Terug naar Ecclesianet.nl

Joan Jacob Gobius du Sart (1818-1894)

Drs. M. DEN ADMIRANT, 's-Gravenhage

Kohlbrugges verklaring van Matthéus 1, opnieuw uitgegeven in 1860, is voorzien van een voorrede van ds. J.J. Gobius du Sart. In zijn inleiding neemt deze predikant het voor dr. Kohlbrugge op en verwerpt hij enkele aan diens adres geuite beschuldigingen. De waarheid, door de Elberfeldse prediker verkondigd, wordt - aldus ds. Gobius - in Duitsland met blijdschap gehoprd. In Zwitserland wordt Kohlbrugge geroemd. Mag hij dan in Nederland, zijn vaderland, onbekend en ongeacht blijven?

Over de man die in 1860 voor dr. Kohlbrugge in de bres sprong, gaat deze bijdrage.

Jeugd en studiejaren

Joan Jacob Gobius du Sart werd op 16 april 1818 te Bergharen in het Land van Maas en Waal geboren als eerste zoon van ds. Joan Frederik Gobius du Sart en Willemina van Kouwen. In mei 1819 verhuisde het domineesgezin naar Sint Anthoniepolder en in oktober 1822 naar Nigtevecht. In deze plaats aan de Vecht groeide Joan Jacob op. Na zijn schooljaren'trad hij in de voetsporen van zijn vader. Op 29 februari 1836 werd hij in de Domstad ingeschreven als student in de godgeleerdheid.

Aan de Utrechtse universiteit heerste toen een gematigd rechtzinnige geest. In tegenstelling tot hun collega's in Groningen hielden de hoogleraren aan de Utrechtse theologische faculteit (H. Bouman, H.E. Vinke en H.J. Royaards vast aan de kenmerkende leerstukken van het christendom.

Of Gobius du Sart in zijn studententijd reeds in contact kwam met dr. Kohlbrugge, is een vraag waarop we het antwoord schuldig moeten blijven. Dat hij diens opvattingen destijds deelde, is niet waarschijnlijk. Zoals hij later schreef, had hij een tijd gekend dat hij niet geheel met diens leer van de heiligmaking kon instemmen; door het lezen van vele geschriften van Kohlbrugge werden echter zijn ogen geopend.

Na de voltooiing van zijn theologische studie werd Gobius du Sart op 3 augustus 1842 kandidaat tot de Heilige Dienst bij het Provinciaal Kerkbestuur van Overijssel. Een beroep kreeg hij anderhalfjaar later, in februari 1844, toen de gemeente van St. Jansga en Delfstrahuizen de keus op hem liet vallen. Kandidaat Gobius du Sart nam het beroep aan en kwam weldra naar deze Friese gemeente over.

Predikant in St. Jansga

St. Jansga (Sint Johannesga) en Delfstrahuizen, ongeveer 7 km zuidwaarts aan het Tjeukemeer gelegen, vormden vanouds één hervormde gemeente in de classis Heerenveen. Zondag 21 juli 1844 werd kandidaat Gobius du Sart in St. Jansga bevestigd.' De consulent, ds. H. Beekhuis (Oosterhaule), leidde hem tot de evangeliedienst in met een prediking over Mattheüs 28:20: "Ziet, Ik ben met u lieden al de dagen tot de voleinding der wereld". Deze heilvolle belofte werd voorgesteld als een rijke bron van troost en bemoediging voor leraar en gemeente, 's Namiddags aanvaardde ds. Gobius du Sart zijn dienstwerk, predikende over 1 Joh. 3: 23: "En dit is Zijn gebod, dat wij geloven in de Naam van Zijn Zoon Jezus Christus, en elkander liefhebben".

Ds. Gobius du Sart diende de ongeveer 2.200 zielen (circa 300 belijdende lidmaten) tellende gemeente St. Jansga ca. bijna vier jaar, tot mei 1848. De kerken-raad kwam in die tijd zes maal per jaar bijeen. In de beknopte notulen, die door de predikant geschreven werden, zijn geen opzienbarende zaken vermeld. Het Heilig Avondmaal placht vier keer per jaar te worden gevierd, na voorafgaand censura morum. Uit de beantwoording van vragen, gesteld bij de kerkvisitatie, blijkt dat er circa 150 catechisanten waren.

Vermelding verdient dat ds. Gobius du Sart in de tijd dat hij in St. Jansga stond, in het huwelijk trad. Op 17 september 1847 trouwde hij te Nigtevecht met de 30-jarige Gesina ter Borg, dochter van de (in een vorig artikel genoemde) doopsgezinde predikant Jan ter Borg, die op 11 mei 1847 was overleden. In februari 1848 werd ds. Gobius du Sart te Nigtevecht, de plaats waar hij was opgegroeid, beroepen. Tot verdriet van de gemeente van St. Jansga en Delfstrahuizen nam hij de beroeping aan. Nadat hij van zijn betrekkingen op deze gemeente was losgemaakt, hield hij zondag 14 mei 1848 zijn af scheidspredikatie naar aanleiding van 2 Cor. 6:1: "En wij als medearbeidende bidden u ook, dat gij de genade Gods niet te vergeefs moogt ontvangen hebben".

Nigtevecht

De hervormde gemeente van Nigtevecht, behorende tot de classis Amersfoort en de ring Tienhoven, omvatte ongeveer 340 zielen (160 lidmaten). Na de dood van ds. J.F. Gobius du Sart was in 1842 kandidaat G. Barger als predikant der gemeente bevestigd. Hij vertrok in 1847 naar Vreeland. Ds. J.J. Gobius du Sart nam zijn plaats in. Zondag 21 mei 1848 werd de nieuwe predikant door de consulent, ds. C.M. Pleyte (Loenen aan de Vecht), bevestigd met een leerrede over 1 Cor. 3:9. Ds. Gobius du Sart aanvaardde des namiddags zijn bediening, predikende naar aanleiding van Hand. 4: 29b: "Geef Uw dienstknechten met alle vrijmoedigheid Uw woord te spreken".

Ruim negen jaar was Gobius in Nigtevecht werkzaam. Bekend is dat hij in die tijd in contact kwam met de "christelijke vrienden", een groep vooraanstaande figuren uit het kerkelijk leven, die op hun halfjaarlijkse vergaderingen in Amsterdam allerlei vraagstukken op het gebied van kerk, school en zending bespraken. Zo woonde ds. Gobius du Sart in oktober 1851 de veertiende vergadering van de christelijke vrienden bij. Volgens mevrouw Ida Pierson-Oyens, bij wie de predikant uit Nigtevecht met vijf anderen logeerde, was hij "op en top een orthodoxe dominé".

Later nam ds. Gobius du Sart ook deel aan enkele bijeenkomsten van de broederkring "Ernst en Vrede". Deze besloten kring van hervormde predikanten beoogde in de traditie van het Reveil de behartiging van kerkelijke en christelijk-nationale belangen. In de periode 1852-'59 werd zestien maal vergaderd. Tot de leden behoorden vogels van diverse pluimage: ethisch-irenischen als Nicolaas Beets (voorzitter van de kring), D. Chantepie de la Saussaye, J.H. Gunning en J.J.P. Valeton, maar ook predikanten als G. Barger en H.C.G. Schijvliet, die aan de zijde van Groen van Prinsterer stonden, en LJ. van Rhijn, die een tussenpositie innam. Ds. Gobius du Sart trad pas in 1856 tot de kring toe, evenals zijn zwager ds. J.G. Verhoeff1). In dat jaar en het erop volgende woonde hij vier vergaderingen in Utrecht bij, zonder op de voorgrond te treden. Na zijn vertrek uit Nigtevecht bezocht hij de bijeenkomsten niet meer. In zijn Nigtevechtse jaren vond hij gelegenheid een werk van Jean-Jacques Gérard des Bergeries uit het Frans te vertalen. De Nederlandse uitgave verscheen in 1856 onder de titel: De ontsluiering van Mozes, verklaring van de voornaamste typen des Ouden Testaments2). In juli 1857 aanvaardde ds. Gobius du Sart een beroep naar Bleskensgraaf en Hofwegen. Met een predikatie over 2 Thess. 1:11 en 12 nam hij op zondag 25 oktober afscheid van Nigtevecht. Kort daarna vertrok hij met zijn vrouw en vier kinderen3) naar Bleskensgraaf in de Alblasserwaard.

Bleskensgraaf

Zondag 1 november 1857 werd ds. Gobius du Sart door zijn zwager, ds. J.G. Verhoeff (Nieuw-Loosdrecht), als herder en leraar van de gemeente Bleskensgraaf en Hofwegen bevestigd met een preek over Hebr. 13:17. 's Middags nam de nieuwe predikant de herdersstaf op, sprekende naar aanleiding van Hand. 10: 29b: "Zo vraag ik dan, om wat reden gijlie-den mij hebt ontboden".

Gobius' ambtsbediening in Bleskensgraaf duurde driejaar en vijf maanden. Reeds gedurende het eerste jaar overleed zijn vrouw, ruim twee maanden nadat ze het leven had geschonken aan een zoon.

In de door de predikant zelf geschreven kerken-raadsnotulen wordt gewag gemaakt van twee zaken die speciale vermelding verdienen. Het gemeentebestuur van Bleskensgraaf werd in een adres gevraagd, de zondag meer te heiligen door allerlei afkondigingen (erfhuizen, poldervoorschriften enz.) niet meer na de kerkdienst te doen plaatsvinden. Voorts weigerde de kerkenraad een chirurgijn, die tijdelijk in de gemeente verbleef, een attestatie af te geven, zulks wegens een slordige levenswandel. Uit deze voorbeelden blijkt dat de heiliging van het leven niet werd veronachtzaamd.

Ds. Gobius du Sart had zich intussen doen kennen als een geestverwant van dr. Kohlbrugge. In 1857 stelde hij zijn kansel open voor de pastor uit Elberfeld (bekend is dat Kohlbrugge o.a. in Bleskensgraaf en Raamsdonk predikbeurten vervulde). Tijdens de vierde jaarvergadering van de Zuid-Hollandse vereniging van vrienden der Waarheid in juli 1859 deed ds. Gobius du Sart het voorstel, toenadering te zoeken tot de Nederlands gereformeerde gemeente in Elberfeld. Toen het hoofdbestuur van de genoemde vereniging een jaar later Kohlbrugge het erelidmaatschap wilde ontnemen, sprong ds. Gobius voor hem in de bres. In een voorrede in een heruitgegeven geschrift van Kohlbrugge wees hij de aan diens adres geuite beschuldigingen krachtig van de hand4).

Raamsdonk

Wegens vertrek naar Raamsdonk hield ds. Gobius du Sart op zondag 7 april 1861 in Bleskensgraaf zijn afscheidspredikatie. Zijn tekst was Psalm 51: 20: "Doe wel bij Sion naar Uw welbehagen; bouw de muren van Jeruzalem op". Een week later werd hij door zijn broer, ds. G.J. Gobius du Sart te Raamsdonk bevestigd met een predikatie over Ef. 6:15 en deed hij zijn intrede, sprekende over Zach. 6:15.

In deze Brabantse gemeente stond hij bijna tien jaar. Op 4 december 1870 nam hij afscheid met een preek over 1 Petr. 5:10 en 11. Dat zijn dienstwerk niet ongezegend bleef, zou kunnen worden afgeleid uit hetgeen in april 1871, vier maanden na zijn vertrek, bij een kerkvisitatie werd vastgesteld: wat het godsdienstig, kerkelijk en zedelijk leven betreft behoort Raamsdonk tot de meest bevoorrechte gemeenten der gehele streek.

Nijkerk op de Veluwe

In zijn nieuwe gemeente Nijkerk op de Veluwe aanvaardde ds. Gobius zondag 11 december 1870 het dienstwerk, predikende naar aanleiding van 1 Petr. 2:6, na door zijn plaatselijke collega ds. J. Koster te zijn ingeleid. De circa 6.500 zielen tellende hervormde gemeente werd destijds door drie predikanten gediend. Gobius' andere ambtgenoot was ds. Samuël Johannes de Hoest, die sinds 1831 in Nijkerk stond. Ds. Gobius du Sart diende de Nijkerkse gemeente ruim 22 jaar, tot zijn emeritaat in april 1893. Na het vertrek van ds. Koster (1872) en het overlijden van ds. De Hoest (1877) had hij als collega's de predikanten P. Deetman (van 1873 tot '77), W.F. Blüggel (van 1879 tot '87), G. Vlug (van 1880 tot '86), P.J. van Melle (gekomen in 1888) en J.H. Wensinck (1889).

De kerkelijke verwikkelingen ten tijde van de Doleantie lieten Nijkerk niet onberoerd. Begin februari 1886 waren de gemeenten van de naburige plaatsen Kootwijk en Voorthuizen de eerste die braken met de synode organisatie van de Nederlandse Hervormde Kerk en in Doleantie gingen. Tegen de zin van de pre-ses, ds. Gobius du Sart, hechtte de Nijkerkse kerken-raad zijn goedkeuring aan het beroep dat de kerken-raad van Kootwijk had uitgebracht op kandidaat J.H. Houtzagers. Bij diens bevestiging op 7 februari 1886 nam een van de Nijkerkse predikanten, ds. G. Vlug, deel aan de handoplegging. Laatstgenoemde had intussen een beroep naar Leiderdorp aangenomen en vertrok in april naar zijn nieuwe gemeente; drie maanden later ma,akte hij zich met de Leiderdorpse kerken-raad los uit het synodale verband van de Nederlandse Hervormde Kerk. In Nijkerk behield hij echter veel gezag, zoals bleek in januari 1887, toen hij nog eens voor de gemeente optrad. Na afloop van deze door-de-weekse dienst bracht de kerkenraad een beroep uit op ds. K. Fernhout te Tzum, van wie bekend was dat hij met de Doleantiebeweging sympathiseerde. Ds. Fernhout weigerde echter dit beroep in overweging te nemen, omdat in de beroepsbrief stond dat hij gebonden was aan de verordeningen van de Nederlandse Hervormde Kerk. De kerkenraad besloot toen de beroepsbrief te wijzigen, zulks onder protest van de predikanten Gobius du Sart en Blüggel en een tweetal ouderlingen. Ds. Fernhout bedankte voor het beroep, maar daarmee was de zaak nog niet van de baan. Omdat het vermoeden bestond dat de kerkenraad van Nijkerk met het synodaal verband van de Nederlandse Hervormde Kerk wilde breken, greep het classicaal bestuur van Harderwijk in; de kerkenraadsleden, uitgezonderd de beide predikanten en twee ouderlingen werden geschorst. Vervolgens namen de geschorste leden in een vergadering onder leiding van de dolerende predikant van Voorthuizen, dr. mr. W. van den Bergh, het besluit "het juk der synodale hiërarchie" af te werpen. Zo ontstond op 4 maart 1887 ook in Nijkerk een doleantiekerk. Het zielental van de hervormde gemeente daalde hierdoor met ongeveer een derde tot circa 4.600 in 1890.

Ds. Gobius du Sart beschouwde de Doleantie als een heilloze weg. Kerkherstel was zijns inziens alleen te verwachten van de verkondiging van het Woord, de prediking van de rechtvaardiging van de goddeloze.

Ondanks zijn nadruk op de prediking verloor hij de dienst aan de naaste niet uit het oog, zoals bijvoorbeeld blijkt uit zijn bemoeienissen met het Gereformeerd Oranje-Weeshuis te Huizen. Al vanaf de oprichting (1869) bij dit weeshuis betrokken, was hij sedert november 1874 voorzitter van het bestuur.

Met ingang van 1 april 1893 verkreeg ds. Gobius du Sart eervol emeritaat, waarin hij zich in Putten vestigde. Daar overleed hij op 20 februari 1894 op ruim 75-jarige leeftijd.

Drie dagen later werd hij in Nijkerk ter aarde besteld. De stad was zichtbaar in rouw, de meeste woningen waren gesloten ... Op het kerkhof sprak o.a. ds. J.C.G. Gobius du Sart (Eemnes-Buiten), een neef van de overleden predikant. Hij zei o.m. dat zijn oom, toen diens einde naderde, had getuigd: De krachten vloeien weg, maar ik ben gezonken op de Rotssteen van Gods naakte Woord. Ds. H.A.J. Lütge, die namens het bestuur van het Oranje-Weeshuis het woord voerde, merkte o.a. op, dat de liefde van ds. Gobius du Sart tot de wezen wortelde in de geschiedenis van het eigen hart. In velerlei beproeving had hij als een verweesde niets dan verlatenheid voor ogen, totdat God Zich over hem ontfermde en deed verstaan wat we in Psalm 10: 14 lezen: "Gij aanschouwt de moeite en het verdriet, opdat men het in Uw hand geve; op U verlaat zich de arme; gij zijt geweest een Helper van den wees". De liefde Gods, in zijn hart uitgestort, wekte wederliefde, die tot uiting kwam in toewijding aan het lot der wezen, aldus ds. Lütge.

Vermeld zij nog dat in het Amsterdamsch Zondagsblad (1894, nr 9) een "ter nagedachtenis aan ds. Joan Jacob Gobius du Sart werd opgenomen, waarin diens geestelijke verwantschap met dr. Kohlbrugge werd gememoreerd.

1) Jacob Gerard Verhoeff (1823-1909) trouwde in 1853 te Nigtevecht met Petronella Hendrika Gobius du San (1828-'96), zuster van ds. J.J. Gobius du Sart. In hetzelfde jaar werd hij predikant te Elspeet. Later stond hij in Nieuw-Loosdrecht (intrede 1856), Zevenbergen (1859), Vaassen (1862), Ridderkerk (1856), Herveld (1867), Wissekerke (1871), Maassluis (1874), Heeg (1877), Bodegraven (1879-1905 em.)

2) Het oorspronkelijke werk verscheen in 1670 onder de titel: Moïse dévoilé ou explication des types du V.T. De auteur, die doctor in de medicijnen was, doceerde in Lausanne Hebreeuws.

3) Joanna Willemina Frederika (1848-1873), Jan Koenraad (geb. 1849, overl. 1870 te Utrecht, waar hij theologie studeerde), Hillegonda Gregorina Adriana (1851-1871) en Joanna Gesina (1855-1942). In 1858 werd te Bleskensgraaf nog een zoon geboren: Joan Frederik (overl. Nijkerk 1940).

4) Betrachting over het eerste Kapittel van het Evangelium van Mattheüs (Utrecht 1860).