Terug naar Ecclesianet.nl

Conservatisme, vroeger en nu

M. den Admirant

Nadat er een tijd lang geringschattend over is geoordeeld, wordt het conservatisme tegenwoordig weer serieus genomen. Sedert begin 2001 is in ons land een stichting actief, die zich de verbreiding van het conservatieve gedachtegoed  ten doel stelt en een weerwoord tegen de paarse tijdgeest wil formuleren. De stichting is genoemd naar de geestelijke vader van het Europese conservatisme, Edmund Burke, wiens denkbeelden bij iemand als Groen van Prinsterer weerklank vonden.
Wat houdt het conservatieve gedachtegoed in? En in hoeverre is het huidige conservatisme vergelijkbaar met de stroming die zich in de negentiende eeuw tegen de Revolutie en het liberalisme keerde?
Jarenlang had het woord ‘conservatief’ in Nederland (en in vele andere landen) een ongunstige klank. Het was min of meer synoniem met ‘bekrompen’ of ‘ouderwets’. De term was dusdanig in diskrediet geraakt, dat zelfs behoudende partijen zich ervoor geneerden en prat gingen op hun vooruitstrevendheid. Met het oog op de associaties die het woord opriep, was de afkeer ervan begrijpelijk. Gelet op de oorspronkelijke betekenis van het begrip conservatisme was de aversie echter onterecht.
Conservatieven (afgeleid van conservare, d.w.z. behouden) zijn er altijd geweest: mensen die streven naar behoud en zich daarom verzetten tegen ingrijpende veranderingen. Het conservatisme als maatschappelijke en politieke stroming ontstond pas tegen het einde van de achttiende eeuw in Engeland als reactie op de denkbeelden van de Franse Revolutie. De politieke denker Edmund Burke (1729-1797) publiceerde in 1790 een geschrift onder de titel Reflections on the Revolution of France, waarin hij in felle bewoordingen de revolutionaire denkbeelden veroordeelde. Groen van Prinsterer laat zich in zijn Ongeloof en Revolutie (1847) zeer lovend over Burke uit: ‘Verlangt gij den aard en de werking der revolutie en de middelen, waardoor zij met goed gevolg bestreden had kunnen worden, te kennen, leest zijn geschriften’.
De term ‘conservatief’ als aanduiding van een behoudsgezinde politieke stroming werd voor het eerst gebezigd door de Franse schrijver Chateaubriand. In 1818 gaf hij samen met de priester-auteur  De Lamennais  een blad uit met de naam: Le Conservateur.  Spoedig kwam het woord conservatief  als politiek-sociale kwalificatie algemeen in zwang.
Kenmerkend voor het negentiende-eeuwse conservatisme is de eerbied voor wat historisch gegroeid is. De maatschappelijke orde voorafgaand aan de Franse Revolutie wordt als de natuurlijke orde beschouwd. Ongelijkheid en veelvormigheid binnen de samenleving, zoals de standenindeling, het bestaan van rijken en armen, zijn inherent aan (d.w.z. van nature verbonden met) de door God gewilde ordening. De conservatieven wezen alle gelijkheidstheorieën en de leer van de volkssoevereiniteit als lasterlijke dwalingen van de hand. Hun mensbeschouwing was niet optimistisch: de mens was in hun ogen een verdorven schepsel, tot het kwade geneigd.
Binnen het conservatisme zijn verschillende stromingen te onderscheiden:
1. Het status-quo conservatisme, dat tevreden is met de bestaande toestand.          
2. Het reactionaire of herstelconservatisme, dat de bestaande toestand verwerpt en terug wil naar een geïdealiseerd verleden.
3. Het dynamisch of hervormingsconservatisme, dat in principe niet afkerig is van bepaalde veranderingen en vernieuwingen. Deze worden noodzakelijk geacht om radicale hervormingen te vermijden en zo de bestaande orde in stand te houden. Burke, de grondlegger van dit dynamisch conservatisme, formuleerde het aldus: ‘Ik zou verandering, hoe dan ook, niet willen uitsluiten, maar zelfs als ik iets veranderde, zou het moeten zijn tot instandhouding’. 

Kohlbrugge en Groen van Prinsterer
Als representanten van een type van herstelconservatisme zijn mr. Willem Bilderdijk en in diens voetspoor dr. Hermann Friedrich Kohlbrugge te noemen. Kohlbrugge, hoewel geen partijman, was in hart en nieren conservatief. Hij had het land aan alle wereldverbeteraars. Volgens hem was er maar een middel om de wereld te verbeteren, namelijk door Gods Woord te brengen in de zin der reformatoren. Kohlbrugge hunkerde naar het herstel van het drievoudig snoer Kerk-Oranje-Vaderland, dat in het jaar 1795 was verbroken. Van harte stemde hij in met de conservatieve denkbeelden, in 1823 door mr. I.da Costa verwoord in diens Bezwaren tegen den geest der eeuw.  Zo was hij voorstander van een absolute monarchie. Van volkssoevereiniteit moest hij niets hebben. In een van zijn brieven vroeg Kohlbrugge zich af: ‘waarom wil men toch de regering des lands niet overlaten aan de oude geslachten, die het land altijd beheerd hebben?’.
Kohlbrugges opvatting verschilde duidelijk van die van Groen van Prinsterer. In navolging van Burke stond Groen een dynamisch conservatisme voor. Hij keerde zich principieel tegen de beginselen van de Franse Revolutie en het liberalisme. Maar tegelijk verzette hij zich tegen de contrarevolutie, die ernaar streefde de gevolgen van de revolutie teniet te doen en de vormen van het verleden te herstellen. Groen ontwikkelde de gedachte van de anti-revolutie. Zijn ideeën kunnen worden samengevat in de leuze: ‘er staat geschreven en er is geschied’. ‘Al wat tot de echte kennis van Openbaring en Geschiedenis leidt, is anti-revolutionair’, zo schreef hij in zijn Ongeloof en Revolutie.  Tegenover de moderne democratie met haar volkssoevereiniteit, haar rechten van de mens en haar geloof in de rede stelde Groen de calvinistische democratie met haar geloof in de volstrekte soevereiniteit Gods, in de zondigheid van de mens en in de genade; daarin zag hij de oorsprong en de waarborg van onze constitutionele vrijheden.
Volgens Kohlbrugge diende Groen de revolutionaire staat, die op de volkssoevereiniteit was gefundeerd,  veel consequenter af te wijzen, evenals de scheiding van kerk en staat. Ook moest hij zich veel duidelijker uitspreken voor een herstel van het soevereine gezag van Oranje. 
In de tijd dat Groen van Prinsterer politiek actief was, vormden de liberalen en de conservatieven in de Tweede Kamer de voornaamste twee groeperingen (van politieke partijen  was toen nog geen sprake). Beide groepen vonden hun uitgangspunt in de beginselen van de Franse Revolutie. Groen van Prinsterer sprak van ‘steeds kibbelende tweelingen der vrijzinnige rigting’. De conservatieven waren echter in de praktische politiek minder consequent dan de liberalen en huldigden meer behoudende opvattingen. Dit bleek duidelijk in de jaren 1866-’68, toen zij zich opwierpen als verdedigers van de grondwettige bevoegdheden van de Koning.
Een tijdlang telden de conservatieven ook vele antirevolutionairen onder hun gelederen. Maar de principiële tegenstellingen, met name in de onderwijskwestie, traden steeds duidelijker aan de dag. In het verkiezingsjaar 1871 kwam het tot een radicale breuk, toen Groen van Prinsterer zijn geestverwanten opriep, slechts de drie kandidaten van de eigen antirevolutionaire of christelijk-historische richting te steunen, namelijk dr. A. Kuyper, mr. L.W.Ch. Keuchenius en M.D. van Otterloo.  Daarna ging het met de conservatieven in ons land steeds meer bergafwaarts. Tegen het einde van de negentiende eeuw waren ze van het politieke toneel verdwenen.

Nieuwe conservatieven
Aan het begin van de eenentwintigste eeuw lijkt het conservatisme in ons land  te herleven. De in februari 2001 voor het eerst naar buiten getreden Edmund Burke Stichting wil een platform zijn voor conservatieve gedachtevorming. Ze streeft ernaar, haar geluid in alle geledingen van de maatschappij te laten horen en zo de paarse tijdgeest van repliek te dienen. Veel belang hechten de nieuwe conservatieven aan ‘het bewaren van een staat van eenheid, van orde, in eerste instantie in de mens zelf, maar daarnaast ook in de samenleving’. Naar hun opvatting kunnen we van het verleden, de traditie, veel leren, omdat de problemen de eeuwen door in wezen gelijk zijn gebleven. Sterke nadruk leggen zij op vrijheid, zelfstandigheid en verantwoordelijkheid. Ze vertrouwen meer op de instituties waarin de mens leeft (gezin, school, kerk, vereniging) dan op de staat. De overheid heeft primair tot taak, orde te scheppen en chaos tegen te gaan.
In de discussie gaat het  tot dusver vooral over waarden en normen, over  thema’s als huwelijk en gezin, seksuele moraal, de toelaatbaarheid van euthanasie en abortus.
    De auctor intellectualis, de intellectuele ontwerper van de Edmund Burke Stichting is de rechtsfilosoof dr. A.A.M. Kinneging (*1962). Evenals de negentiende-eeuwse conservatieven gaat hij in zijn mensbeschouwing ervan uit, dat de mens van nature slecht is, tot het kwade geneigd. Dit is volgens Kinneging geen exclusief  calvinistische belijdenis, zelfs geen specifiek christelijk erfgoed, maar eveneens een uitgangspunt in de antieke Griekse en Romeinse traditie.                    Omstreeks het jaar 600 gaf paus Gregorius I aan de gedachte van de geneigdheid tot het kwade een concrete uitwerking. Hij verdeelde het kwaad in zeven hoofdzonden: hoogmoed, hebzucht, wellust, toorn, gulzigheid, afgunst en traagheid. Tegenover deze ondeugden zijn in navolging van de augustijnse traditie zeven deugden te onderscheiden: voorzichtigheid, matigheid, rechtvaardigheid, moed, geloof, hoop en liefde. Door zich op die deugden toe te leggen kan de mens, aldus dr. Kinneging, zijn aangeboren kwade driften temperen en soms wellicht onderdrukken.
    De leer van de geneigdheid tot het kwade wordt door de meeste mensen echter niet geaccepteerd. Het gevolg van deze ontkenning is: chaos in de ziel en in de samenleving. De overheid kan op het terrein van ethiek en moraal weinig doen. Ze is niet in staat de cultuur, waarvan zij zelf de resultante is, te veranderen. Volgens dr. Kinneging zijn de kerken en de traditionele gezinnen de meest fundamentele instituten voor orde in de samenleving en in de ziel.
Zij kunnen en moeten de persoonlijke morele discipline bevorderen.
    Al sinds lang is een proces van radicale individualisering gaande, waarvan bijvoorbeeld het homohuwelijk en het toelaten van abortus en euthanasie volgens Kinneging maar kleine onderdeeltjes zijn. Dit historisch proces is een rechtstreeks gevolg van de Franse Revolutie. In een interview in 1999 noemde hij in dit verband Da Costa’s Bezwaren tegen den geest der eeuw, naar zijn mening een nog altijd actueel geschrift.

Overeenkomst en verschil
In welke opzichten stemmen het nieuwe en het negentiende-eeuwse conservatisme overeen en in hoeverre verschillen ze? Gemeenschappelijke kenmerken zijn hun pessimistisch mensbeeld, hun respect voor de traditie en de waarde die ze hechten aan gezin en kerk. Verschillen zijn er echter ook. Deze hangen samen met het feit dat ‘elke generatie met een ander heden en dus ook met een ander verleden, althans met een andere optiek op dit verleden wordt geconfronteerd’ (aldus dr. H.W. von der Dunk in zijn boek Conservatisme). De conservatieven van nu hebben te maken met andere vernieuwingen en uitdagingen dan hun geestverwanten in de negentiende eeuw.  Waren de conservatieven van toen vooral beducht voor de gevolgen van de liberale grondwet van 1848, in het bijzonder voor uitholling van de koninklijke bevoegdheden, tegenwoordig  geven met name het hedonisme (dat genot als het hoogste goed beschouwt) en het verlies van  waarden en normen reden tot ernstige zorg. 
    Belangrijk is de vraag, waarop de conservatieven hun opvattingen funderen. Baseren ze zich  op de traditie als bron van kennis, of is de openbaring in de Heilige Schrift het fundament? Christelijke conservatieven als Kohlbrugge en Groen van Prinsterer lieten er geen twijfel over bestaan dat zij uitgingen van de goddelijke openbaring in de Bijbel. Desondanks liepen hun gevolgtrekkingen niet altijd parallel. Wanneer de principiële uitgangspunten verschillen, zoals die van christelijke en van ‘seculiere’ conservatieven, zijn controversen ten aanzien van de politieke praktijk des te waarschijnlijker.