Terug naar Ecclesianet.nl

Getuigen van Christus in de nazi-tijd - Kaj Munk (II)

Dn H.KLINK, Hoornaar

Over het leven in de pastorie van Vedersö laat Kaj Munk zich in zijn preken en artikelen nogal eens uit. Hij was bepaald scheutig met het ophalen van herinneringen en het doorgeven van anekdotes. Ze verschaffen ons een aardige inkijk in het domineesleven dat Kaj Munk leidde.

We willen in dit artikel de predikant proberen te volgen in zijn gang door de gemeente en daarbij enkele belevenissen die hij aan het grote publiek toevertrouwde naar voren brengen. Vooral voor predikanten zal er veel zijn wat herkenbaar is - ook nadat inmiddels meer dan een halve eeuw verstreken is.

Van kandidaat tot predikant

In het vorige nummer zagen we reeds dat Kaj Munk een man was die hield van het leven - in het bijzonder van het eenvoudige leven op het platteland. Het is dan ook een zegen geweest dat hij in 1924 als predikant van de gemeente Vedersö bevestigd kon worden. Hoe het een en ander toeging, vertelt ons Kaj Munk zelf in de zomer van 1935, toen hij inmiddels 12 jaar predikant was. Met een zekere zelfspot merkt hij op: "Een jaar of twaalf geleden zaten twee theologische studenten op het mooiste plekje in Denemarken, en wel de Regens.1) Ze praatten over Kierkegaard ..." Beide studenten hadden veel begrip voor de ongezouten kritiek die Kierkegaard in de vorige eeuw gegeven had op

manier waarop men in Denemarken predikant werd. Munk tekent aan: "Als je het met elkaar eens bent, komt er een eind aan de discussie, dan gaat er wat men zo noemt "een dominee voorbij". Toen die dominee dan voorbijgegaan was, zei de ene van de twee beeldenstormers: "Ik zag overigens vandaag in het Kristeligt Dagblad, dat Vedersö voor de vierde keer vacant is."

"Waar is dat?" vroeg de ander "Een dorpje in West-Jutland van zevenhonderd inwoners."

"En West-Jutland?"

"Dat is een stuk van Denemarken, zo mooi, dat je er geen begrip van hebt: zee en duinen, meren en fjorden, beekjes en heide en vruchtbare bouwgrond, ouderwets gelovige, gastvrije mensen, de zon heel hoog boven wijde verten, de vogels trekken er overheen en de wind zwijgt er nooit..."

De ander zat er een beetje over na te denken, toen vertrok hij naar dat sprookjesland, preekte op de eerste januari in een oude, mooie dorpskerk voor een voltallige gemeente, die aandachtig luisterde en werd de 15e april door koning Christiaan aangesteld als predikant te Vedersö in het bisdom Ribe in Jutland."

Voor de jonge Kaj Munk was de overgang van het studentenleven naar het leven in de pastorie bijzonder groot: "Het kwam er nu niet meer op aan over het Christendom te filosoferen, maar ernaar te leven. (...) Je worstelde niet langer met je eigen moeilijkheden; neen, nu moest je aan die van anderen denken en hen op weg helpen, hen onverdroten bemoedigen, hen met tact in het rechte spoor leiden."

De Goede Herder en de gemeente van Vedersö

In de laatste woorden die ik van Munk aanhaalde, bespeuren we het hart van een predikant die naast prediker ook een herder van de gemeente is. En inderdaad Kaj Munk was een man met een groot invoelend vermogen. Dat maakte hem tot een ware pastor van het volk, dat aan hem was toebetrouwd. In voor- en tegenspoed leefde hij intens mee met de eenvoudige bevolking van Vedersö. Zijn dichterlijk gemoed maakte dat hij als weinig anderen voor de mooie kant van het leven oog had. Wat maakte het zien ervan hem bij tijd en wijlen gelukkig! Toch was er ook een andere kant. Meer dan anderen stond Kaj Munk open voor het felle van het leven - ook in zijn afgrondelijkheid. Leed, schuld, onrecht, ziekte en dergelijke grepen hem zeer aan. Het geloof dat hij in Christus had, hield hem - men proeft het aan zijn preken -evenwel staande. En het hield hem fris. Door zich te laven aan Christus en aan de Bijbel droogde de dichterlijke bron niet op, maar werd ze in hem tot een bron van levend water.

Kaj Munk had het hart van een pastor. De typering die als een gemeenplaats kan aandoen, verdient het om letterlijk opgevat te worden. Ds. Munk was een herder voor de gemeente. Dat hield in dat hij de gemeente als geheel - dg bewoners van Jutland, het volk van Denemarken wilde scharen onder de hoede van Christus, de' Goede Herder. Wat dat inhield maakt een van zijn preken die hij in Vedersö hield duidelijk. De preek vormt een fraaie illustratie van de directe manier waarop Munk met zijn gemeente omging en haar het Woord van God voorhield: fris en indringend tegelijk. Het is de moeite waard om er een enkel gedeelte uit aan te halen, omdat Kaj Munk in deze preek zoals zo vaak het geval was, wars blijkt te zijn van een algemeen soort christendom, dat de daad niet bij het woord voegt. Hij wenste de gemeente van Christus hier op aarde, voor zover dat mogelijk is, heilig te hebben - door de geloofsbetrokkenheid op de rijkdom van het Evangelie. In voor iedereen verstaanbare woorden maakte hij dat aan het eenvoudige publiek van Vedersö duidelijk. Daarbij schroomde hij het niet woorden in de mond te nemen, die bepaald niet overkomen als kanseltaal.

Munk begint zijn preek, die hij in 1927 hield, met op te merken dat het vanzelfsprekend is dat de Goede Herder Jezus Christus zelf is. Maar, zo vraagt hij zich af, wie zijn de schapen? "Dat zijn niet de mensen, die het zich gezellig maken bij een kopje koffie en Gods (Woord, en die van zichzelf denken dat zij heel erg Gode welbehagelijk zijn. Maar dat zijn aan de andere kant ook niet de mensen, die het er op een marktdag eens flink van nemen en zich stomdronken drinken en die dan vloekend en vol vuile praatjes naar huis rijden en toch prompt zonder zich te generen de volgende zondag in de kerk zitten. De kudde van de Goede Herder, dat is niet de jeugd, die met een angst voor de zonde, die een Christen onwaardig is, doodsbenauwd is voor een vrolijk lied en een genoeglijk dansje; maar dat zijn evenmin de jonge meisjes, die tegen middernacht naar de een of andere danspartij dweilen om zich daar in een of ander misbruikt dorpslokaal, totdat het zondagmorgen al weer licht wordt, door halfdronken kerels te laten gebruiken. De kudde van de Goede Herder, dat zijn niet de mensen, die hun hoofd scheef opzij, met een zoetelijke stem zitten te praten en die geloven dat zij zelf verlost zijn, maar de hele wereld verloren is; maar dat zijn ook niet de mensen, voor wie het grootste en hoogste genoegen is om kaart te spelen en te dobbelen en die daarmee een allerslechtst voorbeeld geven aan hun eigen knechten, met hun armoedig maandloon."

Even later merkt Munk op dat hijzelf ook als zondaar tegenover God staat, om te vervolgen: "En zo zeg ik dan: tot de kudde van de Goede Herder te behoren, dat legt verplichtingen op; in Gods huis te komen en tot Gods gemeente te behoren, dat legt verplichtingen op. Voor u, volwassen mannen, moest het nu eindelijk eens duidelijk worden dat we in een beschaafde tijd zijn komen te leven, zodat het voor mannen werkelijk onwaardig is, zich dronken te drinken, te vloeken en kaart te spelen voor geld. En gij moeders met jonge dochters, als die meisjes eens willen gaan dansen, laat ze dan met vreugde gaan, overal naar toe, waar u weet dat het behoorlijk toegaat en bidt tot Jezus, die zelf ook van vrolijkheid en feestelijkheid hield, dat zij een goede avond mogen hebben; maar als zij ergens naar toe willen gaan, waarvan u argwaan hebt, dat het er minder zuiver toegaat, doet dan, wat u kunt, om ze daarvandaan te houden. En als er nu iemand in de kerk zit, die zich verkneutert en denkt: 'wat krijgen ze er weer heerlijk van langs', dan kan hij zich schamen, want u moet niet naar de kerk gaan, om over uw naaste te oordelen, maar om over uzelf te oordelen en door God geoordeeld te worden.

Geliefde gemeente van Vedersö ik houd zoveel van u, veel meer dan ik ooit dacht, en ik ben ook maar zwak, ik weet dikwijls niet, wat er goed is en wat er verkeerd is. Maar ik geloof, dat Paulus gelijk heeft, wanneer hij zegt: niemand bedriege zichzelf. En ik weet, dat Jezus de vruchten van het geloof wil zien en ook zal moeten zien. (...) Wij mogen over niemand de staf breken; er is geen zonde zo groot, of Gods genade is nog groter. Maar al die kleine zondetjes zijn erger en gevaarlijker dan de enkele grote zonde. De vloed sleept de drek mee en reinigt zo het water, maar al die kleine plassen maken van de aarde een zuur moeras."

Ds. Munk eindigt heel mooi met een prachtige verwijzing naar de Goede Herder en hij doet een beroep op het christelijke eergevoel van de mensen in Vedersö om hun trouw aan Degene die zijn leven voor zijn schapen gaf, te bewijzen. Indringend wijst hij op de wolf, die eens komt in de vorm van de dood: "ook tot u en mij zal de wolf komen, dat is zeker. Waarom zouden we ons daar dan niet op voorbereiden? De dwaas doet dat niet; maar u en ik, laat ons de Goede Herder volgen. Dan krijgt de dood een heel ander aanzien; want voor hem, die tot de kudde van de Goede Herder behoort, voor hem is daar de dood zacht en goed. Daar is de dood de deur naar de schaapskooi, naar het paradijs van Gods engelen; daar zullen wij de Vader kennen en daar zullen wij door Hem gekend worden, van aangezicht tot aangezicht. En groter geluk bestaat er niet."

Kaj Munks beslistheid

Duidelijk is dat ds. Munk grote moeite had met een onevenwichtig en halfslachtig "christenleven". Men krijgt de indruk dat zijn clementie met mensen, die zorgen en moeiten hadden, ook over hun gebreken en zonden, groot was, maar dat hij recht door zee was waar hij onwaarachtigheid en gemeenheid tegen kwam.

Dat ook Kaj Munk tegen de grenzen van zijn overredingskracht en tegen de weerbarstigheid van de zonde aanliep, bewijst wel het feit dat hij in 1926 uit de gemeente wegvlucht - naar Berlijn. Hij hield het niet vol - het vermanen en terecht wijzen, zonder al te veel resultaat. Het bracht hem ertoe om de wijk te nemen - voorgoed zo dacht hij aanvankelijk. Totdat het hem een jaar later duidelijk werd dat hij geroepen was om daar predikant te zijn. Zo bracht God hem in Vedersö terug. Hij werd er met open armen ontvangen. Met pasen 1927 hield hij er zijn eerste preek. Het moge duidelijk zijn dat deze zinnen vrij makkelijk opgeschreven worden, terwijl datgene wat ze tot uitdrukking brengen, voor de betrokkene een zeer moeilijke weg geweest moet zijn.

Wat moet hij overigens blij geweest zijn toen hij de gemeente na een jaar weer toe kon spreken. Zijn beslistheid om op te komen voor de zaak van Christus was er overigens niet minder op geworden. In de preek vertelt hij de gemeente dat hij in het stadje Nakskov in Laaland in conflict geraakt was met werklui die zich blasfemisch uitlieten over het christelijke geloof. Het was de dag van Goede Vrijdag. Een man bestond het om de kruisigingsgeschiedenis te betitelen als een roversgeschiedenis. Munk wees hem in ronde bewoordingen op het feit dat hij eenjaar later wel eens door ziekte verteerd op zijn sterfbed zou kunnen liggen - met pijn in zijn lichaam en met onvrede in zijn ziel starend in de gapende duisternis van de dood. "Er kwam", aldus de predikant, "angst in zijn blik, toen ik dat zei, en de vloeken bestierven hem in de mond."

Een uitzonderlijke gebeurtenis

Kaj Munk maakte zo nu en dan, zoals dat geldt voor bijkans elke predikant, in zijn gemeente uitzonderlijke dingen mee. Zo waren de laatste dagen van september 1924 enerverend voor de inwoners van het kustdorp. Twee levenloze lichamen van een man en een vrouw spoelden aan op het strand. In Vedersö werden ze met eerbied begraven, mede door toedoen van Kaj Munk. Hij leidde de begrafenis. In de korte toespraak stond hij stil bij de reis die de beide mensen hadden willen ondernemen, en die uitliep op de reis over de grens van het leven heen "in het nog nimmer door enig levend mens betreden land van de dood." "Hadden zij", zo vervolgt de predikant, "van familie en vrienden afscheid genomen met een: Tot weerzien, en: Veel genoegen, en: Goede reis? Ach dat werd een zeldzame reis en met het weerzien duurt het langer, dan zij hadden gedacht." Aan het slot van de preek herinnert de pastor aan de diepte van de zee, die verzwelgt en aan de hoogte van de hemel, waarin God opheft, degene die zich overgeeft aan Hem ook al verkeert men moederziel alleen op volle zee in het aangezicht van de dood. Hij herinnert aan die God, "Wiens almacht alomtegenwoordig is, en Wiens gemeente over heel de wijde aarde is verbreid, ook hier te Vedersö. Hij besluit, terwijl hij de onbekende doden toespreekt: "die gemeente is het, die thans u, broeder en zuster, een blijde opstanding wenst, om Jezus' wil."

Het leven in de pastorie van VedersöIn de zomer van 1935 werd Kaj Munk door de redactie van het blad "Hus og Frue" {Huis en vrouw) gevraagd om in vier achtereenvolgende afleveringen iets te schrijven over hemzelf en de gemeente van Vedersö. "Dat betekent dus", aldus de schrijver, die aan het verzoek voldoet, "... dat ik veel vertellen moet, zonder iets te zeggen". Ook al geeft Kaj Munk aan dat hij moeilijk "neen" kon zeggen omdat het een vriend was, die het hem vroeg, ontkomt men niet aan de indruk dat hij met een zeker plezier de stukjes geschreven heeft. Hij schildert het dorp Vedersö en de zee, waarlangs een wandeling de vermoeide predikant steeds weer goed doet. Hij beschrijft hoe de pastorie gelegen is, hoe de tuin eruit ziet, waar de heide begint, "de golvende heide, met het guitig-witte zand van de zand vers tui vingen en met de sombere ernst van de erica. In die eenzaamheid sprak God." Ook in de kerk heeft God gesproken; Kaj Munk laat de lezer weten dat hij nergens zozeer Gods spreken ervoer als "wanneer hij twee mensenkinderen mag huwen of als hij een klein kind doopt, of de mensen zegent met het geheim van het Heilig Avondmaal". Hij schrijft over zijn vrouw, en vier kinderen, van wie hij zielsveel houdt, altijd met een zekere vrees voor de dood, die onverwacht kan komen.

Het wakker worden op zondagmorgen, op een zomerse dag; het zich wassen met het frisse water; het begroet worden door de honden; de gang naar de kerk; het koffiedrinken in de pastorietuin; het doorbrengen in het schoon van de schepping op zondagmiddag -Munk vertelt er naar hartenlust over en schildert een zeer idyllisch tafereel, alsof het leven een feest is. Maar schijn bedriegt. Dat weet ook de pastor. Vandaar dat hij erop laat volgen: "Lieflijk nietwaar, idylle, louter idylle. Maar u had ook een gewone werkdag kunnen uitkiezen om naar zo'n dorp in West Jutland te komen, in het najaar bijvoorbeeld, of in de winter." De lezer had dan de predikant kunnen vergezellen als hij "tegen een geweldige wind op moet tornen, die je door merg en been gaat en die zo ongezond is - om zo een huis te bereiken langs een weg, waar geen Ford kan komen. Om dan een kamer in te gaan, "die vol staat met rook" en waarin maar liefst zeven, acht kinderen bij elkaar zitten en een hoestende vrouw, met van koorts glanzende ogen vertrouwt u toe, dat ze haar morgen komen halen, dat betekent: naar het sanatorium. En dominee bidt wat met haar en gaat dan weer weg, precies zo leeg en ellendig als toen hij kwam. Hij wankelt in het stormweer van het ene huis naar het andere, huizen door de zonde geschonden, huizen door ziekte bezocht, huizen waar de dood heeft getri-umfeerd. En ginds vocht iemand tegen de voorschotbank, totdat hij geen andere uitweg zag dan de dood. (...) En dan komt er een huis waar een vrouw nu al tien jaar verlamd op haar stoel zit. Die nieuwe boerderij daar vertelt van brandstichting met moord, en die daar van oplichterij en tuchthuisstraf, en die daar van moord in dronkenschap en de volgende misschien van bloedschande. Voor de fjord komt het dreunend geluid van ijs dat tegen de kust opschuurt, de fjord waar er verleden jaar nog een verdronken is." Zo gaat de predikant nog even door, om dan te besluiten: "En de storm giert die dominee als een waanzinnige tegemoet, en de sneeuw jaagt in zijn gezicht. Hij kan niet meer voor- of achteruit, en daarom tornt hij maar  omhoog, totdat hij voor de deur staat van zijn kerk. Sterk en stevig heeft Waldemar de Grote2) zijn godshuizen hier te lande gebouwd, laat de storm er maar omheen en tegenaan razen, de granieten muren blijven wel staan. Hierbinnen is de stilte tussen de windstoten wonderlijk diep, en rustig-verzekerd van haar triomf." De uitkomst van al de misère die Munk getekend heeft, vindt hij in deze kerk. Hij rondt zijn beschrijving af met de woorden: "In het mystieke schemerlicht treedt het altaarbeeld3) die door de sneeuw verblinde, die wankelend vermoeide, die verkilde ziel tegemoet. Daar zit Hij, tussen Judas de verrader en Thomas en al die mensen die er niets van begrepen -daar zit Hij en deelt het brood uit en de wijn, zo rustig als iemand maar zijn kan, die weet waarheen Hij zijn kudde leidt."

1. Een oud complex van honderd vrije studentenwoningen in het hart van Kopenhagen, ingesteld bij koninklijk legaat.

2. Naar hem is de kerk in Vedersö genoemd.

3. De Deense kerk is luthers.