Terug naar Ecclesianet.nl

Dr. H.F. Kohlbrugge en dr.F.W. Krummacher: contact, contrast, conflict (II, slot)

Drs. M. den Admirant, Den Haag

Elberfeld 1846
Ruim twaalf jaar later, in juni 1846, kwam Kohlbrugge opnieuw naar Elberfeld, nu in gezelschap van zijn tweede vrouw, Ursuline Philippine baronesse van Verschuer, met wie hij in 1834 was gehuwd, en hun tienjarige dochter Anna. Hij trof er ‘een treurige toestand’ aan. In 1835 waren op koninklijk bevel de gereformeerden in Elberfeld een nieuwe kerkorde (Agenda) en liturgie opgedrongen. Een aantal bezwaarde gemeenteleden, onder wie de gebroeders Daniël en Carl von der Heydt, verzuimden op den duur de kerkdiensten en kwamen op eigen gelegenheid bijeen om de Schrift te lezen en te overdenken. In juni 1846 werd Kohlbrugge hun voorganger. De toeloop tot de samenkomsten - die vooral werden bezocht door volgelingen van de in 1837 overleden predikant Gottfried Daniël Krummacher - nam sterk toe. Toch bestond er aanvankelijk een goede verstandhouding tussen Kohlbrugge en de vier predikanten van de Reformierte Gemeinde: Friedrich Wilhelm Krummacher (sinds 1834 in Elberfeld), Ball, Kohl en Künzel. Er was zelfs sprake van dat Kohlbrugge als vijfde predikant zou worden gekozen.
   Tot verrassing van velen, zelfs van zijn vrouw, verzocht Kohlbrugge op 2 november 1846 in een brief aan de kerkenraad van de Reformierte Gemeinde, hem als lid van de gemeente aan te nemen. Hij stelde als voorwaarde voor zijn toetreding dat hij tot niets zou worden verplicht dat in strijd was met de gereformeerde belijdenis. De kerkenraad besloot op dit verzoek in te gaan, behoudens een nader onderzoek aangaande bepaalde punten in Kohlbrugges prediking. Daartoe vond reeds op 4 november in het Armenhuis van Elberfeld in aanwezigheid van de vier predikanten en twee ouderlingen een colloquium met Kohlbrugge plaats. Dit gesprek was niet maar een formaliteit. Met name tussen Kohlbrugge en Friedrich Wilhelm Krummacher bestonden nog grote meningsverschillen. Laatstgenoemde had in 1845 in het door hem uitgegeven orgaan Palmblätter artikelen over ‘Doctor Kohlbrugge en zijn school’ gepubliceerd en scherpe kritiek geleverd op diens gedachten over Matthéüs 1. Krummacher sprak het vermoeden uit, dat Kohlbrugge ‘de onzondige geboorte van Jezus loochent’. Verder zijn er enkele tekenen, dat zijn opvattingen niet meer overeenstemmen met de ‘kerkelijke genoegdoeningstheorie’. De meningsverschillen tussen beide theologen vormden struikelblokken, die eerst uit de weg moesten worden geruimd. In het gesprek kwamen voornamelijk vier punten aan de orde:

1. De leer van de Wet in betrekking tot het nieuwe leven van de wedergeborenen, met afwijzing van elke antinomistische dwaalleer.
2. De leer van de heilige, zondeloze menselijke natuur van onze Here, in tegenstelling tot de dwaalleer als zou de Zoon van God, in het vlees gekomen met ons vlees, ook het zondige waarin wij ontvangen en geboren zijn, hebben aangenomen.
3. De leer van de Kerk, tegen alle separatistische verwerping van de Kerk in haar uiterlijke verschijning.
4. De leer van de sacramenten, deels in betrekking tot de rechtmatigheid van de kinderdoop, deels tegen de spiritualistische ontkenning van de plicht tot het gebruik ervan.

Blijkens de notulen van de vergadering gaf Kohlbrugge een geheel bevredigende verklaring van zijn gevoelens. Duidelijk en ontwijfelbaar kwam naar voren dat naar zijn opvatting de Wet niet alleen diende tot kennis van de zonde en als tuchtmeester tot Christus, maar ook als richtsnoer van het nieuwe leven der wedergeborenen. Aangaande het tweede punt werd hem gevraagd, of bepaalde uitspraken in zijn beschouwing over Matthéüs 1 niet tot ontkenning van de zondeloosheid van Christus leiden. Kohlbrugge antwoordde dat het vlees waarin de Zoon van God gekomen is, de ware menselijke natuur is, zoals wij die deelachtig zijn. Christus was echter niet alleen zonder dadelijke zonden in gedachten, woorden of werken, maar ook zonder de geringste kiem of meest verborgen neiging tot afval van God. Met ernst werd Kohlbrugge vervolgens gevraagd, de aanstoot die velen hadden genomen aan bepaalde bedenkelijke uitspraken, weg te nemen door een duidelijke, onomwonden uiteenzetting van wat hij bedoelde. Hij toonde zich hiertoe graag bereid, tot grote voldoening van zijn gesprekspartners, vooral van Krummacher. Laatstgenoemde was ook tevreden met een nadere uitleg van Kohlbrugge over een passage in zijn boek over Matthéüs 1, waarin Tamar tot geloofsheldin wordt verheven, omdat zij ‘ook zondigend zo gehoorzaam en Gode onderdanig geweest is’. Wilde Kohlbrugge daarmee zeggen dat zij zich voor haar daad op een bevel van God kon beroepen? ‘Neen’, antwoordde Kohlbrugge. Hij had slechts willen aangeven dat niet lichtzinnigheid of zinnelijke lust, maar de begeerte naar recht en gerechtigheid haar tot haar daad had gebracht.
   Over de leer aangaande de Kerk en de sacramenten gaf Kohlbrugge eveneens een bevredigende verklaring. Bij de aanwezige predikanten en ouderlingen was er dan ook niet het minste bezwaar, hem als lid van de gemeente te aanvaarden. Ook zijn vrouw werd als lid aangenomen. Onder de notulen van de bijeenkomst staan de namen van alle aanwezigen: Kohlbrugge, Ball, Kohl, Künzel, Krummacher en de ouderlingen Carl vom Dorp en C.L. Hecker.
   Voor de Reformierte Gemeinde was deze uitkomst reden tot vreugde. Krummacher maakte de volgende zondag bekend: ‘Gemeente, verheugt u. U hebt een goed werk gedaan. U hebt de man Gods, die 17 jaar onderdrukt en vervolgd werd, deze week in uw schoot opgenomen’.
   Toen Kohlbrugges vrienden hoorden van de stap die hij had gezet, waren ze verbijsterd. Daniël en Carl von der Heydt gaven openlijk uiting aan hun misnoegen. Betekende deze stap in feite niet een veroordeling van hun gedragslijn? Kohlbrugge liet zijn vrienden echter niet in de steek en ging door met zijn preken en catechisaties. In een schrijven van 11 december sommeerde de kerkenraad van de Reformierte Gemeinde hem, zijn godsdienstoefeningen te staken. Maar de volgende dag liet Kohlbrugge weten dat hij zich volgens kerkelijke orde gekwalificeerd en bevoegd achtte om te preken. Hoe hijzelf over de gang van zaken dacht, schreef hij in een brief van 15 december aan zijn vriend Johannes Wichelhaus. Hij had zich bij de Reformierte Gemeinde aangesloten onder voorwaarde, zich tot niets te verplichten dat in eredienst of kerkorde strijdig was met de gereformeerde belijdenis, en met name niet tot de Agenda. Maar na zijn toetreding veranderde alles. Krummacher deed het voorkomen alsof hij alles, de Agenda incluis, had aanvaard. Toen Kohlbrugge weigerde zijn godsdienstoefeningen te staken, dreigde Krummacher hem dat hij het land zou worden uitgezet!
   Enige maanden later, in april 1847, stichtten Kohlbrugge en zijn vrienden een eigen, van de Landskerk en de Staat onafhankelijke gemeente, die spoedig de naam Niederländisch-reformierte Gemeinde ontving.
   De wegen van Kohlbrugge en Krummacher gingen uiteen. Krummacher verwisselde in 1847 de Elberfeldse gemeente voor de Dreifaltigkeitsgemeinde in Berlijn. In 1853 werd hij hofprediker in Potsdam. Opvallend is dat hij in zijn Selbstbiographie Kohlbrugge slechts terloops noemt. Krummacher vermeldt alleen dat zich in de tijd van de Agendastrijd onder dr. Kohlbrugge een kleine zelfstandige gemeente vormde, die de naam van ‘sekte’ niet verdient, omdat ze in al haar leerstellingen rust op de grondslag van de Gereformeerde Kerk, terwijl zij de Heidelberger catechismus ook als geloofsbelijdenis erkent. Hoe voorkomend had Krummacher in juni 1833 zijn Hollandse gast ontvangen! Hoe verheugd had hij zich getoond, toen Kohlbrugge in november 1846 was toegetreden tot de Reformierte Gemeinde! Maar hoe spoedig was het goede contact veranderd in een conflict! Lic. Hermann Klugkist Hesse had het bij het rechte eind, toen hij in zijn bekende boek over Kohlbrugge schreef: ‘Er lagen in feite afgronden tussen beide mannen’.