Terug naar Ecclesianet.nl

Joan Jacob Gobius du Sart (1818-1894) (II)

Drs. M. DEN ADMIRANT, 's Gravenhage

Anno 1859 werd in Friesland een jonge dominee voor de duur van vier weken in zijn bediening geschorst. Wat was zijn vergrijp geweest? Hij had geweigerd in zijn gemeente evangelische gezangen te laten zingen! De predikant om wie het ging, was ds. G.J. Gobius du Sart van St. Jansga en Delfstrahuizen. Later stond hij in Arnemuiden, waar hij in 1865, nog geen 33 jaar oud, overleed.

Jeugd en studietijd
Gregorius Joan Gobius du Sart werd op 6 juni 1832 te Nigtevecht geboren als tiende kind en tweede zoon van ds. Joan Frederik Gobius du Sart en Willemina van Kouwen. Na zijn schooljaren koos hij in navolging van zijn veertien jaar oudere broer Joan Jacob voor de theologische studie. Op 12 september 1851 werd hij te Utrecht ingeschreven als student in de godgeleerdheid. De theologische faculteit had toen nog dezelfde hoogleraren als in de tijd dat Joan Jacob in de Domstad studeerde: HJ. Roijaards (in 1854 opgevolgd door Bernard ter Haar), H. Bouman en H.E. Vinke.

Naar we mogen aannemen nam de jonge Gobius in zijn studietijd reeds kennis van de geschriften van Kohlbrugge. Van zijn in Elberfeld wonende zusters zal hij wel het een en ander over de Niederlandisch-refor-mierte Gemeinde en haar pastor hebben vernomen. Een feit is dat hij in 1857 met Kohlbrugge correspondeerde. Zijn verloofde, jonkvrouwe Maria Wilhelmina Schorer, die in Middelburg woonde, onderhield al sinds 1854 een briefwisseling met de Elberfeldse pastor.

Toen G.J. Gobius du Sart in 1857 als jong kandidaat zijn eerste preek hield in aanwezigheid van hoogleraren, schaarde hij zich openlijk aan de zijde van Kohlbrugge. Het was, zo merkte hij op, de zonde van Nederland dat men deze man Gods de kansel in de vaderlandse Hervormde Kerk had geweigerd (intussen had Kohlbrugge op 29 juni 1856 te Vianen gepreekt).

Op 25 april 1857 werd Gobius door het provinciaal kerkbestuur van Gelderland toegelaten tot de evangeliebediening. Niet lang daarna, op 9 juni, bracht de hervormde gemeente van St. Jansga en Delfstrahuizen een beroep op hem uit. Opmerkelijk is wat Gobius in een brief van 25 juni 1857 aan Kohlbrugge schrijft: "zoo heb ik dan aan U te danken leven, vrouw en eene gemeente om Jezus Christus' wil".

St. Jansga en Delfstrahuizen
De gemeente van St. Jansga ca., in de jaren 1844-'48 gediend door ds. Joan Jacob Gobius du Sart, was in 1856 vacant geworden door het vertrek van ds. Charles John Bryce naar Vreeland. Tijdens zijn tweejarig verblijf in St. Jansga was deze predikant tot bekering gekomen, aldus dr. G.A. Wumkes in zijn boek over het Friese Reveil. Nadat hij op een zondag in Delfstrahuizen had gepreekt, merkte Bryce dat een boer in de bank bleef zitten. De predikant informeerde naar de reden. Het openhartige antwoord was: "Om tegen u te zeggen, dominee, dat het vanmorgen met uw preek niet in de haak was. U hebt ons niet het Evangelie verkondigd"' Ds. Bryce was na deze terechtwijzing niet op zijn gemak. Enkele dagen later had hij een gesprek met de boer. Dit leidde ertoe dat hij sindsdien het Evangelie naar de Schrift verkondigde1).

Zondag 4 oktober 1857 werd kandidaat G. J. Gobius du Sart door zijn broer als predikant van St. Jansga en Delfstrahuizen bevestigd met een preek over 1 Tim. 1 : 15-17. In de middag dienst aanvaardde hij zijn ambt, predikende naar aanleiding van Ez. 3 : 17-21.

Ruim zeven maanden na zijn komst in St. Jansga trad hij op 19 mei 1858 te Middelburg in het huwelijk met jonkvrouwe Maria Wilhelmina Schorer. Hun eerste kind, een zoon, die Joan Willem Frederik werd genoemd, aanschouwde op 28 januari 1860 het levenslicht.

Blijkens de (door de predikant geschreven) kerkenraadsnotulen kwam in de vergadering van oktober 1858 voor het eerst het zingen van evangelische gezangen ter sprake. Sommige leden vonden dat de hand moest worden gehouden aan een voorschrift van de provinciale synode van Friesland, in elke kerkdienst tenminste één gezang op te geven, zelfs "al zong daarna noch kerkeraad noch leeraar". Ds. Gobius du Sart was het hiermee niet eens. Indien de kerken-raad deze liederen niet met stichting, d.w.z. ter ere Gods en Zijn Gezalfde kon zingen, dan mochten ze ook niet aan anderen worden opgegeven. De discussie erover werd besloten nadat een van de broeders had opgemerkt dat "geene moeijelijkheid ons zal aangedaan worden van een hoger kerkelijk bestuur".

Deze optimistische verwachting bleek echter niet juist. In de vergadering van 5 april 1859 deelde ds. Gobius du Sart mee dat van het classicaal bestuur van Heerenveen een missive was ontvangen aangaande het niet zingen van evangelische gezangen bij de godsdienstoefening. Als preses van de kerkenraad had de predikant alvast een stuk opgesteld ter beantwoording van de brief. In een tiental punten wordt daarin uiteengezet waarom niet kan worden voldaan aan de wens van het classicaal bestuur, in elke kerkdienst een gezang op te geven. De algemene reglementen van de Hervormde kerk bevatten geen enkele bepaling waarin dit wordt voorgeschreven. Provinciale besluiten vervallen als ze in strijd zijn met algemeen synodale besluiten. Bovendien behoort geen enkel gewetens-dwang te worden opgelegd, zodat gemeenteleden ook niet gedwongen kunnen worden evangelische gezangen mee te zingen. Als de gemeente ze niet wil zingen en er niet toe kan worden gedwongen, zou het dwaasheid zijn wanneer de voorganger toch een gezang zou opgeven. De voorgangers in de Nederlandse Hervormde Kerk hebben de vrijheid de bundel Evangelische Gezangen al dan niet te gebruiken. Tot slot wordt gesteld dat de kerkenraad van St. Jansga en Delfstrahuizen liefde en eendracht, stichting en gemeenschappelijk gezang der gemeente op het oog heeft.

Hoewel alle vijf ouderlingen en alle vijf diakenen instemden met het door ds. Gobius du Sart opgestelde stuk, verklaarden zij zich toch tegen toezending ervan aan het classicaal bestuur. Ze vonden dat de predikant weer evangelische gezangen moest opgeven. Ds. Gobius du Sart zei dit graag te willen doen, mits de kerkenraad de gezangen ook zou meezingen. Slechts een drietal leden was hiertoe bereid. Ds. Gobius verklaarde dat hij geen gewetens wilde dwingen, maar ouderlingen en diakenen hielden voet bij stuk: de predikant moest weer gezangen opgeven, terwijl de ker-kenraadsleden vrij waren ze al of niet mee te zingen. Ook ds. Gobius du Sart bleef bij zijn standpunt: hij wilde een gezangvers opgeven onder voorwaarde dat het door de kerkenraad zou worden meegezongen. Er bestond dus een duidelijk verschil van mening tussen de predikant enerzijds en ouderlingen en diakenen aan de ander kant. Ds. Gobius du Sart gaf verder te kennen dat de brief van het classicaal bestuur ondanks de bezwaren van de overige kerkenraad sleden niet onbeantwoord kon blijven.

Schorsing
De weigering van ds. Gobius du Sart was voor het classicaal bestuur reden voor een tuchtmaatregel. Op 6 december 1859 deelde de predikant de kerkenraad mee, een schrijven van dit bestuur te hebben ontvangen, waarbij hij voor de tijd van vier weken, ingaande 2 januari 1860, in zijn bediening werd geschorst. Ds. Gobius du Sart liet weten dat hij ook vóó
r die datum niet in de openbare godsdienstoefening zou optreden.

Spoedig nadat hij einde januari 1860 zijn werkzaamheden had hervat, kwam er wederom een schrijven van het classicaal bestuur binnen, waarin werd gevraagd of ds. Gobius "in zijne willekeurige handelwijze" bleef volharden. In de op 6 maart gehouden vergadering van de kerkenraad las de predikant eerst deze brief voor en daarna het plakkaat waarbij indertijd de evangelische gezangen aan de gemeente waren opgedrongen. Hij merkte op dat dit plakkaat niet meer verbindend was en dan ook niet werd genoemd in het nieuwe kerkelijke reglement van 1852. Ds. Gobius du Sart voegde hier nog aan toe dat de christelijke vrijheid van de gemeente niet behoort te worden prijsgegeven voor ogenblikkelijke rust en voordeel. Aangezien de classicale brief hem persoonlijk raakte, vroeg en verkreeg hij verlof, de vergadering te verlaten, "opdat de mannenbroeders vrijelijk konden beraadslagen om dusdanig antwoord aan het Klassicaal Bestuur te geven als hunlieden goeddacht".

In de notulen van de kerkenraad wordt verder niet meer van de gezangenkwestie gerept. Maar ze had nog een vervolg. Ds. Gobius werd namelijk opnieuw aangeklaagd, omdat hij bleef weigeren gezangen te laten zingen. Toen de zaak in augustus 1860 in beroep diende bij het provinciaal kerkbestuur van Friesland, stelde deze instantie vast dat de weigering in strijd was met de verordening van de provinciale synode gehouden te Harüngen in 1808. Toch werd besloten de predikant niet verder te vervolgen, omdat het twijfelachtig was of de vroegere bepalingen, die niet in de nieuwe kerkelijke wetgeving waren opgenomen, alsnog van verbindende kracht waren. Na de beraadslagingen hierover staakten de stemmen, waardoor de beslissing ten gunste van ds. Gobius du Sart uitviel.

De zaak had inmiddels ook buiten Friesland bekendheid gekregen. In het Kerkelijk Tijdschrift, orgaan van de vereniging van vrienden der Waarheid in Zuid-Holland, schreef ds. S.H. Buytendijk dat hij, hoewel geen verdediger van gezangen, de handelwijze van zijn collega in St. Jansga betreurde. Dit lokte een scherpe reactie uit van de Utrechtse lekentheoloog J.L. Bernhardi, die het voor zijn vriend ds. Gobius du Sart opnam.

In de zomer van 1861 aanvaarde ds. Gobius du Sart een beroep naar Arnemuiden. Na een vierjarige ambtsbediening in 'St. Jansga en Delfstrahuizen hield hij op zondag 6 oktober 1861 zijn afscheidspreek naar aanleiding van Jes. 40 : 8b: "Het woord onzes Gods bestaat in der eeuwigheid". Weldra vertrok het domineesgezin naar Arnemuiden, niet ver van Middelburg, waar mevrouw Gobius du Sart-Schorer vóór haar huwelijk had gewoond.

Arnemuiden
Arnemuiden, eens een bloeiende handelsstad, was in het midden van de negentiende eeuw een kwijnende vissersplaats. Van de ruim 1500 inwoners vond ongeveer twee derde een sober bestaan in de visserij. Bijna de gehele bevolking was hervormd. In de tijd dat dis. H. Haesebroeck in Arnemuiden stond (van 1843 tot 1855) liep het kerkbezoek sterk terug, blijkbaar uit onvrede over zijn prediking. Met goedvinden van de kerkenraad stelde de kerkvoogdij het kerkge-«
-' bouw beschikbaar voor diensten van afgescheiden dominees. Tijdens de vierjarige ambtsbediening van ds. J. van der Meulen (1857-'61) kwam er verbetering in de situatie. Deze predikant stichtte de gemeente door zijn leer en wandel. In 1858 werd in de plaats van de oude kruiskerk een nieuw bedehuis in gebruik genomen. Ds. Van der Meulen vertrok in 1861 naar Lollum. Ds. Gobius du Sart volgde hem in Arnemuiden op.

Zondag 20 oktober 1861 werd hij bevestigd, ook ditmaal door zijn broer, ds. J.J. Gobius du Sart (Raamsdonk), die preekte over Lukas 14: 21-24. In de namiddagdienst nam de nieuwe predikant de herdersstaf op met een preek over Jes. 40 : 6-8.

Kerkenraadsnotulen uit de tijd van ds. Gobius du Sart ontbreken helaas. Dankzij enkele andere bronnen zijn we echter niet verstoken van informatie over zijn ambtsbediening in Arnemuiden. Al spoedig na zijn komst begon ds. Gobius met het afleggen van huisbezoeken. Hij vertelt erover in een brief van 21 november 1861 aan vrienden in St. Jansga: "De ben nu druk aan het huisbezoek en ik moet zeggen dat Arnemuiden wel bij de mensen maar niet bij God veracht is. Er woont hier een arm en ellendig volk, waar de eigen-gerechtigheid niet wonen kan, omdat de Heere Zich aan hen betoont als een God, geweldig in het strijden. Wat mij zeer verwonderde en verkwikte'bij het vernemen, was dat door sterk aanraden van de kerkeraad Vermeulen, de vorige predikant (bedoeld is ds. J. van der Meulen, dA) is gedrongen geworden, om de gezangen niet meer af te geven. En is het ook geen wonder, dat ik zulks eerst heb moeten vernemen al reeds hier zijnde? Zo doet God boven bidden en denken en laat niet varen de werken Zijner handen"2).

Uit ander bronnen blijkt dat ds. Gobius in de gemeente zeer gezien was, zowel vanwege zijn prediking als om zijn levenswandel. Als hij preekte, was de kerk vol. Het gebeurde vaak dat stoelen en banken uit de consistorie werden bijgezet en ook dan moesten sommigen met staanplaatsen genoegen nemen. Geliefd was de predikant ook om zijn beminnelijk karakter en zijn milddadigheid. Hij leefde mee met het wel en wee van zijn gemeenteleden. De armen onder hen voorzag hij op onbekrompen wijze van liefdega-ven en nooit deed de diaconie tevergeefs op hem een beroep3).

Van ds. Gobius' preken zijn er na zijn dood zeven in druk verschenen en zo aan de vergetelheid onttrokken. Naar de vorm dragen deze "leerredenen" het stempel van de tijd waarin ze werden gehouden. Waar mogelijk, is de tekst in enkele punten verdeeld. Inhoud en strekking van de preken zijn ingesteld op de geestelijke nood en vragen van de mens en afgestemd op een bijbels-reformatorische theologie. In alle leerredenen klinkt duidelijk het abc van de Heidelberger Catechismus door, zo karakteriseerde dr. J. de Bruijn deze preken eens4).

Heel duidelijk is ds. Gobius du Sart over het verband tussen rechtvaardigmaking en heiliging. In een van zijn preken zegt hij daarover: "Moet ik mij erop toeleggen door mijn werken, dat ik heilig voor God zij, waar blijft dan mijn rust? ... Zo ik dit zelf in meerdere of minder mate moet doen, waar blijft dan de gehele verzekering van mijn zaligheid, waar blijft de rust, die overig is voor Gods volk? Moet ik geheel in alle stukken rechtvaardig zijn voor God, dan moet ik ook geheel en al in alle stukken heilig zijn, want de heiligheid behoort evenzeer onder de eigenschappen Gods als de rechtvaardigheid. En daarom houden wij met hand en tand dat woord van de Apostel vast, dat wij lezen in 1 Cor. 1: 30: Hij, Christus, is ons geworden wijsheid van God, rechtvaardigheid, heiligmaking en verlossing"5).

Gedurende zijn verblijf in Arnemuiden ontving ds. Gobius du Sart tal van beroepen waarvoor hij bedankte: in december 1864 en januari 1865 bijvoorbeeld voor Nijkerk o/d Veluwe, Harderwijk, Oldebroek, Scheveningen en Bleskensgraaf. "Hij schijnt aan dat Arnemuiden vastgenageld te zitten", schreef J.L. Bernhardi in het begin van 1865 aan een vriend in St. Jansga.

Toen volgde in april 1865 een beroep van Oud-Beijerland, welke gemeente vacant was geworden door het vertrek van ds. H.W.A. Verhoeff naar Scheveningen. Voor dit beroep kon ds. Gobius du Sart niet bedanken; kort nadat het was uitgebracht, nam hij het aan.

Levenseinde
De gemeente van Oud-Beijerland zou hij echter nimmer dienen. Maandag 29 mei 1861 overleed ds. Gregorius Joan Gobius du Sart, nog geen 33 jaar oud, een weduwe met vier jonge kinderen achterlatend. Op de zondagen 14 en 21 mei had hij nog gepreekt over Matth. 18:1-6, resp. Luk 12: 54-59. Ook op donderdag 25 mei, Hemelvaartsdag, besteeg hij nog de kansel, hoewel toen al ernstig ziek. In een brief aan J.L. Bernhardi heeft mevrouw Gobius du Sart-Schorer na de dood van haar man iets over diens levenseinde medegedeeld. Reeds de gehele winter had zijn gesteldheid te wensen overgelaten, zulks als gevolg van vele bezoeken aan personen die aan een toen heersende keelziekte leden. In mei 1865 braken ook de pokken uit. "Men had de onmenselijkheid de arme Gobius bij een meisje te ontbieden, dat aan pokken leed. Hij ging en dronk al biddende aan dat ziekbed het gif in, dat hem ten grave sleepte. Ik had hem gesmeekt te blijven, maar kon hem niet tegenhouden. Ik zag hem, hoewel nog gaande en staande, langzamerhand w&gsterven ...".

Zondag 28 mei verergerde zijn toestand in zulk een mate dat de Volgende morgen het einde kwam. In haar brief aan Bernhardi vermeldt mevrouw Gobius ook de laatste woorden van haar man: "Ontferm U onzer om Jezus Christus' wille, ik heb niets dan Uw naakte Woord".

Ds, Gobius du Sart werd in Arnemuiden begraven. Op 4 juni, Pinksterzondag, hield ds. J.J. Gobius du Sart (Raamsdonk) de lijkrede naar aanleiding van Filippensen 1 : 12.

Mevrouw Gobius du Sart en haar kinderen
Enkele maanden na de dood van haar man vestigde mevrouw Gobius du Sart-Schorer zich met haar vier jonge kinderen6) in Elberfeld. "Zij verliet haar vaderland, haar familie en de pracht van de wereld, om als weduwe in den vreemde te wonen, met de enige bedoeling dat wij, haar vier kinderen, onder het zuiver Woord Gods zouden opgroeien", aldus haar zoon ds. J.C.G. Gobius du Sart bij de Kohlbrugge-herdenking in 1903.

In Elberfeld werden mevrouw Gobius en haar kinderen opgevangen door de daar woonachtige zusters van haar man. Geestelijk werd ze gesterkt door de prediking van Kohlbrugge en door de contacten met hem en zijn vrouw. Haar zoons Frits en Jacob, die vaak bij Kohlbrugge aan huis kwamen, kregen van hem en van zijn opvolger, Julius nzli, catechetisch onderwijs. Beiden traden later in de voetsporen van hun vader, oom en grootvader. De oudste, Joan Willem Frederik, was na zijn theologische studie in Utrecht negen jaar predikant in Nieuw- en St. Joosland. In 1886 promoveerde hij op een proefschrift over de geschiedenis van de liturgische geschriften der Nederlandse Hervormde Kerk. Van 1895 tot aan zijn overlijden in 1924 stond hij te Woudrichem.

De andere zoon, Jacob Cornelis Guüielmus, diende de gemeenten van Benthuizen, Eemnes-Buiten en -van 1897 tot aan zijn dood in 1936- Wijk (bij Heusden).

Mevrouw Gobius du Sart-Schorer vestigde zich in 1879 met haar twee dochters in Utrecht, waar toen haar beide zonen studeerden. Later namen moeder en dochters haar intrek in de pastorie van de (nog ongehuwde) jongste zoon. Maria Wilhelmina Gobius du Sart geb. Schorer ontsliep te Wijk op 16 januari van het jaar 1900. Nog kort voor haar dood getuigde.zij dat de prediking van Kohlbrugge haar voor wanhoop had bewaard ,..

1) Dr. G.A. Wumkes, Het Friese Reveil in portretten, Kampen, 1994, blz. 197.

2) Dr. J. de Bruijn, Een merkwaardige briefwisseling (III) in: Kerkblaadje jg. 63 (1972), blz. 99.

3) Ameklanken, bulletin van de Historische Vereniging Arnemuiden jg. 2, nr. 3, september 1997.

4) Dr. J. de Bruijn, a.w. blz. 122, 123.

5) Zevental nagelaten leerredenen van G.J. Gobius du Sart, Utrecht 1886, blz. 115.

6) Joan Willem Frederik (Frits), geb. St. Jansga 28 jan. 1860; Jacob Cornelis Guüielmus, Arnemuiden 8 dec. 1861; Anna Maria Jensina, Arnemuiden lOaug. 1863; Comelia Digna, Arnemuiden 8febr. 1865.