Terug naar Ecclesianet.nl

Ooggetuigen van Jezus - een belangrijke studie van Engelse bodem (II)

B.A. Belder, Schelluinen
 
Geloof en wetenschap gaan niet samen. Althans, wanneer wij het moderne credo moeten geloven(!). Geloof berust met zijn beroep op het Absolute oponcontroleerbare en onweerlegbare waarheidsaanspraken; daartegenover staat de wetenschap die zich slechts baseert op algemeen vaststelbare gegevens. Geloof hoort, volgens die opvatting, dan ook thuis
achter de voordeur, in de private levenssfeer en moet zich verre houden van het publieke domein, het domein van de wetenschap.
Inmiddels leven wij in een post-moderne wereld,waarin allerlei oude, door het modernisme gepropageerde tegenstellingen zijn doorbroken. En toch, wanneer het gaat om de strikte scheiding tussen geloof en wetenschap, dan heeft het moderne denken nog niets van zijn aanspraken opgegeven.
 
J e z u s e n d e e v a n g e l i ë n : z o e k t o c h t n a a r d e h i s t o r i s c h e J e z u s
Eén van die terreinen waarop dit nog heel goed voelbaar is, is dat van de bijbelwetenschap. Wie bijvoorbeeld kennis neemt van de literatuur over de zogenaamde ‘historische Jezus’ (zeg maar: het onderzoek naar wie Jezus werkelijk was), wordt direct met dit dilemma geconfronteerd. Of je neemt je startpunt in het geloof en de kerkelijke theologie, die het getuigenis van de evangeliën aangaande Jezus voor waar houden. Of je kiest voor de wetenschappelijke benadering, maar dan kun je niet zondermeer uitgaan van de betrouwbaarheid van de evangeliën, en zul je op onafhankelijke gronden daarvan (als het ware achter de bijbeltekst) moeten vaststellen wie Jezus nu werkelijk is geweest. In dit denken, worden de Evangeliën bijna van meet af aan uitgeschakeld als historisch bruikbare documenten. Zij zouden tegenwoordig als propagandistisch worden gezien, omdat de opgevoerde feiten consequent vanuit een bepaalde interpretatie worden gepresenteerd, namelijk dat Jezus de beloofde Messias is, die Zijn volk heeft verlost van hun zonden.
Een zo op het oog onmogelijk dilemma; een dilemma dat velen in verlegenheid lijkt te brengen. Die verlegenheid is in elk geval voelbaar in bijvoorbeeld in het overigens stimulerende boek over de ethiek van het Nieuwe Testament van de ‘evangelical’ Allen Verhey. Geconfronteerd met de vraag in hoeverre de evangeliën de ‘echte’ Jezus presenteren, kiest (!) hij er tenslotte (heel veilig) voor om de evangeliën als bronnen uit het begin van de christelijke traditie te typeren. Of – als ik mag afgaan op verschillende recensies – neemt de paus in zijn recente boek over Jezus rigoureus afstand van de historisch-kritische benadering ten faveure van een geloofsmatige en kerkelijke benadering. Zo lijkt de boedelscheiding elke keer te worden bevestigd.
 
U i t w e g ?
Of is er een uitweg, waarin dit dilemma kan worden ontstegen? Ja, zo stelt Richard Bauckham heel nadrukkelijk in zijn boek Jesus and the Eyewitnessess, waarnaar ik in mijn vorige artikel verwees.noot1 Die uitweg is hierin gelegen, zoals de titel al aangeeft, wanneer de cruciale rol van het ooggetuigenis in het proces van de overlevering aangaande Jezus onder ogen wordt gezien.
Enerzijds omdat het ooggetuigenis nog steeds wordt gezien als een belangrijke bron van kennis – waarom zouden kranten zo’n uitgebreid netwerk van correspondenten in de wereld willen hebben? Anderzijds omdat juist de ooggetuige in staat is om de betekenis van hetgeen door hem of haar is waargenomen op zijn waarde te schatten. In het ooggetuigenis worden feit en interpretatie niet rigoureus van elkaar gescheiden, maar op een vruchtbare wijze verbonden, zonder dat aan één van beide wordt tekort gedaan.
 
O o g g e t u i g e n : b e l a n g i n d e O u d h e i d
Hoewel, volgens Bauckham, in de moderne geschiedschrijving de betekenis van het ooggetuigenis nauwelijks voldoende op waarde wordt geschat (men baseert zich veeleer op de literatuur, getuige het soms enorme notenapparaat), gold het in de oudheid als de bron voor betrouwbare geschiedschrijving; het kreeg de absolute voorkeur boven informatie uit schriftelijke bron. Belangrijke geschiedschrijvers als Lucianus, Thucydides of Polybius gaven daarin de toon aan. Elke geschiedschrijver uit die tijd pretendeerde dan ook (afgezien van het feit of hij dat wel of niet kon waarmaken) volgens die maatstaven zijn kennis te hebben getoetst. Bovendien gold voor Griekse en Romeinse historici niet de neutrale, onafhankelijke en afzijdige getuige als ideaal, maar juist degene die zelf ook was betrokken in de gebeurtenissen waarvan hij getuigenis aflegde. Zij waren, zo meenden zij, het best in staat om de gebeurtenissen op juiste wijze te interpreteren. In dat licht sluiten de Evangeliën bijna naadloos aan bij de contemporaine geschiedschrijving, in het bijzonder bij de zogenaamde bioi, beschrijvingen waarin het “leven en werken” van één persoon centraal stond.noot 2
 
O o g g e t u i g e n : h e t d à t e n h e t h ò e
Dat ooggetuigen een belangrijke rol hebben gespeeld wordt algemeen aangenomen. Ooggetuigen moeten aan de basis hebben gestaan van wat uiteindelijk in het evangelie is opgenomen. De vraag echter is, welke rol hebben deze ooggetuigen in het proces van de mondelinge overlevering gespeeld? Hebben zij slechts aan de basis gestaan, en is de overlevering daarna min of meer haar eigen weg gegaan? Maar wat is er dan onderweg gebeurd? Is de overlevering onveranderd doorgegeven, totdat zij haar schriftelijke neerslag in de evangeliën vond? Of is de overlevering aan een creatief proces onderworpen geweest en is wat wij in de evangeliën lezen niet zondermeer voor historisch aan te nemen? Intrigerende én indringende vragen, die direct raken aan de betrouwbaarheid van evangelisch getuigenis aangaande Jezus.
 
V o r m k r i t i e k
Een theorie die heel veel invloed heeft uitgeoefend in het denken over dit overleveringsproces is de zogenaamde ‘vormkritiek’ (Formkritik), een theorie van Duitse bodem, waaraan namen als Martin Dibelius en Rudolf Bultmann verbonden zijn. Waar gaat het om? Wie bijvoorbeeld het Evangelie van Markus leest, zal opvallen dat het is opgebouwd uit allerlei verschillende verhalen (later verdeeld in perikopen), waarin iets wordt verteld over Jezus. De vormkritiek veronderstelde nu dat deze verhaaleenheden oorspronkelijk als op zichzelf staande verhalen in de eerste christelijke gemeenschappen hebben gecirculeerd. Pas na een lang proces van mondelinge overlevering zouden deze verhalen door de verschillende evangelisten in hun evangeliën te boek zijn gesteld.
Nu is het heel goed voorstelbaar dat allerlei gebeurtenissen, zoals de storm op het meer of de genezing van Bartimeüs, al heel snel in allerlei christelijke gemeenschappen herhaalde malen werden verhaald – een inzicht dat Bauckham ook zeker niet zou willen bestrijden.
De vormkritiek stelde evenwel, naar vermeende analogie van de overlevering van volksverhalen, dat deze verhalen in de loop van de overlevering steeds meer aanpassingen hebben ondergaan, totdat de verschillende evangelisten deze uiteindelijk opnamen in het raamwerk van hun evangelie. Die aanpassingen vonden plaats met het oog op de verschillende contexten, waarin deze verhalen werden verteld (zgn. Sitz im Leben). De vormkritiek stelde zich tot taak dit overleveringsproces zo nauwkeurig mogelijk te traceren, om zo te kunnen vaststellen wat tot de zuivere kern (de zgn. Formen) en wat als een latere toevoeging moest worden beschouwd.
De gevolgen van deze opvattingen laten zich wel raden: allerlei zaken uit de evangeliën werden toegeschreven aan latere (kerkelijke) ontwikkelingen. Diverse ooggetuigen hadden dan wel aan de basis gestaan, maar hun rol was vrij snel uitgespeeld.noot3 De historische betrouwbaarheid van de evangeliën werd daarmee ernstig ondergraven. Het leverde een stroom aan bloedeloze commentaren op, waarin de exegeet als ware hij een archeoloog de verschillende afzettingslagen in het evangelie probeerde bloot te leggen. Ieder die wel eens een dergelijk commentaar heeft geraadpleegd, zal met toenemende verbazing (én irritatie) hebben kennisgenomen van de vaak volkomen willekeurige wijze waarop de bijbeltekst werd opgedeeld in allerlei traditielagen. Nu gaat het niet aan deze exegeten gebrek aan kennis te verwijten; het waren vaak zeer goed geschoolde vakwetenschappers met een enorme filologische kennis. Maar dat maakt het des te schrijnender hoe een theorie als die van de vormkritiek haar stempel wist te drukken en de bijbelwetenschap in een keurslijf heeft weten te persen. Het heeft mede de weg bereid naar een pluralistisch kerkbegrip, dat zich niet anders zag dan een legitieme voortzetting van de (creatieve, op de context gerichte) wijze waarop de eerste christelijke gemeenten met de overlevering omgingen.
 
 
Noten
1 Richard Bauckham, Jesus and the Eyewitnessess. The Gospels as Eyewitness Testimony, Grand Rapids 2006
2 Bauckham verwijst naar het belangrijke werk van de Zweed Samuel Byrskog, Story as History – History as Story. The Gospel Tradition in the Context of Ancient Oral History, Tübingen 2000; Leiden 2002 (repr.) Het is met name op dit werk dat Bauckham zijn these voortbouwt. Een belangrijk werk op dit terrein is ook Richard A. Burrigde, What Are the Gospels? A Comparison with Graeco-Roman Biography, Cambridge 1992.
3 Het ontlokte de theoloog Vincent Taylor de ironische opmerking:
“Als de vormkritici gelijk hebben, dan zouden de discipelen onmiddellijk na de Opstanding in de hemel zijn opgenomen.”