Terug naar Ecclesianet.nl

Kohlbrugge eindelijk op de kansel van de Ned. Hervormde kerk (I)

Dr. K. GROOT

Hermann Friedrich Kohlbrugge, gepromoveerd tot doctor theologiae aan de Universiteit te Utrecht, is. nooit in Nederland predikant geweest, hoeveel pogingen daartoe, eerst door hemzelf en later door zijn vrienden, zijn aangewend.

Als kandidaat in de theologie en proponent werd hij in 1826 aangesteld tot hulpprediker bij de Hersteld Lutherse Gemeente te Amsterdam, waarvan hij belijdend lid was. Hoezeer zijn prediking door een groot deel van deze gemeente en door velen daarbuiten gewaardeerd werd, (de vrienden van de Amsterdamse Reveilkring waren graag onder zijn gehoor) - na negen maanden werd hij uit zijn ambt ontzet.

Kohlbrugge had zijn "eerste bekering" doorleefd. Na het verlies van zijn geloof uit de kinderjaren onder de bekoring van de Grieks-Romeinse ideeënwereld enerzijds, en mystiek dwepen met godsdienstige gevoelens en deugdzaamheidsidealen anderzijds - had hij eigen existentie schuldig bevonden voor God en ingezien dat er alleen maar redding voor hem en elk zondig mens was door volkomen overgave aan het barmhartig oordeel Gods in Christus. Hij meende toen echter dat hij met al zijn krachten had te streven naar vervulling van Gods wet en dat maakte hem tot een ijveraar die tegenover zichzelf en anderen van geen compromissen wilde weten. Als tekst voor zijn eerste preek had hij dan ook gekozen Rom. 13 : 12: De nacht is voorbijgegaan, de dag is nabij gekomen: laat ons dan afleggen de werken der duisternis en aandoen de wapenen des lichts. En boven zijn tweede preek over 1 Joh. 5:10 zette hij als opschrift: De triumf van de geest der wedergeboorte en des geloofs in de worstel-strijd tegen de wereld.
Zijn bekering had hem ook gemaakt tot een agressief vijand van de godsdienst der rede. "Bij ondervinding geleerd" zo vertelt hij zelf "dat de mens van nature een vijand en hater Gods is, dat hij dood is in zonden en ongerechtigheid, en dat hij, in stede van iets tot zijn bekering te kunnen toebrengen, zich zelven zolang tegen Gods hoogheid verzet tot dat de Almachtige hem te sterk wordt, was (ik) zeer gekant tegen de zogenaamde Godsdienst der rede". Toen hij nu op een Zondagmorgen in mei 1827 in zijn gemeente onder het gehoor van ds. Uckerman zat die preekte over Joh. 16:5-15, en "vanwege de belangrijkheid der stoffe zeer oplettend" was, hoorde hij tot zijn grote schrik voor het eerst een predikant der Hersteld Lutherse Gemeente in het openbaar de negatieve neologie in haar geheel voordragen. "De kerk ging uit, en dadelijk dacht ik den Predikant in de Kosterskamer te spreken, maar werd er door bijkomende omstandigheden in verhinderd". Hij dient dan een aanklacht tegen zijn collega in, wil ze niet herroepen en wordt daarom uiteindelijk ontslagen.

Kohlbrugge werpt zich dan met groot doorzettingsvermogen op de studie, promoveert in 1829, komt ook tot de overtuiging dat Calvijn de geloofstukken der predestinatie en der sacramenten meer naar de bedoeling van de Heilige Geest geinterpreteerd heeft dan de door hem toch steeds hoog geschatte Luther en wil nu met zijn jonge vrouw lid worden van de Hervormde Gemeente te Utrecht waar hij zich inmiddels gevestigd had. Dat lukte niet. De Kerk begeerde geen "uitvaagsel" en wilde "rust hebben", zoals de president van het provinciaal bestuur van Noord-Holland tegen Kohlbrugge zei. De hele procedure om het lidmaatschap tussen de liberale heren van de Kerkbesturen en Kohlbrugge was eigenlijk een botsing van de epigonen van de Verlichting met een stoer representant van het oudvaderlijk gereformeerd geloof: van fel "links" met zeer behoudend "rechts". Waarbij "links" er maar al te goed van doordrongen was, dat men het paard van Troje binnen zijn welbeschermde veste haalde, als men die geleerde, agressieve "duisterling uit de nachtschool van Bilderdijk" toeliet. Daarom ook had de Utrechtse kerkenraad bij wie de zaak aanhangig gemaakt was, van de converüet een bewijs van goed zedelijk gedrag in zijn vorige gemeente verlangd, wat het Hersteld Lutherse Kerkbestuur van Amsterdam nu juist, althans in de vereiste vorm, aan zijn afgezette hulpprediker niet geven kón. Het relaas van zijn wederwaardigheden met de kerkelijke besturen en de stukken betrekking hebbende op deze onverkwikkelijke en voor de Kerk smadelijke procedure heeft Kohlbrugge in 1833 uitgegeven onder de titel: "Het Lidmaatschap bij de Hervormde Gemeente hier te lande mij willekeurig belet". Daarin vindt men ook zijn agressieve uitspraak tegen de godsdienst der rede, boven geciteerd en wordt eveneens het gesprek dat Kohlbrugge had met de voorzitter van het Provinciaal Kerkbestuur weergegeven, waaruit ik een uitspraak aanhaalde. De feiten zoals Kohlbrugge ze in dit geschrift voorstelt heb ik voor zover ze de Utrechtse kerkenraad aangaan, bevestigd gevonden in de "Handelingen van de Kerkenraad van Utrecht" van die jaren. Het dikwijls vertelde verhaaltje, dat de bladzijden op Kohlbrugge betrekking hebbende uit het Notulenboek van de Utrechtse kerkenraad verwijderd zouden zijn, is een fabel!
De bezwaren die Kohlbrugge had tegen de inhoud van de preek van ds. Uckerman vindt men uitvoerig opgesomd in "Het Wel Eerwaarde Consistorie van de Hersteld Luthersche Gemeente te Amsterdam aan de leden derzelver gemeente" (Amsterdam, 1827), waarin men probeerde de rechtzinnigheid van ds. Uckerman te verdedigen..
Door de weigering van het lidmaatschap was voor Kohlbrugge ook de mogelijkheid predikant in de Hervormde Kerk te worden, definitief afgesneden.

In hetzelfde jaar 1833 trof Kohlbrugge ook het grote verdriet dat hij zijn vrouw moest missen. Ziek van alle tegenslag gaat hij tot herstel van gezondheid op reis en komt hij in het Wuppertal. Hij komt er in aanraking met de daar vanouds florerende gereformeerde kringen. Hij wordt uitgenodigd om in de Reformierte Landeskirche te preken en houdt er o.a. zijn befaamde "Gastpredigt" over Rom. 7 : 14. Tijdens de voorbereiding voor deze preek beleeft hij zijn tweede bekering door "de ontdekking van de komma" achter het woord vleselijk in zijn tekst. Van nu af aan weet hij dat alle zelfheiliging alleen maar tot eigengerechtigde vroomheid voert, dat het Christus is die ons rechtvaardigt èn heiligt en zal hij tot aan zijn dood niets anders dan het sola gratia verkondigen met een nadruk die vrome tegenstanders aanleiding geeft hem van antinomisme te beschuldigen. Dat deed hij ook toen hij weer in het vaderland terug was, in de daarop volgende twaalf ambteloze jaren in Utrecht, zonder kansel; hij verkondigde het nieuw verkregen geloofsinzicht aan allen die hem mondeling of schriftelijk om raad vroegen in geloofsaangelegenheden en aan ieder die naar hem luisteren wilde. Hij hertrouwde met Baronesse Van Verschuer, die hem een dochter schonk. Behalve aan zijn particulier herderlijk werk en uitgebreide correspondentie wijdde hij zich aan steeds voortgezette studie en aan de opvoeding van en het onderwijs aan zijn kinderen.

In mei 1845 is het weer nodig voor herstel van gezondheid zowel van Kohlbrugge als van zijn vrouw op reis te gaan; met hun dochtertje vertrekken ze uit Utrecht voor een langere kuur in Godesberg. Het oude huis in de Zuilenstraat wordt gesloten om er niet weer in terug te keren. Het was te groot geworden voor het kleine gezin nu de beide zoons uit het eerst huwelijk elders hun opleiding kregen; bovendien had "een inval van ongedierte" uit een aangrenzend huis de familie Kohlbrugge min of meer gedreven hun koffers te pakken.
Na enige tijd van "Erholung" zet Kohlbrugge dan in Godesberg eigenlijk hetzelfde leven voort dat hij de laatste twaalf jaar in Utrecht geleid had. Door contacten met bevriende families uit Elberfeld die eveneens in Godesberg logeerden, wordt hij er toe gebracht hun kinderen godsdienstonderwijs te geven en huiselijke Andachten te gaan houden; tevens wordt de briefwisseling met de verspreide leden van zijn "gemeente" in het vaderland voortgezet. Totdat men hem vraagt naar Wuppertal te komen, waar hij in 1833 al een 16-tal preken in de Reformierte Kirche gehouden heeft en de overheid hem daarna het preekverbod oplegde, hoofdzakelijk om de Union-en Agenda-kwestie; men hield niet ten onrechte Kohlbrugge voor een tegenstander van Union en Agenda, ofschoon hij meende dat het voor menig verlicht predikant niet kwaad zou zijn als hij zich wat meer hield aan de voorgeschreven formulieren en gebeden.

Nu zou hij dan in Wuppertal als buitenkerkelijk herder de verstrooide schapen die om de kerkelijke kwesties van de Reformierte Gemeinde vervreemd geraakt waren, om zich verzamelen. Kohlbrugge, de felle tegenstander van afscheiding, heeft lang geaarzeld, maar tenslotte aan de wens gevolg gegeven, in de hoop de van de Kerk vervreemden weer tot de gemeente terug te kunnen voeren en de Kerk haar vrijheid te kunnen doen behouden. Men accepteerde hem als lid van de Reformierte Kirche, maar het consistorie liet hem alleen staan met zijn idealen en verlangens. Waartoe dit leidde is bekend. Met koninklijke toestemming werd een nieuwe gereformeerde gemeente naast de bestaande gesticht en Kohlbrugge werd van de eerste de officiële predikant. Dat was zijn bedoeling niet geweest, maar hij aanvaardde de loop der dingen. Hij voelde zich echter niet verplicht bij deze gemeente te blijven. Kohlbrugge had op het oog om de licentiaat Meier uit de school van Wichelhaus te Halle, met wie hij in connectie stond, blijvend aan de nieuwe gemeente te verbinden, zodat hij zelf weldra naar Nederland zou kunnen terugkeren. Op de dag dat Meier naar Elberfeld zou komen, waarschijnlijk voorlopig als hulpprediker van de Niederlandisch Reformierte Gemeinde, stierf deze echter.

Kohlbrugge die zich zo fel tegen de Afscheiding van 1834 in eigen land gekant had, is tot aan zijn dood de pastor van deze aparte gemeente gebleven. Daarvoor zij te dezer plaatse slechts opgemerkt,1) dat de Nederlandse regering in 1834 de daad van afscheiding als rebellie beschouwde. Dat heeft de Pruisische regering ten opzichte van de malcontenten in Elberfeld niet gedaan. Ze had integendeel haar goedkeuring gegeven aan de opzet dat de te vormen nevengemeente zich niet aan de door de staat gewenste ker-korde en liturgie zou houden. De nevenkerk gold als "gleichberechtigt" naast de Evangelisch Reformierte Kirche. Aan het slot van zijn preek bij zijn 25-jarig ambtsjubileum getuigde Kohlbrugge echter: "Ik heb mij waarlijk niet willen afzonderen, zo weinig, dat ik thans nog niet de evangelisch-gereformeerde kerk kan voorbij gaan, zonder in mijn hart het gevoel te hebben: daar heb ik ook eens gepreekt in het jaar 1833, daar behoor ik eigenlijk thuis. Maar de Here heeft het anders geleid en ik ben er mede tevreden. De Here heeft gezegd: gij zult mijn prediker zijn, laat hen tot u wederkeren, gij zult tot hen niet wederkeren."

De intieme vrienden in Nederland wisten wel dat Kohlbrugge zich in den vreemde niet geheel op zijn plaats gevoelde en dat met name zijn vrouw en dochtertje sterk naar het vaderland terug verlangden. Nu Kohlbrugge geordend predikant van een buitenlandse gereformeerde gemeente geworden was (op 9 mei 1848), was het bezwaar van het hem hier te lande belette lidmaatschap vervallen om in een Nederlandse gemeente voor te gaan. In dezelfde maand Mei nog verzocht H.J.A. Boissevain te Amsterdam aan Dr. Bernard ter Haar, toen predikant aldaar, een preekbeurt aan Ds. Kohlbrugge af te willen staan. Ter Haar antwoordde dat de voorzitter van de huishoudelijke commissie van de kerkenraad hiertegen bezwaar maakte, maar dat hij zou zien wat hij doen kon.2) Het komt mij voor dat B. ter Haar, toen nog predikant te Amsterdam, voor het door Boissevain voorgestelde plan nu niet bepaald enthousiast was en het bij de welwillende eerste reactie op diens verzoek gelaten heeft.

Toch was de vriendschap van Ter Haar met Kohlbrugge van oudere datum dan die van de Boissevains. H.J.A. Boissevain heeft Kohlbrugge waarschijnlijk leren kennen in de Amsterdamse Reveilkring, waarmee Kohlbrugge vóór zijn breuk met Da Costa in 1833 nauw contact gehad had; de latere mevrouw Boissevain, mejuffrouw Petronella Drost, stelde zich vanuit haar woonplaats Delft schriftelijk met de ambteloze Kohlbrugge in Utrecht in verbinding om opheldering te verkrijgen over eigen godsdienstig denken en leven. Deze vriendschap is hecht gebleven tot aan hun dood. Veel hebben de heer en mevrouw Boissevain voor hun weldra "in verbanning" levende vriend gedaan, ze hebben jaar in jaar uit met hem meegeleefd in alle vreugde en nog meer verdriet die hem te beurt vielen en hem steeds ook als hun vriend en geestelijke vader beschouwd. Kohlbrugge heeft in deze vriendschap grote steun gevonden en het echtpaar in al zijn wel en wee mee laten leven bij persoonlijke ontmoetingen en in geregelde briefwisseling.

Anders was het met de verhouding Kohlbrugge-Ter Haar. Uit.de jeugdgedichten van de eerste weten we hoe geestdriftig Frits Kohlbrugge zijn vriend Bernard als medestudent aan het Atheneum te Amsterdam begroette. Maar ook is aangetoond dat Ter Haar later een wat gereserveerde houding tegenover de outsider Kohlbrugge aannam.3) De laatste heeft zijn hartelijke vriendschapsgevoelens voor zijn jeugdvriend nooit verloochend.

Het zal voor de heer Boissevain een teleurstelling geweest zijn dat Ds. Ter Haar zo weinig geestdriftig geweest was om zijn zo listig gedacht plan te helpen volvoeren om hun beider vriend op de kansel in Amsterdam te krijgen en een hernieuwde poging daartoe wordt dan ook niet gedaan. Maar blijkbaar meent de familie Boissevain dat Kohlbrugge nu in zijn nieuwe staat ook beroepbaar in ons land is. Want drie jaar later vraagt Mevrouw - haar man was lid van de Waalse Gemeente en daarom minder gerechtigd - bij een weldra te vervullen vacature in haar woonplaats aan Ds. Muntendam om medewerking ten einde Kohlbrugge beroepen te krijgen. Hoe Ds. Muntendam daarop gereageerd heeft is mij niet bekend. In elk geval leverde ook deze poging niet het gewenste resultaat.

Ook in Utrecht was een vriendenkring dié zich ten opzichte van Kohlbrugge niet onbetuigd liet. Daar woonden behalve de bankier E.H. Kol, die kort voor het vertrek naar Duitsland met Kohlbrugge een vriendschap gesloten had die tot aan de dood zou voortduren, nog andere intimi, waarvan de archivaris Vermeulen, de pedel van de Universiteit Jansen en J.L. Bernhardi de voor Kohlbrugge actieve woordvoerders waren. Deze heren zijn meer ter zake kundig en weten maar al te goed, dat het zo zonder meer niet mogelijk is hun geachte vriend en leermeester in de Vaderlandse Kerk beroepen te krijgen! Zij weten, dat er twee synodale besluiten zijn die dat konden bemoeilijken.

Deze heren deden nu in 1851 een eerste poging bij de Algemene Synode van de Hervormde Kerk om voor Kohlbrugge eerherstel te verkrijgen. Zij verzochten:

1. het Synodaal Besluit van 21 Juli 1830 op Kohlbrugge niet toe te passen.

Dit besluit luidde: "De Algemene Synode der Hervormde Kerk in het Koninkrijk der Nederlanden heeft goedgevonden en verstaan al de kerkeraden onder haar ressort aan te schrijven om geen personen, die eenige kerkelijke bediening bij een ander kerkgenootschap bekleeden of bekleed hebben, tot de belijdenis des geloofs bij onze gemeente toe te laten, dan nadat het Provinciaal Kerkbestuur onder welks ressort zoodanig persoon tijdens zijn bediening gewoond heeft, onderzoek gedaan hebben naar zijn gehouden zedelijk gedrag, gedurende dat tijdvak, en aan de gemeente, bij welke hij zich heeft aangegeven, verklaard zal hebben geen zwarigheid tegen deszelfs toelating tot het lidmaatschap bij onze gemeente te vinden; alles onverminderd en behoudens de bepalingen nader vast te stellen omtrent het aannemen van gewone lidmaten tot ander kerkgenootschappen voorheen behoord hebbende." Het was genomen in de tijd dat Kohlbrugge in Utrecht om opname in de Hervormde Kerk verzocht had en men hem om een bewijs van goed zedelijk gedrag van zijn vroegere gemeente gevraagd had, wat de Hersteld Lutherse Kerk te Amsterdam aan de afgezette proponent niet had willen geven, omdat dit in hun gemeente "geen gebruik" was.
2. om het besluit van 10 Juli 1845 op Kohlbrugge van geen toepassing te verklaren.

Dit besluit was genomen tot ampliatie van artikel 57 van het Reglement op de vacaturen en werd genomen om het beroepen van buitenlandse predikanten "te bemoeijelijken" en hield in dat werd vastgelegd "ten aanzien van buitenlanders, die, aan eene der Nederlandsche Hoogescholen gestudeerd hebbende, tot het Kerkelijk examen wenschen te worden toegelaten, van de Algemeene Synodale Commissie, na deswege van Kerkelijke besturen consideratiën en adviezen te hebben ingewonnen, eene nadere voordragt in te wachten".

1. Voor uitvoeriger beschouwing hierover moet ik verwijzen naar mijn Kohlbrugge en Kuyper, Baam 1956.

2. Het documentatiemateriaal van de pogingen om Kohlbrugge in ons Jand op de kansel te krijgen, vindt men bijeengebracht in mijn artikel Kohlbrugges moeilijke weg naar de kansel van de Ned. Herv. Kerk, dat in het "Nederlands Archief voor Kerkgeschiedenis" is verschenen.

3. Men zie mijn Kohlbrugge in en uit zijn gedichten, Wageningen, 1953