Terug naar Ecclesianet.nl

Kohlbrugge eindelijk op de kansel van de Ned. Hervormde kerk (II)

Dr. K. GROOT

Men zou willen vragen of het eigenlijk niet vanzelf sprak dat het eerste besluit voor Kohlbrugge niet meer kon gelden. Hij was nu belijdend lid en predikant van een gereformeerde Kerk, al was dat in het buitenland, die dezelfde belijdenisgeschriften aangenomen had als de Nederlandse Hervormde Kerk. Moest men hem dan toch op zijn belijdenis toetsen als hij hier te lande lid zou willen worden en daarbij onderzoek doen bij een ander kerkgenootschap dat hij nu al meer dan 20 jaar geleden om principiële redenen verlaten had?

Anders stond het met het tweede besluit. Het was niet twijfelachtig dat na verkregen consideratiën en adviezen van Nederlands Hervormde kerkelijke besturen, de voordracht van de Algemene Synodale Commissie niet gunstig zou zijn voor Kohlbrugge. Maar was het wel mogelijk, dat zowel het eerste als het tweede besluit op één en dezelfde persoon tegelijkertijd van toepassing kon zijn?

De Algemene Synode heeft zich in deze problemen niet al te zeer verdiept, maar gaf op 9 Juli 1851 zonder meer aan adressanten te kennen, dat zij geen redenen zag, waarom van de bepalingen, in genoemde besluiten op gezegde Predikant toepasselijk, zou worden afgeweken, weshalve het verzoek "werd gewezen van de hand".

Refererende aan het rekest uit Utrecht hadden nog drie groepen van Kohlbrugges vrienden uit andere plaatsen soortgelijke verzoeken aan de Synode kenbaar gemaakt; ze werden voor "notificatie aangenomen".

De wens van rekwestranten en van de mannen en vrouwen die achter hen stonden om eerherstel voor hun vriend en leermeester te verkrijgen ging dus niet in vervulling en het zag er voorlopig niet naar uit dat dit in nabije toekomst wel zou gebeuren. Toch geeft men de moed niet op. De vrienden houden aan hun ideaal vast en wachten slechts op gunstiger gelegenheid. Deze komt en misschien wel eerder en op andere wijze dan ze gedacht hadden.

Kohlbrugges te Elberfeld gehouden preken werden gedrukt en vonden ook de weg naar ons land. Ze worden hier door de vrienden vertaald, uitgegeven en verspreid, in grotere kring goed opgenomen en in een door gereformeerden graag gelezen periodiek gunstig beoordeeld. In 1853, het jaar waarin met goedkeuring van de koning de bisschoppelijke hiërarchie in ons land werd hersteld, werd nl. de "Dordsche Stemmen, tijdschrift ter bevordering van evangelieleer en geloofsleven, tot bestrijding van afgoderij, ongeloof en bijgeloof' opgericht.

"In den opgewekten strijd der beginselen over Kerk, School en Staat, dien wij thans beleven, en, te midden van velerlei dag-, week-, en maandbladen, die wij ontvangen, kan het nuttig geacht worden, dat zich nu en dan, met het oog op onze periodieke drukpers, op brochuren, als anderszins, ook eene Dordsche Stem doe hooren."

Aldus leidden de uitgevers het nieuwe blad in; om te vervolgen: "Te midden van al die stemmen, bladen en brochuren, achten wij dat de Dordsche Stemmen haar eigenaardig nut kunnen hebben, zoo ter verlevendiging van den goeden geest der vaderen, als ter verspreiding van licht en waarheid."

Reeds in de eerste jaargang van dit blad worden in dit orgaan de "Zeven Leerredenen over den Profeet Jona" van Kohlbrugge aangekondigd en weldra de inhoud daarvan prijzend besproken, waarna dan aan de lezers, in aansluiting aan de "Noodkreet bij den schijnbaren triumph in Nederland over de heerschappij van den Roomschen Paus" (Gorinchem 1853, zeer waarschijnlijk van de hand van J.L. Bernhardi), van het onrecht Kohlbrugge aangedaan, wordt gewag gemaakt. "Nadat men den voortreffelijken man en Christen, die zich aldus door onderscheidene geschriften nuttig maakt, door de lezing van dit boek heeft lee-ren achten en beminnen, moet het voorzeker een pijnlijken indruk verwekken, wanneer men uit de bovengenoemde Noodkreet verneemt, dat de man, die van de Herstelde Luthersche Kerk tot onze Gereformeerde Kerk wilde overgaan, én door den kerkenraad van Utrecht, én door de Synode is buiten gesloten, zoodat hij, om toch zijne roeping als predikant te volgen, waartoe hem in Nederland de pas was afgesneden, zich naar elders, naar Elberfeld, heeft moeten begeven. Intusschen behoudt hij in Nederland zijne warme vrienden en vereerders, die de zedelijke misdaad wraken, welke de Synode in het laatste ressort tegen den godvreezenden man gepleegd heeft." Letterlijk aangehaald wordt dan wat in de "Noodkreet" al gezegd werd: "Zoo heeft men dus tot op den huidigen dag alle pogingen aangewend, opdat het woord des levens in Nederland niet zoude gepredikt worden. Ja, zelfs het verzoek, dat uit verscheidene plaatsen hier te lande, nog geene twee jaren geleden, aan de Synode is opgezonden, om opheffing van bedoeld besluit tegen D. Kohlbrugge is hardnekkig van de hand gewezen; waardoor dus de Hervormde Kerk door geheel Nederland tot op het oogenblik bewezen heeft, dat zij het in deze zaak eens is met Rome: de verwerping van Jezus Christus." De aantekening door de schrijver van de "Noodkreet" hierbij gemaakt, wordt ook doorgegeven: "Immers wordt er op het oogenblik nog een schoolmeester vervolgd, omdat hij, overeenkomstig zijn pligt en geweten, den Bijbel op zijne school laat lezen. Dat geschiedt in Nederland.'1''

Ook bij bespreking van andere geschriften van de Elberfeldse prediker, zowel in de eerste jaargang van de Dordsche Stemmen als in latere, worden steeds weer de zaken betreffende Kohlbrugge aangeduid; er wordt een ingezonden brief uit Amsterdam over de kwestie in opgenomen; er verschijnt een groter artikel over "Dr. Kohlbrugge en Dr. Meyboom", dat als overdruk in 1854 apart verkrijgbaar wordt gesteld a 5 cents bij boekhandelaren in Amsterdam, Utrecht, Dordrecht, Gorinchem en Rotterdam, met een "Voorwoord gerigt aan alle Gereformeerden in Nederland". Ook andere gereformeerde bladen gaan zich met Kohlbrugge bemoeien.

Reeds de eerste uiteenzettingen in de Dordsche Stemmen vonden in bredere Hervormde kringen weerklank. Mogelijk in verband met de reacties van die publicatie neemt Mevrouw Boissevain-Drost de gelegenheid waar om direct bij het hoogste gezag - koning Willem UI zelf - de zaak van Kohlbrugges uitsluiting weer aanhangig te maken. Mogelijk ook in verband met de herleefde herinnering, dat in het conflict tussen de Hersteld Lutherse Gemeente te Amsterdam en haar proponent in 1827, enige leden van die gemeente om dreigende scheuring te voorkomen zich tot de koning gewend hadden met het aanvankelijk succes dat Willem I aan de gouverneur van Noord-Holland gelastte een commissie in te stellen om de zaak te regelen. In afwachting van een gunstige beslissing ten opzichte van Kohlbrugge bleef een scheuring in de gemeente achterwege; de gunstige beslissing bleef echter uit, omdat de Kohlbrugge goed gezinde gouverneur Van Tets minister werd en het werk van de commissie daardoor geen voortgang vond.

Kohlbrugge zelf had nl. deze herinnering aan 's Konings welwillendheid weer verlevendigd door in zijn juist in die tijd (1853) geschreven Levensschets de bemoeienis van de koning met zijn zaak aldus te vermelden: "Na eene audiëntie, welke de heer Kohlbrugge bij Z.M. Koning Willem I had, behaagde het den Koning zijne herstelling te willen, aan welken Koninklijken wil echter geen gevolg gegeven werd, hoezeer ook de toenmalige Gouverneur de Heer Staatsraad Van Tets daartoe raadde."

De meest voor de hand liggende reden voor mevrouw Boissevain om zich tot de Koning te wenden zal wel door het herstel van de bisschoppelijke hiërarchie in het leven geroepen Aprilbeweging van dat jaar geweest zijn. In haar brief aan Zijne Majesteit wijst ze op de verdeeldheid in ons land ontstaan, op de moeilijkheden waarvoor de Koning daardoor gesteld is, op het onrecht Kohlbrugge in ons land aangedaan en vraagt om een hernieuwd onderzoek in deze aangelegenheid.

Een week later doen de heren M. Westendorp en S. de Clercq een dergelijk verzoek aan de Koning. Deze heren ontvingen van de minister belast met het bestuur van het departement voor de zaken van de Hervormde Kerk (en Mevrouw Boissevain zal wel een zelfde bericht gekregen hebben) ten antwoord, dat de aangelegenheid een zuiver kerkelijke was en geen onderwerp van bemoeienis voor het gouvernement kon uitmaken.

In 1854 bij een bezoek van de Koning aan Utrecht heeft een commissie hem nog eens een verzoekschrift overgereikt om "de Synode te gelasten, dat zij het besluit tegen Dr. Kohlbrugge vernietige". Het is mij niet gebleken dat op dit rekest ooit antwoord gegeven is.

De verzoeken om eerherstel hebben dus voor de vrienden van Kohlbrugge niet anders dan teleurstelling opgeleverd en ze zullen wel geen andere weg gezien hebben om te bereiken wat zij en de predikant van de Nederlands Gereformeerde Gemeente in Elberfeld zo graag gewild hadden. De liefde voor de grote leermeester verkoelde echter bij de vrienden niet en men legde zich niet bij de feiten neer om over te gaan tot de orde van de dag. Men zon op andere middelen om iets voor de nog steeds in ons land miskende te kunnen doen. Men gooit het nu over een andere boeg. Men wil de kerkelijke instanties eenvoudig voor een fait accompli stellen door Kohlbrugge gewoonweg en zonder officiële toestemming van de hogere besturen in de Hervormde Kerk te laten preken. Daarvoor heeft men echter de medewerking van een kerkenraad die geen bezwaren oppert en van een predikant die de moed heeft zijn kansel af te staan, nodig, het zijn de heren Van Heumen te Delft, Kol en Vermeulen te Utrecht, die ten deze actief zijn. Zij bereiken echter hun doel niet en ook in dit opzicht blijft gewenst resultaat uit.

Totdat wederom een dame het initiatief neemt, zonder ruggespraak met anderen en weet door te zetten wat tot dusver niet bereikt kon worden. Het is Kohlbrugges schoondochter, Mathilde von Bode, die de predikant van Vianen weet over te halen, de uitge-bannene in een Zondagavonddienst te doen voorgaan.

Gerrit, de oudste zoon uit Kohlbrugges eerste huwelijk, was in 1830 te Utrecht geboren. Hij was gedoopt in de Geertekerk "ten overstaan van een onbesproken getuige", want vader en moeder waren geen lid van een kerkelijke gemeente. Na het huisonderwijs dat hij van zijn vader en een enkele onderwijzer ontvangen had, ging hij om zich te bekwamen voor een maatschappelijk beroep naar een landbouwschool in de buurt van Zwolle. Later trekt hij ook naar Duitsland en wordt daar opzichter op een landgoed. Hij trouwt in 1855 met Mathilde Henriette Beate Baronesse Von Bode en vestigt zich als zaakwaarnemer in Vianen, waar hem door bemiddeling van de heer E.H. Kol uit Utrecht het bestuur over de polders in de omgeving wordt opgedragen. Met zijn vrouw wordt hij lid van de Hervormde Kerk te Vianen, hun daar geboren kinderen worden er gedoopt; het gezin blijft te Vianen tot 1864.

Gerrit Kohlbrugge beheert daar ook de bezittingen van zijn vader in ons land, gaat daarbij echter te veel zijn eigen gang en luistert niet naar raadgevingen van Kol, die tot dusver altijd Kohlbrugges belangen met ijver behartigd heeft. Daarom gaat Kohlbrugge begin maart 1856 naar Vianen om eens met Gerrit te spreken. Mede door het verstandig optreden van Gerrits vrouw en door grote inschikkelijkheid van Kol worden de zaken geregeld - maar Kohlbrugge moest tot zijn ontsteltenis constateren dat zijn zoon ernstig geestelijk gestoord was en dat gaf hem groot verdriet. Hij komt dan ook gebroken en ziek weer in Elberfeld terug en is enige weken niet in staat zijn ambtswerk te doen.

De daarop volgende Pinksterdagen waren er veel gasten in de gemeente te Elberfeld; de Hollandse vrienden brachten graag de feestdagen in de omgeving van hun geliefde dominee door; ook het gezin uit Vianen was in het ouderlijk huis gelogeerd. Ongetwijfeld zullen twee zaken hier wel druk besproken zijn, nl. de pogingen juist in de voorafgaande tijd van hogerhand gedaan om de Niederlandisch Reformierte Gemeinde in de Evangelisch Reformierte Gemeinde te doen opgaan en de pogingen van de Hollandse vrienden om Kohlbrugge in de Nederlandse Hervormde Kerk te laten preken.

Over die eerste pogingen kan ik het volgende meedelen. Al in 1847 was er van regeringswege uit Berlijn een aanvraag bij de kerkenraad van de Reformierte Kirche, waar talrijke families en vervolgens ook Kohlbrugge (nog maar kort lid) uitgetreden waren, binnengekomen "of nu Krummacher (F.W.) weg was, zij geen weg en middel van wedervereniging wisten", aldus berichtte Kohlbrugge aan Boissevain en voegde hier aan toe: "wat daarop geantwoord is, weet ik niet." Nu, in het begin van 1856, hadden enige leden van de kerkenraad van de Evangelisch Reformierte Gemeinde te Elberfeld voor de vervulling van een predikantenvacature voorgesteld Dr. Kohlbrugge te beroepen. Men liet het echter niet tot een stemming komen en beriep een predikant uit een andere gemeente. "En zo ben ik met ere en gelukkig van iets af, dat nogal wat te bedenken zou hebben gegeven" was Kohlbrugges reactie. Maar "ervan af' was Kohlbrugge toch niet, want twee weken later kan zijn vrouw aan Kol te Utrecht schrijven: "Hier echter lijken er grote dingen in het verschiet. Vanuit Berlijn verlangt men de vereniging der beide gemeenten, om zo één geheel als gereformeerd lichaam het sterk om zich grijpend Lutherdom in Duitsland tegenover te staan. Het is nog een geheim dat door de President van de Oberkirchenrat en enige andere hooggestelde personen gewenst wordt, van de Koning zonder de minste aanleiding van onze zijde is uitgegaan. "En de volgende dag maakt Mevrouw Kohlbrugge in een brief naar Amsterdam aan de vrienden Boissevain met nog een belangrijke toevoeging melding van hetzelfde feit: "Verbeeld u dat ongezocht, ongedacht vanuit Berlijn den Koning en den Oberkirchenrat de wens van vereniging der 'beide gemeenten gekomen is. De agende weg, alles zoals wij het nu hebben. De Commissie is reeds benoemd en wordt iedere dag hier verwacht om tezamen te schikken."

De atmosfeer voor hereniging scheen wel gunstig. Want toen Kohlbrugge, weer een week later, van zijn vermeld reisje naar Vianen in Elberfeld terug was en niet kon preken, schreef zijn vrouw naar Amsterdam, dat de hulpprediker zijn diensten in de gemeente waarnam, maar dat pastor Künzel (van de Ev. Ref. Gemeinde) vriendelijk aangeboden had de dienst voor Kohlbrugge waar te nemen. Er waren blijkbaar'ook grote bezwaren. Mevrouw Kohlbrugge voegde nl. aan haar mededeling toe: "Hetgeen echter niet raadzaam zijn zoude, daar onze gemeente van niets weet en zeker hard opponeren zal."

Ik krijg uit de berichten over deze aangelegenheid van Kohlbrugge en zijn vrouw de indruk dat zij de vereniging van hun gemeente met de grote oude Gereformeerde Kerk ter plaatse wel heel graag gewild zouden hebben, maar dat ze bang waren voor allerlei strubbelingen van de kant van de leden van hun gemeente en onaangenaamheden van de zijde van kerkenraad en leden van de Evangelisch Reformierte Gemeinde, ja zelfs voor nieuwe scheuring. De hereniging heeft ook niet haar beslag gekregen, de zaak is langzamerhand doodgebloed. De komst van de regeringscommissaris uit Berlijn die zou bemiddelen, werd door omstandigheden enkele malen uitgesteld en toen deze kwam, bleek het toch niet mogelijk tot een voor beide partijen bevredigende oplossing te komen. Kon Mevrouw Kohlbrugge op 3 April nog berichten: "Intussen bereiden zich de zaken aan de kant van de ander gemeente lieflijk voor. Aan onze kant weet men nog niets en kan ik u niets aangenaams melden." Op 17 April schrijft zij: "Kohlbrugge heeft weer gepreekt. De kerkelijke zaken nemen hem ook veel tijd. Alle de conferenzen hebben nog niets reëels aangebracht. Men wil vurig de vereniging, maar brengt zo veel oude zuurdesem mede dat wij aan onze kant niet kunnen. De gemeente aan onze kant is vrij lijdelijk. God geve aan K. wijsheid en overmacht om getrouw te blijven. Ik verwacht geen brillante uitkomst, wellicht een grotere scheuring in de andere gemeente. De commissaris heeft niets uitgericht." In. dezelfde brief komt zij er nog eens op terug: "Van de kerkelijke zaken is alles stil. Ik denk en hoop en wens dat het er bij mag blijven. Satisfactie hebben wij genoeg en met de mensenslag omgaan is bijna onmogelijk als men er even de neus in heeft gestoken." En weer even verder: "De gemeente houdt zich goed in deze tijd, stil, lijdzaam, maar met bange vrees voor de vereniging."