele geschrift Evangelie van
Christus noemt, bedoelt hij ermee dat het leven en sterven
van Christus heilsbetekenis heeft voor de hele
wereld. Daarmee is impliciet aangegeven dat de verkondiging
van het heil in Christus nooit los kan staan
van de feitelijke, historische gebeurtenissen in het leven
van Christus. Marcus beschrijft ze vanaf zijn doop tot
aan zijn opstanding toe.
Als wij daarbij bedenken dat Marcus een leerling
en reisgenoot van Petrus was dan kan het niet anders
of zijn Evangelie is een weergave is van diens prediking!
Petrus’ prediking droeg dus het kenmerk van een
feitelijke weergave van Christus’ leven, waarin vooral
aandacht gegeven werd aan de heilsbetekenis van
zijn sterven en opstanding. De prediking die dit karakter
draagt, wordt dus ‘Evangelie’ genoemd.


E é n E v a n g e l i e e n t o c h v i e r E v a n g e l i ë n
Zoals gezegd gebruikt óók Paulus het woord ‘Evangelie’
voor zijn prediking. Dit duidt erop dat het woord
‘Evangelie’ al vroeg in de christelijke gemeente werd
gebruikt. Hengel vermoedt dat het woord gangbaar
werd in de christelijke gemeente in Jeruzalem. Sterker:
het komt bij Christus zelf vandaan, die het aan het
Oud-Testamentische spraakgebruik ontleend heeft, als
typering van de boodschap van heil voor deze hele
wereld.
Deze boodschap van heil, waarin feit en verkondiging
met elkaar verweven zijn, is door Petrus én Paulus
gepredikt. Het is door Marcus schriftelijk neergelegd.
Daarin is hij gevolg door de andere
evangelisten. Qua vorm sloten zij sterk bij Marcus aan.
Eerst vertelt hij over het optreden van Jezus in Galilea,
maar dan verplaatst zich de aandacht al snel naar wat
in Jeruzalem is gebeurd met als hoogtepunt het sterven
en de opstanding van Christus ten derde dage.
De inhoud van deze verkondiging komt overeen
met wat Paulus schrijft in 1 Korinthiërs 15, waarin hij
zegt: “Ik maak u bekend broeders, het Evangelie (!),
dat ik u heb verkondigd, dat u ook ontvangen hebt,
waarin u ook staat, waardoor u ook behouden wordt,
als u het zó vasthoudt, als ik het u verkondigd heb
(…). Want vóór alle dingen heb ik u overgegeven wat
ik zelf ontvangen heb: Christus is gestorven voor onze
zonden, naar de Schriften. En Hij is begraven en ten
derden dage opgewekt naar de Schriften en Hij is verschenen
aan Cefas (Petrus), daarna aan de twaalven
(…) maar het allerlaatst is Hij ook aan mij verschenen
(…). Daarom dan ik of zij, zo predikten wij, en zo
bent u tot geloof gekomen.”

Dit Evangelie vinden wij bij Petrus en Paulus en bij
alle apostelen, ondanks de verschillen die er tussen
hen zijn. Ook Marcus heeft déze boodschap gebracht,
daarin gevolgd door de andere evangelisten.
Zodoende is er sprake van één Evangelie en tegelijk
van vier Evangeliën, die in de eredienst langzamerhand
hun beslag hebben gekregen, niet alleen in
Rome, maar in heel de christenheid.
De kerk hield het bij deze Evangeliën, ze weerde
andere evangeliën af, ze weerstond de verleiding om
een evangelieharmonie te schrijven en beriep zich,
ondanks het feit dat de Evangeliën op sommige punten
van elkaar af lijken te wijken, op de vier Evangeliën,
die juist in de tweede eeuw meer en meer in de eredienst
benut werden en wier waarde gelijk gesteld
werd met de waarde van het Oude Testament, de Septuaginta,
wier boeken ook in de boekenrekken te vinden
waren. Deze ontwikkeling vormt het begin van de
kanon van Oude én Nieuwe Testament zoals wij die
kennen.


T o t s l o t
Boven dit artikel schreef ik: een studie over de Evangeliën
met een boodschap voor deze tijd. Deze boodschap
komt heel helder naar voren op pagina 272
waar Hengel een citaat geeft van K. Beyschlag
(Grundriss der Dogmengeschichte, Bd. I: Gott und
Welt, 155f.), dat ook ik opneem. Het luidt: “Zonder
twijfel bevond de kerk zich in het midden van de 2e
eeuw in de grootste bestaanscrisis van haar geschiedenis.
Aan alle kanten gehaat en vervolgd, tegelijk
ook ondermijnd door emancipatorische gnostische
groepen en tegenkerken van allerlei aard, daarbij nog
zonder verbindende geloofsnorm, leek het slechts een
kwestie van tijd dat de kerk in dit geheel van christelijk
pluralisme onder zou gaan en de uiterlijk vastgehouden
eenheid zou oplossen in algemeen religieuze
smeltkroes. Men moet deze toestand voor ogen houden,
om te begrijpen wat het betekende dat de kerk
temidden van deze aanhoudende bestaanscrisis de
kracht vond om de grondleggende norm van haar
geloof te ontwikkelen, ja dat deze normen – haar ontstaan
is bijna anoniem – zich tegenover de woekerende
wildgroei op christelijk erf van zelf te voorschijn
kwamen, toen zij de historische identiteit van de openbaring
veilig stelde en als fundament van het christelijke,
de geloofsregel van de heilige Schrift van het
Oude en Nieuwe Testament en de continuïteit van de
kerkelijke overlevering in samenhang van ‘ambt’ en
‘successie’ vastlegde.”
Hengel voegt eraan toe dat de schrijver van deze
woorden bijna wel zeker gedacht moet hebben aan
de situatie van de kerk van nu.
Hengels slotconclusie luidt: de kerk heeft in de 2e eeuw
niet beter kunnen doen dan op historisch goede gronden
terug te grijpen naar de Evangeliën (de kanon) als
veilige haven. Het lijkt me dat wij in de verwarde 21e
eeuw niet beter kunnen doen dan het voorbeeld van
onze vaderen van toen te volgen. Dat wij dit met een
goed geweten kunnen doen, daartoe heeft Hengel
gedurende zijn hele leven met alle gaven die hem
eigen zijn, meer dan vele anderen bijgedragen!


H. Klink, Hoornaar


N o o t
1. Martin Hengel, Die vier Evangelien und das eine Evangelium
von Jesus Christus, Mohr Siebeck, Tübingen, 2008.
ISBN 978-3-16-149663-9.
P.S. Graag was ik nog ingegaan op wat Hengel schrijft over Q, de
hypothetische bron, waaruit Mattheüs en Lucas geput zouden
hebben en waarin woorden van Jezus overgeleverd zou zijn,
maar niet de lijdensgeschiedenis zoals wij die kennen uit de
Evangeliën. Al te gemakkelijk wordt aangenomen dat Q heeft
bestaan. Hengel toont het hypothetische karakter van deze
veronderstelling aan en gelooft veel meer in verschillende
getuigenissen (kleine verzamelingen met woorden) over het
leven van Jezus, waarvan Lucas en Mattheüs gebruik hebben
gemaakt. De schrijver van het Mattheüsevangelie maakte
in het bijzonder gebruik van de overlevering van de apostel
Mattheüs. Vandaar de naam Mattheüsevangelie, aldus Hengel.