Terug naar Ecclesianet.nl

Ooggetuigen van Jezus – een belangrijke studie van Engelse bodem (III, slot)

K r i t i e k o p d e v o r m k r i t i e k
Bauckham stelt dat de vooronderstellingen van de
vormkritiek op zo ongeveer alle punten zijn weerlegd.
Zo blijken de veronderstellingen aangaande de overlevering
van volksverhalen op een aantal punten achterhaald,
waardoor ook de vermeende analogie in de
lucht komt te hangen. Of is de wijze waarop het proces
van overlevering zou zijn voltrokken op meerdere
plaatsen in strijd met de teksten zelf. In totaal noemt
Bauckham wel negen punten van steekhoudende
kritiek.
In dat licht spreekt hij zijn verwondering uit over het
feit dat de vormkritiek nog steeds haar invloed doet
gelden, namelijk dat bij bijbelwetenschappers – en
misschien nog meer bij studenten – de indruk is overgebleven
dat de mondelinge overlevering vóór zij haar
weerslag in de evangeliën vond, een creatief proces
heeft ondergaan.
Nu zijn er in reactie hierop alternatieve theorieën
ontwikkeld, waarin werd verdedigd dat het mondelinge
overleveringsproces, in plaats van dat het getuigenis
allerlei aanpassingen onderging, juist nauwkeurig
werd bewaard voordat het op schrift werd gesteld.
Zo stelt Birger Gerhardson dat de overlevering veel
gelijkenis toont met de rabbijnse wijze van overlevering,
waarin alle nadruk ligt op de exacte memorisatie.
En Kenneth Bailey, die op grond van zijn uitgebreide
ervaring met Palestijnse gemeenschappen
stelde dat de christelijke gemeenschap instond voor het
behoud van het getuigenis.
Toch kunnen ook deze modellen Bauckham niet
(helemaal) bekoren. Want wat deze theorieën met de
vormkritiek gemeen hebben, is dat zij veel te weinig
oog hebben voor de cruciale rol van de ooggetuige in
het overleveringsproces; en dat zij ten onrechte veronderstellen
dat het overleveringsproces (in hoge mate)
een anoniem proces zou zijn geweest.


H o e d a n w e l ?
Bauckam heeft zich in zijn boek tot taak gesteld aan te
tonen dat de ooggetuigen een belangrijke rol hebben
gespeeld. Dat zeker in de fase van het mondelinge
overleveringsproces allerlei tradities waren verbonden
aan bij name bekende ooggetuigen, die instonden
voor de betrouwbaarheid van de overlevering en
daarop toezagen. Niet alleen de apostelkring, die
vanuit Jeruzalem toezag op het geheel van de overlevering,
maar ook individuele personen, die getuige
waren geweest van bepaalde gebeurtenissen in het
optreden van Jezus.
Het is geen gemakkelijke taak een adequate
samenvatting te geven van de wijze waarop Bauckham
zijn these ontvouwt. De structuur van het boek is
prachtig opgebouwd, waarin hij, als was het een ketting,
het ene hoofdstuk aan het andere reigt en zo,
soms uiterst gedetailleerd en dan weer in een groots
perspectief, zijn these uiteenzet en onderbouwt. Dat
alles in een precieze en heldere schrijfstijl, waardoor
het boek niet anders dan bewondering afdwingt. Om
u een idee te geven, licht ik er aantal zaken uit.


N a m e n
Bartimeüs, Jaïrus, het zijn namen waarmee wij zijn
vertrouwd geraakt, omdat zij verbonden zijn met spectaculaire
genezingen die door Jezus zijn verricht. De
vormkritiek beschouwt deze namen echter als latere
toevoegingen, om de verhalen te verluchten. Men was
van opvatting (naar analogie van de volksverhalen)
dat hoe langer het overleveringsproces duurde, des te
meer details in de loop van de tijd werden
toegevoegd.
Bauckham laat echter zien (gesteld dat Markus het
oudste evangelie is en Mattheüs en Lukas bij het schrijven
van hun evangelie mede hebben teruggegrepen
op Markus) dat het tegengestelde waar is: er zijn verschillende
voorbeelden waarin Mattheüs en Lukas
namen, die door Markus wel worden vermeld, hebben
weggelaten. Bauckham ziet hierin ondersteuning voor
zijn stelling dat bepaalde gebeurtenissen in de eerste
gemeenten zijn verbonden met toen bekende personen,
die instonden voor het verhaalde. Dat sommige
namen later zijn weggelaten, kan worden toegeschreven
aan het feit dat deze ooggetuigen waren gestorven
en dat daarmee hun bekendheid snel was
afgenomen.


Z i j – H i j : h e t E v a n g e l i e v a n M a r k u s
Namen nemen ons als het ware mee het gebeurde in.
Bauckham laat zien dat de evangelist in zijn evangelie
ons ook op andere, subtiele wijze bij de hand neemt.
Al eerder is gewezen op het merkwaardige verschijnsel
dat Markus ineens overgaat van het meervoud
(‘zij’) naar het enkelvoud (‘Hij’) . Zoals in Markus5: 1 -
2: “Zij [de discipelen] kwamen aan de overkant van
de zee, in het land van de Gadarenen. En toen Hij uit
het schip gegaan was ...” Dit komt wel 21 keer voor
en het is typerend voor Markus. Volgens Bauckham is
dit een stijlmiddel waardoor Markus, heel subtiel, de
lezer in het perspectief van de discipelen opneemt en
als het ware over hun schouders laat meekijken naar
de Meester.


H e t g e t u i g e n i s v a n d e g e l i e f d e d i s c i p e l :
h e t E v a n g e l i e v a n J o h a n n e s .
Hèt evangelie dat zich presenteert als gebaseerd op
het eigen ooggetuigenis is natuurlijk het Evangelie van
Johannes. (Johannes 21: 24) Maar het is juist ook dit
evangelie dat door de nieuwtestamentische wetenschap
is weggezet vanwege zijn vermeende historische
onbetrouwbaarheid. Het zou veel meer theologie
dan historie bevatten. Nu is het ontegenzeggelijk waar
dat dit evangelie een heel eigen stijl heeft, waarin op
heel eigen wijze het leven en werken van Jezus worden
gepresenteerd, waardoor het zich sterk onderscheidt
van de andere, de synoptische evangeliën. Het
heeft een veel sterkere beschouwende en interpreterende
inslag. Maar juist daardoor moet, volgens
Bauckham, dit evangelie worden aangemerkt als een
gerijpt ooggetuigenverslag. Gerijpt, omdat niet alleen
de feiten aangaande Jezus worden verhaald, maar
vooral ook omdat het alles is doordrongen van de
diepe betekenis van het gebeuren. Johannes laat zich
in het evangelie zien als de ideale ooggetuige, naar
antieke, historiografische maatstaven. In een werkelijk
prachtige passage vergelijkt hij zijn rol en betekenis
met die van Petrus, de informant van Markus.


U i t z i c h t
Er zou nog veel meer zijn te zeggen over het vele én
goede van dit boek, zoals wat hij schrijft over het Petrinische
perspectief van het evangelie van Markus (o.a.
in een prachtige exegese van een aantal fragmenten
uit het verloren gegane werk van Papias); of de rol van
memorisatie en het gebruik van notitieboekjes; het
gezag dat vanuit Jeruzalem door de twaalf apostelen
werd uitgeoefend; of de betrouwbaarheid van het
geheugen van ooggetuigen überhaupt; de auteur van
het evangelie van Johannes; en zeker het indrukwekkende
hoofdstuk waarmee hij zijn boek besluit.
Ik heb dit boek elke keer weer met heel veel genoegen
(in de ware zin van het woord) ter hand genomen.
Zijn er dan helemaal geen vragen te stellen?
Zeker, ik zou willen zeggen: een goed boek prikkelt
juist tot nieuwe vragen. Ik zou er één willen stellen.
Bauckham verzet zich tegen de opvatting dat het
mondelinge overleveringsproces allerlei creatieve
bewerkingen heeft ondergaan, waarin de evangeliën
meer zouden zeggen over de eerste christelijke
gemeenten dan over Jezus zelf. Toch is het ontegenzeggelijk
waar dat in elk evangelie de geheel eigen,
redigerende hand van de evangelist merkbaar is. Zo
wordt de Bergrede door Mattheüs aanzienlijk anders
gepresenteerd dan in Lukas, en vinden wij in het evangelie
naar Markus hier niets van terug. Nu is daarmee
nog helemaal niet gezegd dat daarmee de historiciteit
ter discussie staat, er kunnen daarvoor allerlei verklaringen
worden aangedragen, zonder dat direct de historiciteit
ter discussie staat – zoals Bauckham ook heel
bekopt doet. Toch blijft het een intrigerende vraag of
de redigerende hand van de evangelist niet op de een
of andere manier mede is ingegeven door de context
waarin hij zijn evangelie schreef. Is op dat punt niet
sprake van een bepaalde dynamiek? Wij mogen wat
dat betreft van Bauckham nog meer verwachten nu hij
een commentaar zowel op het evangelie van Lukas als
dat van Johannes in voorbereiding heeft.
Ik ben in elk geval zeer benieuwd wat dit boek gaat
losmaken in de kringen van het nieuwtestamentisch
onderzoek. Blijkens de flapteksten wordt het geroemd
als een baanbrekend onderzoek. Ik hoop dat het een
doorbraak mag betekenen in die onvruchtbare tegenstelling
tussen geloof en wetenschap, en dat de evangeliën
zullen worden gelezen zoals zij zelf gelezen willen
worden: “opdat u gelooft dat Jezus de Christus is,
de Zoon van God, en opdat u, gelovend het leven hebt
in Zijn Naam”. (Johannes 20: 31)


B.A. Belder, Schelluinen