Terug naar Ecclesianet.nl

Getuigen van Christus in de nazi-tijd - Kaj Munk (I)

Dr. H. KLINK, Hoornaar

Vorig jaar heb ik enkele artikelen in ons blad gewijd aan de figuur van Dietrich Bonhoeffer die in de tijd van de nazi's in Duitsland opviel door zijn christelijke en moedige houding.

Gelukkig waren er in Duitsland en daarbuiten meerdere predikanten van hetzelfde kaliber als hij. Predikanten en theologen die niet schroomden om met gevaar voor eigen leven te protesteren tegen Hitlers misdadige regime. De eer van de kerk was gemoeid met het al dan niet zich verzetten tegen de duivelse politiek die Hitler bedreef. Bonhoeffer heeft dat zo aangevoeld. Zijn strijd tegen het Hitler-regime gold hem als een roeping.

Als geen ander werd ook de Deense predikant Kaj Munk tijdens de oorlogsjaren door dit besef gedreven. Over hem willen we in een aantal artikelen de lezer het een en ander doorgeven. In deze eerste bijdrage wil ik stilstaan bij Kaj Munks jeugd en studentenjaren en bij zijn komst naar zijn eerste en enige gemeente: Vedersö, gelegen in Jutland.

In dit dorpje aan de westkust van Denemarken, midden in Jutland heeft Kaj Munk als predikant de kerk gediend van 1924 tot zijn gewelddadige dood in 1944.

Wie was Kaj Munk?

Kaj Munk was een zeer begaafd predikant, die gekenmerkt werd door een grote liefde tot de doorgaans eenvoudige bevolking die zijn gemeente telde. Uit liefde tot de gewone man wist hij in zijn preken op ontroerende wijze tonen aan te slaan, die het hart van de medemens raakten - en die ook de hedendaagse, veelal verzakelijkte mens, nog steeds op een weldadige manier vermogen te treffen. Vedersö mag tot haar trots melding maken van het feit dat deze predikant jarenlang aan haar verbonden was en dat het zijn hartstocht was om de boodschap van Christus handen en voeten te geven in het leven van alle dag, zonder ooit de grootse contouren en wereldwijde strekking van het Evangelie uit het oog te verliezen.

Naast predikant was Kaj Munk een begaafd dichter en schrijver. In de artikelen die volgen, hoop ik meer dan eens de Deense predikant aan het woord te laten zodat de lezer direct in aanraking komt met de boeiende verteltrant die Kaj Munk eigen was. In enkele bijdragen voor kranten en tijdschriften, alsook in zijn preken is Kaj Munk scheutig met het verhalen van zijn eigen levensgeschiedenis en zijn belevenissen als dorpspredikant. Soms merkt de lezer er de afstand van enkele tientallen jaren in, maar meestal is dat niet het geval: zonder opsmuk, maar met smaak weet Kaj Munk ons allerlei voorvallen op te diepen - op een wijze die onderhoudend, maar tegelijk in de ware zin van het woord stichtend is. Altijd weer schrijft hij namelijk vanuit een levensecht christelijk perspectief.

Munks dichterlijke aanleg verschafte hem een ingang tot het Evangelie die authentiek en verfrissend aandoet. Zij maakte hem wars van een dogmatische of scholastische benadering van de Schriften. Zijn invoelend vermogen maakte hem ontvankelijk voor de historische context, voor de setting van het Evangelie. Daardoor weet hij situaties die in het Evangelie voorkomen levendig te schetsen en ze te plaatsen in het raam van het alledaagse leven. Het grote voordeel hiervan is dat het Evangelie zelf door middel van zijn preken zeer herkenbaar wordt en deel uit gaat maken van ons leven hier en nu.

Natuurlijk valt er door kritische geesten wel wat af te dingen op het theologische gehalte van sommige van Kaj Munks preken en artikelen. Desalniettemin valt het de lezer die zich de moeite getroost om aandachtig te lezen op dat in de makkelijk leesbare stof, gedachten voorkomen, die zeer diep en verhelderend werken, met betrekking tot de allerdiepste geloofsge-heimen.

Kaj Munks benadering van de Schrift maakte hem ontvankelijk voor het vuur van het Evangelie, waardoor hij zelf, overeenkomstig de vermaning van de apostel Paulus vurig van geest was, met name op.die momenten dat de waardigheid van het christenleven en de eerbied voor Gods schepping in het geding was. In het bijzonder de preken die hij in de oorlog hield, maar ook preken waarin hij het Deense volk de spiegel voorhield, liegen er in dit opzicht niet om. Uiteindelijk is hem deze moed in menselijke zin fataal geworden.

Kaj Munks jonge jaren

De vroege jeugd van de predikant-dichter is verre van eenvoudig geweest. Geboren op 13 januari 1898 in Maribo, bracht hij zijn jeugd door op Laaland, op het eiland Seeland.

Zoals bekend bestaat Denemarken uit drie gedeelten -het "vasteland" Jutland, en de eilanden Funen en Seeland (Groenland niet meegerekend). Gemakkelijk vervoer was er in de jaren van Kajs jeugd zeker niet. Vooral de plattelandsbevolking leefde tamelijk geïsoleerd. Lieden uit een andere streek, ook al waren het Denen, werden min of meer als vreemdelingen beschouwd. Naast het platteland was er natuurlijk ook nog de hoofdstad Kopenhagen, het hart van Denemarken, waar de koning woonde, waar de universiteiten bezocht werden en waar het zaken- en cultureel leven zich afspeelde, Kaj Munk werd dus groot op het Deense platteland. De liefde tot het eenvoudige platteland, die hij in deze periode opdeed zou hij nooit meer verloochenen. We stipten aan dat de jeugd van Kaj Munk niet eenvoudig

was. Zoals dat vroeger dikwijls voorkwam, verloor hij op heel jonge leeftijd zijn vader en zijn moeder. Nog geen twee jaar was hij, toen zijn vader, Carl Immanuel Petersen overleed. Enkele jaren daarna, Kaj was toen vijfjaar, volgde zijn moeder, Mathilde Petersen haar overleden man.

Met ontroerende eenvoud vertelt hij later: "Hoe klein ik ook was, toch had mijn eerste moeder mij iets geleerd, dat ik misschien nooit heb vergeten, iets waaruit ik ook nu nog elke dag leef: elke avond voor mijn grote kinderogen zich sloten, vouwde zij haar handen om de mijne samen, liet mij een versje opzeggen en besloot dan met: 'goedenacht vader, goedenacht God en Jezus en alle heilige engeltjes'. En zo wist ik al toen ik vijf jaar was, dat wij mensen met alles wat ons dierbaar is in twee werelden thuis zijn; daarboven was vader, hierbeneden was moeder, en ik zelf was dus zowel daar als hier." De jonge, tengere Kaj werd opgenomen in het gezin van een nicht van zijn moeder, die samen met haar man een kleine boerderij had een eindje buiten Maribo.

In een preek blikt de predikant terug op deze periode. De preek is gehouden naar aanleiding van het overlijden van zijn tweede moeder. Teruggekomen van de begrafenis houdt hij haar in de kerk van Vedersö, temidden van de mensen, die ook door zijn moeder vaak waren bezocht, als zij en haar man logeerden in de pastorie

Hij vertelt hoe hij nadat hij opgenomen was in het gezin als vanzelf de naam van zijn eerste moeder in zijn avondgebed opnam: "Goede nacht vader, goede nacht moeder, lieve God en Jezus en alle engeltjes." Bij zijn tweede moeder had hij het goed. Na verloop van tijd bracht hij het op om zijn tante "moeder" te noemen. Dat ging niet zonder slag of stoot. "De doden verloochen je niet", zo stelt hij. Zijn tante drong er nooit op aan dat hij haar de erenaam van "moeder" zou geven. Dat het zover kwam, had een oorzaak. "Met kerstmis werd het mij zo warm om het hart, dat ik plotseling uitriep: 'u hebt zo'n fijne boom voor me gemaakt, nu zal ik u maar moeder noemen.' En zo had ik weer een moeder. Wat was zij goed voor mij."

In dezelfde preek schetst Kaj Munk de betekenis van zijn moeder voor zijn hele leven. Hij kenschetst haar als een levenslustige, sterke vrouw, met een grote wilskracht en met een diep geloof. Zij was aangeraakt door de binnenkerkelijke opwekkingsbeweging, die in Denemarken de "Indre Mission" wordt genoemd. Deze beweging die een piëtistisch stempel draagt, werd in de vorige eeuw in gang gezet door Vilhelm Beek (1829-1901). Beek was een man die ten tijde van het Reveil uit innerlijke overtuiging het ingezonken geloof in de Deense staatskerk wilde verlevendigen, zonder de kerk ontrouw te worden. Wezenlijke zaken als een levend geloof, een waarachtige bekering en een leven in dankbaarheid voor de verlossing die in Christus geboden werd, vormden een vast repertoire in zijn prediking. Zijn invloed was met name op het platteland erg groot. Tot in onze tijd is de "Indre Mission" in Denemarken een begrip en nog steeds weten de oudere Denen dat de mensen van de "Indre Mission", zoals een Deense mevrouw me vertelde, enigszins "zwaar op de hand zijn".

Ook Kaj Munks moeder was beïnvloed door deze beweging. Ondanks het feit dat Munk zich in sommige preken nog wel eens kritisch uitlaat over de "Indre Mission", vanwege de individualistische inslag, is hij vol lof over zijn moeder en haar opgeruimde geloofsleven, dat juist in tijden van ziekte en nood op een weldadige manier zijn kracht bewees.

Van haar, zo vertelt hij in de aangehaalde preek, leerde hij dat het christendom niet alleen uit woorden bestaat> maar ook uit de daad! De invloed van zijn moeder op haar aangenomen kind moet wat dat betreft heel groot geweest zijn. Ook voor Kaj Munk zelf was een christendom zonder de daad, een contradictio in terminis.

Zijn moeder was een vrouw die gekenmerkt werd door een diepe ernst, maar tegelijk door een groot Godsvertrouwen, zodat de herinnering aan het "ouderlijk" huis er een was van blijdschap en vreugde: "Alles wat met God te maken had, herinner ik mij nu als iets feestelijks en gezegends, ons psalmgezang op Kerstavond met vaders lievelingspsalm voorop: "Bloeiend als een rozentuin", de bijeenkomsten in het lokaal van de Indre Mission of de bijeenkomsten van de Lutherse zending bij de mensen thuis, waar ik als klein jongetje van negen, tien jaar kwam (...) de kerkgang op zondagmorgen, als de zon feestelijk scheen over de rijke akkers van Laaland. Dan was het welhaast of de leeuweriken meezongen in het koor "Prijs de Heer, want Hij is goed en Zijn goedertierenheid is tot in eeuwigheid".

Dat neemt niet weg dat zijn moeder heel goed wist, "dat God gestreng kon zijn. Haar leven lang hield zij pijn aan haar linkerbeen, waarin zij op vroege leeftijd t.b.c. had gekregen. Pijn, angst en slapeloze nachten heeft haar dat gekost. Het was haar overtuiging dat God er een bedoeling mee had. Kaj Munk vertelt: "En moeder had gelijk. Zij zou nooit die flinke heldhaftige vrouw geworden zijn, die zij was, als er geen beroep was gedaan op haar heldhaftigheid."

De keuze voor het predikantschap

De zorg voor de jonge Kaj moet bij zijn moeder groot geweest zijn. De gezondheidstoestand van de jongen liet veel te wensen over. De dokter hield er ernstig rekening mee dat de jongen niet oud zou worden. Dat viel mee - ook al bleef de tengere jongen te zwak om op het land te werken. Begaafd was hij wel. Een en ander bracht met zich mee, dat toen de tijd naderde dat er een keus voor de toekomst gemaakt moest worden, zijn moeder de weloverwogen beslissing nam dat de jonge Kaj moest gaan studeren.

Hij zou predikant worden. Een eenmaal genomen beslissing viel moeilijk terug te draaien in huize Munk (Kaj Munk zou heten naar zijn tweede ouders). Zowel moeder als vader getroostten zich veel moeite om hun zoon aan de universiteit in Kopenhagen te laten studeren. In 1917 trok hij naar de hoofdstad. Vader zorgde er door hard te werken voor dat het geld er kwam -zonder zich ooit met een woord over zijn zware taak te beklagen.

In Kopenhagen had de jonge student het goed. Ondanks een zekere aanleg tot zwaarmoedigheid, was Kaj Munk vrolijk van karakter. Met medestudenten kon hij goed overweg. Van thuis werd hem met de regelmaat van de klok allerlei goeds toegestuurd. Hij sloot vriendschap met Geismar, de bekende biograaf van Deense Sören Kierkegaard (1813-1856). De geniale filosoof/theoloog Kierkegaard was vanzelfsprekend "verplichte literatuur" voor elke zichzelf respecterende Deense student in de theologie. Er moet zeker affiniteit geweest zijn tussen Kaj Munk en de eveneens dichterlijke Kierkegaard.

Naast denker was Kierkegaard echter een criticaster van de Deense staatskerk. Met name in de laatste maanden van zijn korte leven uitte Kierkegaard vlijmscherpe kritiek op de Deense staatskerk - waarbij hij zoals Munk het later noemde "die ene keer toch wel minderwaardig protesteerde" tegen de kinderdoop.

Zo zag de student het in zijn Kopenhagense jaren nog niet. Samen met anderen nam hij, zo vertelt hij, op zondag zijn plaats in de kerk in en luisterde hij, aangespoord door Kierkegaard, hyperkritisch naar de preken van "de ambtenaar van de Koning" op de preekstoel. Van Geismar had hij kunnen leren en heeft hij wellicht geleerd om op dit punt afstand te nemen van Kierkegaard. Een artikel "Er wordt bij ïver een klein kind gedoopt", bewijst in ieder geval hoe intens Kaj Munk in zijn pastorietijd de bediening en de zegen van de kinderdoop ervoer.

Kaj Munks eerste preek

Na verloop vanjaren maakt Kaj Munk zich op om zelf predikant te worden. In het onbekende Vedersö, dat ver weg is, is een vacante plaats. De koning benoemt hem in dit dorp tot predikant.

En zo doet Kaj Munk in 1924 intrede in de gemeente die hij tot zijn dood zal blijven dienen. Daar houdt hij zijn eerste preken. Ze zullen ongetwijfeld in de trant gehouden zijn als zijn eerste preek die hij als student in 1919 op Laaland had gehouden. Wie deze eerste preek van Kaj Munk leest en zijn levensgeschiedenis kent, ziet er een soort program in voor zijn leven. De thema's waar hij in later jaren, met name in de oorlogsjaren steeds weer op terugkomt, vormen er een zeer wezenlijk bestanddeel van: zorg over Denemarken, de ernst van het Woord van God en de indringende analyse van de situatie waarin de kerk zich bevindt.

Het loont de moeite om enkele gedeelte uit deze preek gehouden over Lucas 19 : 41-48: "Jezus wenende over Jeruzalem" aan te halen. De jonge kandidaat trekt een parallel tussen het Jeruzalem in de tijd van Christus en het leven in Denemarken dat inmiddels aangeraakt was door het moderne leefpatroon. Zeer actueel tekent hij de situatie: "Jezus is op weg naar de hoofdstad. Laat ons dat beeld op ons eigen leven laten inwerken. Vlak voor Hem ligt die stad met haar vele torens, die oprijzen naar de hemel. Maar de spitsen van de kerktorens gaan bijkans schuil achter de zwarte rook van de fabrieken. Overal klinkt het lawaai van trams en fietsen en auto's, allen schijnen gegrepen door een koortsachtige onrust, die er als het ware letterlijk van getuigt dat deze mensen niet verstaan wat tot hun vrede dient." Later in de preek vat hij met het oog op de huidige situatie zijn gedachten als volgt samen: "Wat Jezus aanschouwt, dat is de grote desertie. De mensenmaatschappij huldigt officieel Zijn ideeën, maar in werkelijkheid zegt ze er 'bonjour' tegen. 'Och of gij verstond wat tot uw vrede dient', zucht Hij, maar die zucht wordt overschreeuwd door de triomfkreten der uitvinders: 'wij onderwerpen het universum aan ons met vliegmachines en dieselmotoren en luidsprekers.' 'Wat baat het een mens als hij de gehele wereld wint, maar zijn ziel er schade bij lijdt?', antwoord Hij. Maar niemand gelooft Hem. (...) En Jezus gaat de stad binnen en blijft bij de tempel staan, bij Zijn eigen kerk, en wat ziet Hij daar? Wrijvingen, ongeloof, het verketteren van anderen, zucht om anderen te oordelen, onmacht en twijfel..." (...) "Maar", zo vervolgt Kaj Munk, "als het dan toch nog zo zou zijn, dat ons vaderland zich ondanks alles omhoogwerkt, uit zijn uitgebluste staat - dan betekent dat, dat wij althans onze handen niet in de schoot mogen leggen; wij moeten de tijd opmerken, dat God naar ons omziet. Die tijd is vandaag. (...) Vandaag nog dienen wij berouw te hebben over onze zuurheid, halsstarrigheid, ongeloof, wilszwakte, achterklap - ieder bedenke, waaraan hij zich schuldig maakt! Vandaag is het, dat wij het leven moeten beginnen, dat een Christen past, daarbij biddend tot de Heer in den hoge, dat Hij ons recht genadig moge leren

'Te letten op der dagen tal
Ons door Uw wijsheid latend leiden.'

Kaj Munk besluit zijn preek met de opmerking: "Zo streng en nadrukkelijk heeft God mij geboden, vandaag in de kerk van Skovlaenge te spreken. Ik was daar niet blij mee. Het is altijd makkelijker, vooral voor een jong mens om de bekende snaren aan te roeren. Ook scheen het mij toe, dat ik te jong en onervaren was en al te vaak zelf tekort schoot en viel. Maar God heeft mij deze zware tekst gegeven, om daar mijn eerste preek omheen te bouwen en ik had te gehoorzamen - ik bad Hem mij te helpen en ik geloof en vertrouw, dat Hij mij Zijn woorden in de mond heeft gelegd."

En dan heet het bijna profetisch: "Zo schijnt het mij dan toe, dat wij voor ons land moeilijke tijden hebben te verwachten, voor ons land, dat onze God en onze vaderen ons deden beerven, tijden vol strijd, waarin het er om gaan zal, of ons land zal ondergaan in vergetelheid, een strijd tussen aan de ene kant de vijanden van buiten en de ondermijnende krachten van binnen, en aan de andere kant de gemeente van Christus' kerk, niet de Grundtvigianen en de hoogkerkelijken en de Inwendige Zending en hoe zij zich allemaal noemen, maar een groot leger, dat samenstroomt, omdat het zich door Christus' macht gegrepen weet. Niet op technische vooruitgang, op rijkdom, op wetten en hervormingen kan een staat bouwen; dat alles is op zichzelf slechts ijdelheid. Zo spreekt dan de Heer uw God vandaag door het woord van onze tekst: Niemand kan bestaan, tenzij hij zich Christus tot zijn koning kiest, of dat nu een enkeling is of een geheel volk. "Een ieder die Gods geest ontbeert moet sterven; want in Gods geest is slechts leven"."

Het is duidelijk: Vedersö ontvangt in 1924 in ds. Kaj Munk een bij belgetrouwe, begaafde en bewogen predikant, die zich het lot van de kerk en van zijn volk ten zeerste aantrekt. In een volgend artikel hoop ik stil te staan bij Kaj Munks werkzaamheid als predikant. Daarbij zal ik veel ontlenen aan een beschrijving

ervan gepubliceerd in een van de Deense weekbladen en geschreven door Kaj Munk zelf.