Terug naar Ecclesianet.nl

Bijbel, Koran en Grondwet

M. den Admirant

Het opschrift boven dit artikel is ontleend aan een recente publicatie. Onder de titel Bijbel, Koran, Grondwet; gesprekken over godsdienst en politiek, verscheen in april jl. een geschrift van het toenmalige Tweede-Kamerlid voor GroenLinks ds. A.B. Harrewijn. De auteur, opgegroeid in een gereformeerdebondsmilieu in de Alblasserwaard, studeerde theologie in Utrecht  en was een aantal jaren industriepredikant in Amsterdam. Hij overleed op 13 mei, enkele weken na de verschijning van het boekje, dat in feite zijn politieke testament werd.
    Het is niet de bedoeling  ds. Harrewijns geschrift in Ecclesia te bespreken. Wel willen we onder het genoemde motto enige aandacht schenken aan de plaats van de religie in de Nederlandse samenleving en aan de verhouding tussen godsdienst en politiek. Daarbij zullen we ook stilstaan bij enkele zaken die in het boekje aan de orde komen.

Secularisatie
Om te beginnen moet worden vastgesteld dat ons land de laatste decennia in toenemende mate is geseculariseerd. Steeds grotere delen van de samenleving zijn losgeraakt van het godsdienstig en kerkelijk leven. Volgens gegevens van het Sociaal en Cultureel Planbureau (SCP) is het aandeel van de buitenkerkelijken in de gehele Nederlandse bevolking in veertig jaar verdubbeld tot ruim zestig procent. Daarmee is ons land koploper in Europa. In dezelfde periode is het percentage Nederlanders dat zichzelf tot een kerk rekent, gehalveerd. Blijkens de in 2000 door het SCP uitgegeven studie Secularisatie in de jaren negentig  behoort nog maar vijfendertig procent van de bevolking tot een christelijke kerk. Andere bronnen, die een groter aantal randkerkelijken meetellen, komen op een hoger percentage uit. Maar vast staat dat zich een sterke ontkerkelijking heeft voltrokken, waardoor het gezag van de Bijbel in de Nederlandse samenleving aanzienlijk is verminderd.
    Daarentegen is de invloed van de Koran sedert de jaren zeventig geleidelijk toegenomen. De islam neemt op de levensbeschouwelijke kaart van Nederland een steeds grotere plaats in. Het aantal moslims, geschat op circa  800.000, maakt thans vijf procent van de totale bevolking uit. Naar verwachting zal het percentage in het jaar 2015 tot zeven zijn gestegen, waarmee het ongeveer even hoog zou zijn als dat van de (in één kerk verenigde) hervormden en gereformeerden tezamen.

Godsdienst en politiek
Het is niet te verwonderen dat de secularisatie gevolgen heeft gehad voor de verhouding tussen godsdienst en politiek. Een onderzoek van het SCP in 1998 bracht aan het licht dat naar de mening van zeventig procent van de bevolking de politiek los moet staan van de godsdienst. Ongeveer tachtig procent vond dat een politieke partij geen godsdienstige grondslag hoeft te hebben. Dat de opvattingen hierover de laatste jaren grondig zijn gewijzigd, is niet aannemelijk, ook al is het stemmenpercentage van het CDA bij de verkiezingen van 15 mei 2002 sterk gestegen. Een rechtstreekse invloed van de kerken op de politiek is voor een grote meerderheid van de bevolking onaanvaardbaar. Dit neemt niet weg dat nog altijd, ook door buitenkerkelijken, betekenis wordt gehecht aan uitspraken van de kerken over algemene maatschappelijke vraagstukken als armoede en discriminatie en (in mindere mate) over ethische kwesties als euthanasie en abortus.
    Naar ds. Harrewijn in zijn eerdergenoemde publicatie vaststelde, bestaat in ons land een breed besef dat geloofsgemeenschappen een belangrijke maatschappelijke factor zijn met veel invloed in ethische kwesties, sociale cohesie (samenhang) en overdracht van waarden en normen. Maar de overheid had tot dusver grote moeite, dit besef  in haar beleid  vorm te geven.                                                                                                                                                        De Amsterdamse burgemeester Cohen vroeg in het begin van 2002 aandacht voor de rol van de religie als het cement van de samenleving. De integratie van sommige bevolkingsgroepen verloopt nu eenmaal via hun godsdienst. Willen we de dialoog met elkaar gaande houden, dan moeten we hoe dan ook de religieuze infrastructuur erbij halen. Kerken en  moskeeën spelen een uitermate belangrijke rol in de opvang van immigranten. De overheid heeft de religieuze organisaties te veel genegeerd, wat volgens Cohen voortvloeit uit een verkeerde opvatting omtrent de scheiding van kerk en staat. Terecht staat dit beginsel bij ons hoog aangeschreven, maar met inachtneming van de doctrine van deze scheiding moet de overheid er toch meer oog voor hebben, dat de religie als bindmiddel in de samenleving een belangrijke rol vervult. 

Scheiding van kerk en  staat
Wat houdt het beginsel van de scheiding van kerk en staat in? Hier te lande wordt eronder verstaan dat kerk en staat als zelfstandige lichamen functioneren. De staat mag niet ingrijpen in de interne verhoudingen van de kerk, evenmin als de kerk bevoegdheden heeft wat betreft staatszaken. Kerken en andere geestelijke gemeenschappen bepalen zelfstandig hun bestuurlijke organisatie, kiezen zelf hun functionarissen en belijden vrij hun godsdienst of levensovertuiging. Deze zelfstandige positie wordt in de Grondwet niet uitdrukkelijk vermeld, maar wel indirect gegarandeerd via een tweetal grondrechten: de vrijheid van godsdienst en het recht op gelijke behandeling. ‘Ieder heeft’, aldus artikel 6 van de Grondwet, ‘het recht zijn godsdienst of levensovertuiging individueel of in gemeenschap met anderen vrij te belijden, behoudens ieders verantwoordelijkheid voor de wet’. Het recht op gelijke behandeling, vastgelegd in artikel 1, betekent dat discriminatie wegens o.a. godsdienst of levensovertuiging niet is toegestaan.
    Uit beide grondrechten vloeit voort dat de staat ten opzichte van kerken en andere religieuze gemeenschappen onpartijdig is. De overheid mag geen enkele godsdienst of levensovertuiging bevoorrechten of discrimineren. Wel moet ze ervoor waken dat de godsdienstvrijheid niet wordt misbruikt, bijvoorbeeld ingeval  radicale imams uitspraken zouden doen die aanzetten tot haat. De godsdienstvrijheid is namelijk geen absolute vrijheid. Er  mogen beperkingen aan worden gesteld, mits deze een wettelijke basis hebben en nodig zijn in het algemeen  belang of ter bescherming van rechten en vrijheden van anderen.
    De scheiding van kerk en staat komt dus neer op een wederzijds erkennen en respecteren van elkaars bevoegdheden. Maar het beginsel van deze scheiding betekent niet, zoals soms wordt gedacht, dat kerk en staat helemaal niets met elkaar te maken hebben. Hun eigen verantwoordelijkheid brengt mee dat ze elkaar kritisch volgen. De overheid moet erop toezien dat kerken en geloofsgemeenschappen zich houden aan de regels van de rechtsstaat. En voor de kerken kunnen er omstandigheden zijn, waarin zij zich geroepen weten tot een profetisch getuigenis aan het adres van de overheid (zie hierover  Ecclesia nr.  8 van 13 april 2002).
    Het beginsel van scheiding van kerk en staat sluit evenmin uit, dat de overheid geloofsgemeenschappen bij haar beleid  betrekt. Kerken ontplooien immers activiteiten die van nut zijn voor de samenleving  (bijvoorbeeld op het gebied van welzijn), of die bijdragen aan de participatie van burgers in de maatschappij. Verder heeft de overheid er belang bij, geloofsgemeenschappen te consulteren voor het vormgeven van beleid met ethische consequenties. Van veel betekenis is zoals gezegd ook de rol van kerken bij de overdracht van waarden en normen

Fundamentalisme
Fortuyn hechtte aan de scheiding van kerk en staat groot belang en beschouwde dit beginsel als ‘het hart van onze cultuur, rechtsstaat en parlementaire democratie’. In zijn boek De islamisering van onze cultuur (2001) stelt hij vast dat het moslimfundamentalisme deze scheiding uit volle overtuiging verwerpt. Fundamentalisme is een politieke houding op basis van een religieuze opvatting of maatschappijbeschouwing die absoluut gezag heeft. De eruit voortvloeiende waarden en normen zijn zonder meer bepalend voor gedragingen in het publieke leven.
Natuurlijk mag, aldus Fortuyn, niet elke vorm van de islam gelijkgesteld worden met de fundamentalistische interpretatie ervan. Toch is het grote verschil tussen de islam en de christelijke kerken dat de laatste vrijwel alle de seculiere (wereldlijke) staat erkennen en de scheiding tussen kerk en staat niet meer ter discussie stellen.
    Naar aanleiding van extreme uitlatingen van radicale imams is de vraag gerezen,  hoeveel aanhang het moslimfundamentalisme in ons land heeft. Vooralsnog wordt aangenomen dat  het om een kleine groep gaat. De meeste Turkse en Marokkaanse moslims in Nederland zijn gematigde soennieten. Strenge soennitische stromingen kunnen worden onderscheiden in twee varianten. Ten eerste is er een strikt religieuze stroming zoals het wahhabisme, dat van zich doet spreken via de stichting Al Wafq, die onder andere islamitische scholen financiert. De andere stroming is de politieke islam, beter bekend als fundamentalisme of islamisme. Deze stroming is sterk anti-westers en wil haar idealen desnoods met geweld verbreiden. 
    In een kritische reactie op De islamisering van onze cultuur is de liberale islamiet Abdullah R.F. Haselhoef   ingegaan op Fortuyns bewering dat het moslimfundamentalisme een bedreiging vormt voor de Nederlandse samenleving.  Haselhoef wijst erop dat fundamentalisme in elke ideologie en elk geloof voorkomt. Het gevaar ervan schuilt in de wijze waarop, door wie en met welk doel de godsdienst of ideologie wordt gebruikt. Er zijn zich islamitisch noemende landen waar alle vormen van vrije meningsuiting in de kiem worden gesmoord, maar geen weldenkend mens kan dit onrecht op rekening van de islam schrijven.
    De door Fortuyn bestreden islamisering van Nederland stelt volgens Haselhoef  in feite niet zo heel veel voor: ‘het enige wat je in het straatbeeld ziet, is een aantal hoofddoekjes’. Hij vindt de ‘marokkanisering ‘ en ‘turkisering’ van Nederland veel gevaarlijker dan de islamisering.
    Wat betreft de scheiding van staat en religie vraagt Haselhoef zich af, of  die in Nederland daadwerkelijk bestaat. Wat te denken van ‘de daden van de christelijke kerken, de EO, het Reformatorisch Dagblad, het CDA, de SGP en de ChristenUnie, die de geliberaliseerde wetgeving op het gebied van het homohuwelijk en het euthanasievraagstuk jarenlang hebben tegengehouden op grond van de Bijbel? Is dat niet duidelijk een beïnvloeding van de politiek door religie?’. Aangaande dit punt stellen we een wedervraag.  Mogen kerken, media en politieke partijen niet met alle legale middelen proberen bepaalde wetten, waartegen zij ernstige principiële bedenkingen hebben, te voorkomen? Van strijdigheid met het beginsel van scheiding van kerk en staat is in dit geval geen sprake.
    Over de toekomst van de islam is Haselhoef optimistisch gestemd. In de kleine rechts-christelijke kerken, zo zegt hij, is men bevreesd dat moslims de religieuze leegte die er in Nederland heerst, zullen gaan opvullen. En dat de islam op deze wijze de nieuwe modieuze religie wordt.  ‘Ik deel deze gedachte met mijn reformatorische collegae, maar niet de vrees’, aldus Haselhoef. ‘Ik zie inderdaad de islam als een zeer spirituele en pragmatische religie, die vitaal en springlevend is’. Veel van de waarden en normen die wij in de Nederlandse samenleving hebben, zijn volgens Haselhoef  terug te voeren op de Bijbel. ‘Volgens de moslims is de Bijbel een openbaring van God en is een groot deel van de waarden en normen die erin staan -weliswaar in andere bewoordingen- terug te vinden in de Koran’.

In dit verband willen we in herinnering brengen wat prof. dr. Hanna Kohlbrugge eens in een bijdrage voor ons blad schreef: ‘De Koran put zijn kracht uit misbruik van de Bijbel’. Het is een misvatting dat christendom en islam gelijkwaardig zijn, dat Bijbel en Koran naast elkaar gesteld kunnen worden omdat het in beide gaat om een monotheïsme, om het geloof in één god. ‘De islam beroept zich op één god, maar het is een algemene god, een schepper, onderhouder en rechter in het algemeen, omdat hij de éne god is. Daarentegen hebben wij in ons leven en in de prediking te maken met ónze God, die God is geworden temidden van de goden om voor ons kenbaar te zijn, God onder de mensen geopenbaard in het vlees, God de Trooster, die ons uit het diensthuis van de vele goden uitleidt’. Het opschrift boven prof. Kohlbrugges artikel luidde dan ook: Israëls God is anders (zie Ecclesia, 5 en 19 januari 1996).

Vrijheid van onderwijs
De groei van de islam en de stichting van islamitische scholen in Nederland heeft een discussie over de vrijheid van onderwijs op gang gebracht of althans gestimuleerd. Dit belangrijke grondrecht is verankerd in artikel 23 van de Grondwet: ‘het geven van onderwijs is vrij, behoudens het toezicht van de overheid’. Ook  hierbij geldt de stilzwijgende restrictie dat de vrijheid niet mag worden misbruikt (bijvoorbeeld voor staatsondermijnende activiteiten). In het genoemde artikel is tevens de financiële gelijkstelling van openbaar en bijzonder onderwijs vastgelegd. Voorwaarde is dat het onderwijs voldoet aan wettelijke eisen van deugdelijkheid. Wat de bijzondere scholen aangaat zal daarbij de ‘vrijheid van richting’ (d.w.z. van godsdienst of levensovertuiging) in acht worden genomen. Met name wordt de vrijheid in de aanstelling van leerkrachten en in de keuze van leermiddelen geëerbiedigd.
    Artikel 23 van de Grondwet betekent dat scholen met de Bijbel en scholen met de Koran op gelijke wijze worden behandeld als openbare onderwijsinstellingen. Sommige politici is dit grondwetsartikel een doorn in het oog. De laatste jaren zijn stemmen opgegaan die pleiten voor aanpassing of zelfs afschaffing ervan.  In 2001 stelde de regering al een kleine wijziging van artikel 23 voor om de zogeheten samenwerkingsscholen een wettelijke basis te geven. De wijziging, die inmiddels door de Staten-Generaal in eerste lezing is aanvaard,  houdt in dat openbaar onderwijs niet per se op openbare scholen behoeft te worden gegeven. Het is ook mogelijk op samenwerkingsscholen, ontstaan door een fusie van openbare en bijzondere scholen.