Terug naar Ecclesianet.nl

Een Open Brief (I)

Drs. J.G. Barnhoorn, Nunspeet

 

In het najaar van 2005 werd ik door Dr. W. Aalders gebeld, die mij verzocht, in ons blad een en ander te schrijven over een “Open Brief“, die in 1904 door Prof. Dr. J.H. Gunning en een viertal predikanten aan de synode van de Nederlandse Hervormde Kerk is geschreven. Een verzoek, dat niet zozeer stoelde op het historisch belang van dit document, maar op de betekenis, die het stuk voor onze tijd zou kunnen hebben.

Welnu, nadat Dr. Aalders mij een kopie van de brief had toegestuurd, ben ik aan de slag gegaan, hetgeen resulteerde in een aantal overwegingen, die ik de lezers graag onder de aandacht wil brengen. Eerst echter moet mij van het hart, dat ik in de loop der jaren keer op keer getroffen ben door de intense betrokkenheid van Dr. Aalders bij al hetgeen op het kerkelijk erf gaande was. Op gezette tijden bezocht ik hem in zijn huis in Bussum, en het moet mij van het hart, dat de gesprekken, met hem gevoerd in zijn sfeervolle woonkamer, met het sprekende portret van Gunning aan de wand, veel voor mij betekend hebben, niet in de laatste plaats door zijn grote eruditie, die mij bij mijn studie van de negentiende eeuw de jaren door ten zeerste aan hem verplicht heeft.

De “Open Brief“ uit 1904, door Gunning opgesteld en mede-ondertekend door de predikanten Ph.J. Hoedemaker (Amsterdam), P.J. Kromsigt (Rotterdam), B. van Meer (Utrecht) en Chr. Hunningher (Vlissingen), stuk voor stuk mannen van naam in de Hervormde Kerk van die dagen, vindt zijn aanleiding in het feit, dat de synode van onze Kerk in de zomer van 1903 een verzoek van 25 (!) Classicale Vergaderingen om met de reorganisatie van onze Kerk ernst te maken had afgewezen.

De voorzitter (president) van de synode, Dr. G.J. van der Flier, had tijdens de besluitvorming bij wijze van stemverklaring voor zijn afwijzend standpunt een drietal argumenten opgegeven.

1) Het was de classes in kwestie met hun voorstellen tot reorganisatie geen ernst; zij werden slechts door partijbelangen gedreven. Wanneer men van mening is, dat de organisatie van de Kerk de heerschappij van Christus in de weg staat, dan moet men niet onder deze organisatie (waaraan men zijn positie ontleent en zijn inkomen te danken heeft), “kalm blijven arbeiden“. Dan dient men de Kerk te verlaten.

2) Wanneer men aan het verzoek van de classes zou voldoen, zou dit tot het uitbannen van andersdenkenden leiden. Men kan wel beweren, dat het zover niet zal komen, maar dat is slechts “het zoet gefluit van den vogelaar“. Laat men de “Gereformeerden“, die op de Confessionelen neerzien, ja, die men de oorzaak van alle ellende in de schoenen schuift, hun gang gaan, dan zal onze Kerk tot een kopie - en dan nog wel een heel slechte kopie - van de Roomse Kerk worden.

3) De actie van de briefschrijvers komt in feite uit ongeloof voort. Er mag dan een en ander mis zijn in onze Kerk (het ziet er overigens beter uit dan één of twee eeuwen geleden), van reorganisatie van de bestuursstructuur valt niets te verwachten. Reorganisatie? Accoord, maar dan van persónen. Er moet meer kracht van de predikanten uitgaan. Zij moeten meer geestelijk leven wekken; dan zal er vanzelf verbetering komen. Wij belijden toch, dat wij in de Heilige Geest geloven?

Welnu, op dit punt schieten de voorstanders van reorganisatie tekort. “Niet door kracht noch door geweld, maar door mijn Geest! zegt de HERE der heerscharen“. Conclusie: geen herziening van de organisatie, maar: “herzie uzelf“, om met een groot staatsman te spreken.

 

Een krachtig verweer

Krasse taal, kan men wel zeggen. Kennelijk was er sinds de geruchtmakende “adresbeweging“ van zo’n zestig, zeventig jaar geleden in de houding van de synode nog niet veel verandering gekomen! Geen wonder, dat Gunning en de zijnen - die ook eigen voorstellen tot reorganisatie, tot de synode gericht, hebben zien stranden - het stilzwijgen niet kunnen bewaren. Hun “Open Brief“ laat aan duidelijkheid niets te wensen over.

Allereerst wijzen zij de synode erop, dat predikanten hun roeping niet aan de kerkelijke organisatie ontlenen, maar aan de Heer der Kerk, Jezus Christus, die de ambten heeft ingesteld. De huidige bestuursstructuur van de Kerk evenwel heeft haar belijdenis krachteloos gemaakt. En dat zij onder deze organisatie “kalm, zonder het minste gewetensbezwaar te toonen“ hun ambt blijven uitoefenen, is volkomen in strijd met de feiten: “wij noemen onzen toestand eene zonde, aan welke wij allen deelhebben, ook wij die dit verklaren, en dus een groot gewetensbezwaar toonen“. En dat de voorgangers niet hard genoeg werken, is volstrekt onjuist: “zij arbeiden tot mat en uitgeput worden toe“. Dat de Kerk kwijnt, is buiten kijf, maar dat komt niet door een tekort aan ijver van de predikanten, maar doordat deze werken “op den verkeerden grondslag onzer organisatie, die ook de meest ingespannen pogingen vruchteloos maakt“. Onze kerk, die tot reden van optreden in de wereld heeft dat zij iets “belijdt“, wordt door buitenstaanders, door ongelovigen, veracht, omdat zij - “eervergeten, plichtvergeten, dus krachteloos“ als zij is - “aan elke overtuiging gelijke bevoegdheid in haren boezem laat“, dus niets belijdt. En de eigenlijke oorzaak van deze verachting ligt dieper dan de ongelovigen zich bewust zijn. Deze is gelegen in “de heilige toorn des Heeren, die eene kerk welke door den samenhang harer reglementen Hem verloochent, ook zelve, zooals Israël heeft ondervonden en zijne Profeten reeds verklaarden, aan de vijanden overlaat“. En weliswaar heeft Hij zich, onze ontrouw ten spijt, nog altijd niet van ons afgekeerd, zodat wij onze kerk niet mogen verlaten, maar “Hij wil “op deze petra“ (persoon en belijdenis samen), op de erkenning van den Christus der Schriften en op geen andere belijdenis daarnevens, Zijn Gemeente bouwen“, waarbij Hij gebruik maakt van de voorgangers, die zijn Naam belijden. Zo wil Hij in zijn Kerk heerschappij oefenen. En dat moet onbelemmerd kunnen gebeuren, hetgeen op het ogenblik niet het geval is, daar de ambten worden “ontwricht door allerlei bijwerk“, dat de dienaren van het Woord naast hun eigenlijke werk wordt opgedrongen. Kortom, het gaat niet aan, onze voorgangers van traagheid te beschuldigen. Men moet het oog richten op de verdeeldheid, die in de kerk heerst, terwijl de Heilige Geest juist éénheid wil.

 

Individualisme

Ook het orthodoxe kamp is verdeeld. Er is een “gematigde orthodoxie“, die, individualistisch ingesteld als zij is, alleen oog heeft voor de enkeling. Het Woord van God geldt “slechts zoover “een rijke Christus en een arm zondaar“ voor elkander geschikt zijn“. In het Evangelie gaat het hoofdzakelijk om het heil van de enkeling. Wat het ons over de kerk en de ambten te zeggen heeft, is bijzaak, ja, wordt veelal volstrekt onbelangrijk geacht. Het enige, waarom het gaat, is dat men “zielen wint voor den Heer“. Voor de kerk als openbaring van het lichaam van Christus, als de gestalte, waarin het Middelaarschap van Christus tot openbaring komt, heeft men geen oog. De gemeente bestaat niet uit leden, die in Christus zijn, maar uit catechumenen, die tot Christus gebracht moeten worden.

 

Christus als Middelaar

Naast deze “fractie“ is er een andere groepering, die “veel dieper gaat“, doordat zij, “op de Eere Gods ziende, den kosmische, wereldomvattenden aard des Evangelies begrijpende“, wèl oog heeft voor de noodzaak van de kerk, zich ervan bewust, dat “de Heer niet slechts is het middel tot onze zaligheid, maar de Middelaar die tusschen de gouden kandelaren wandelt“. Het feit, dat Hij in de hemel aan Gods rechterhand gezeten is, opent haar de ogen voor de dienst van de Heilige Geest, door wie het Hoofd één is met het lichaam en wij niet alleen in Hem geloven, maar uit Hem leven. Maar gesteld nu, dat deze fractie dankzij de “verbetering“, die de synode voor ogen staat in onze kerk de overhand zou krijgen, ja, dat zij alle predikanten en heel de gemeente achter zich zou krijgen, dan zou men, wanneer de organisatie van 1816 bestendigd bleef, eerst recht inzien, hoezeer deze “den Heiligen Geest bedroeft en uitbluscht“. Want als het Woord van God in de regering der kerk niet de toon aangeeft, is een verantwoorde tuchtoefening een farce, waardoor ook de sacramenten, de steunpilaren van het geestelijk leven, niet naar behoren bediend kunnen worden. En hetzelfde geldt van de onwaarachtige situatie, waarin de predikanten verkeren: dan eerst recht zou hun geweten bezwaard en hun ambtsbediening belemmerd worden, doordat zij, “alvorens naar eigen overtuiging den Christus der Schriften als den eenigen weg des heils te kunnen prediken“, éérst, bij hun ambtsaanvaarding, hun handtekening hebben moeten zetten onder een “kerkregeling“, die ambtgenoten, die deze Christus níet prediken, “met gelijke bevoegdheid tot den dienst toelaat en dus vaststelt dat deze Christus niet de eenige weg des heils is“.

Met andere woorden: zolang de organisatie van 1816 gehandhaafd blijft, valt er geen verandering ten goede te verwachten. En men moet zich ook niet de illusie maken, dat het geestelijk leven, dat dankzij de inzet van de predikanten gewekt zou worden, het werk van de Heilige Geest zou zijn. Het valt niet te loochenen, dat er veel goeds op het terrein van in- en uitwendige zending wordt gedaan, dat er heel wat nood gelenigd wordt en dat door velen, ook metterdáád, de Christus der Schriften wordt gepredikt. Er wordt in onze kerk, niet het minst bij “modernen“, socialisten en boeddhisten, veel religiositeit en geestdrift voor allerlei goede doeleinden gevonden. Maar “geestelijk leven“ is “niet anders dan leven uit den Heiligen Geest, die “ons Christus en aller Zijner weldaden deelachtig maakt“, bovenal der mystische eenheid van Hoofd en Lichaam, van wijnstok en ranken. En dat leven is niet gemengd uit allerlei bestanddeelen die onder onze bestaande organisatie door den samenhang der reglementen gelijke bevoegdheid in de kerk hebben. Dat leven “neemt alles uit Christus“ en belijdt en beleeft Hem alléén“.

 

Scherpe kritiek

Aan het eind van de “Open Brief“ benadrukt Gunning nog eens, dat de door de briefschrijvers geuite critiek niet de kerk geldt, maar de organisatie. Deze is een hinderpaal voor de heerschappij van Christus, die in zijn kerk door Woord en Geest wil werken. De geest, die deze organisatie bezielt, is een geest van behoudzucht, een roomse en een onwetenschappelijke geest, een geest van reactie, van partijzucht en van kleingeloof.

Een geest van behoudzucht: zij, die Christus belijden, en zij, die Hem loochenen, moeten bij elkaar gehouden worden.

Een roomse geest: de bestaande kerk wordt boven Christus gesteld.

Een onwetenschappelijke geest: critiek wordt niet geduld.

Een geest van reactie: de kerk wordt gebonden aan een toestand uit het verleden.

Een geest van partijzucht: geschillen worden niet door de kerk zelf beslecht; men laat ze over aan de “eindeloozen en vruchteloozen twist der partijen“, zodat aan de “dommekracht“ van de (orthodoxe of moderne) meerderheid, dus van “de helft plus één“, de beslissing gelaten wordt.

Een geest van kleingeloof: men trekt de macht van het Woord in twijfel.

Deze geest kan alleen door de Heilige Geest, die in en door het Woord werkt, overwonnen worden.