Terug naar Ecclesianet.nl

Waarom ben ik gedoopt? (V)

Dr. H.C. VAN DER MEULEN, Veenendaal

Volkskerk
Het afwijzen van de kinderdoop ging en gaat gepaard met en kritiseren van de volkskerk(-gedachte). En het komt er in zekere zin ook uit voort. Kritiek op de volkskerkelijkheid is geuit in de 16de eeuw door de Anabaptisten en in onze eeuw door Karl Barth. In de 16de eeuw is het de vader van de Doopsgezinden, Menno Simons, die het naamchristendom van zovelen aanviel. Dit naamchristendom werd z.i. veroorzaakt en bevorderd door de kinderdoop. Het bestuderen van het N.T. bracht hem tot de opvatting, dat het dopen van kinderen onbijbels was, omdat aan de doop boetedoening en geloofsbelijdenis vooraf moeten gaan. In onze eeuw is het m.n. Karl Barth (1886-1968), die op nieuwe wijze de twee motieven, die Menno Simons eertijds tot het afwijzen van de kinderdoop brachten, naar voren bracht. Barth noemde reeds in 1939 deze twee motieven: het motief van het corpus christianum en dat van de in het N.T. betuigde correlatie geloof(sbelijdenis)-doop. Zowel bij Menno Simons als bij Barth is de doop geen betekenen en verzegelen van Gods belofte, maar een akte van gehoorzaamheid. De doop wordt zo een onderstreping van gelovige en belijdende beaming van hem of haar, die tot geloof gekomen is. Het accent komt zo te liggen op de individuele gelovige, terwijl het collectieve denken, dat uitgaat van de gelovigen en hun zaad (nageslacht), werd beperkt tot het O.T.

We hebben hierboven gezien, dat het "gij en uw huis", "gij en uw nageslacht", het "voor u is de belofte en voor uw kinderen" niet alleen het O.T., maar ook het N.T. typeert. En zowel van Oude als Nieuwe Verbond moet men tevens zeggen, dat het behoren tot het verbond niet afhangt van de band van het volk of van het bloed, maar van de verkiezende en roepende God, die zijn barmhartigheid en trouw bewijst aan de gelovigen en hun zaad, van geslacht tot geslacht. En "zodra men zegt: tot de kerk behoren de gelovigen en hun zaad heeft men de volkskerk in kiem", zo formuleerde Hoedemaker in de vorige eeuw.1) Zeer zeker bestaat er het gevaar, dat het woord "volkskerk" wordt misverstaan. Men kan het opvatten als "kerk van het volk", "kerk van een bepaalde natie". In zijn boekje over de Heilige Doop, dat in 1939 verscheen, maakt dr. J. Koopmans dan ook duidelijk onderscheid tussen "volk" in nationale en "volk" in de kerkelijke, bijbelse zin van het woord.2) Van hieruit levert hij ook kritiek op in de vorige eeuw naar voren gebrachtemening van J.A. Wormser, dat de Nederlandse natie een gedoopte, dus een christelijke natie is. "Ik stel daar tegenover, dat van de Schrift (en dus ook van de kerk) uit aan de natie geen enkel positieve betekenis toekomt. En wanneer een volksstam tot het Christendom overgaat, krijgt hij ook niet ineens als stam of volk een positieve betekenis vanuit het Evangelie."3) Wordt "volk" in bijbelse, kerkelijke zin verward met "volk" in nationale zin, dan is het volgens Koopmans slechts één stap verwijderd van het in het Duitsland van die jaren (dertig) gekoesterde spreken van de "positief-christelijke" grondslagen onder het Volkstum. Maar inzake het verstaan van de Doop moeten we geen ideologieën toelaten. De volken (naties) zijn alleen gebaat met het loutere Evangelie van Jezus Christus. "Dit Evangelie wordt niet op dezelfde wijze geërfd als het geuzenbloed. Het wordt verkondigd van geslacht tot geslacht. Het is de opdracht aan elke generatie de volgende generatie te roepen tot het Verbond van God. Zo wordt dit Verbond met Abraham bevestigd van kind tot kind. Abraham is echter de vader niet van de geuzen, maar van de gelovigen. Door den Heiligen Doop betuigt God Zijn Verbond en Zijn genade niet met het geslacht in biologische zin,imaar van geslacht tot geslacht - totdat de bazuin zal slaan en het volk van God uit alle geslacht en taal en natie zal toetreden en ingaan in het eeuwig Koninkrijk".4)

Het zuivere spreken over de "volkskerk" gebeurt dus vanuit de verkondiging van het verbond van die God, die trouw houdt van geslacht tot geslacht. Maar met de term "volkskerk" is nóg een gedachte verbonden, nl. de gedachte, dat Gods verbond niet beperkt wil blijven tot enkelingen, tot enige gezinnen, tot een selecte groep gelovigen, maar het héle leven wil aanraken, veranderen en doordringen, en héél het volk en héél de wereld onder het beslag van Gods Woord wil brengen.

In navolging van Hoedemaker heeft iemand als A.A. van Ruler de nadruk op het apostolaire karakter van het Evangelie gelegd. Het gaat in de kerk om het Evangelie van het Koninkrijk en om de gehoorzaamheid van het geloof onder de heidenen (de volken), ten behoeve van de Naam. "De kerk is als zodanig volkskerk of zij is geen kerk. Dat betekent niet dat de kerk alle leden van het volk omvat, het betekent nog veel minder, dat alles wat aan religieus leven onder het volk gist in de kerk nagist. Het gaat om het apostolisch evangelie. Dat wil alle momenten van het leven aanraken, omzetten en doordringen vanuit het heil in Christus, opdat het hele leven wordt wedergeboren tot rijk van God".5) "Hoe klein en hoe onbelangrijk de kerk ook geworden moge zijn, zij is en blijft volkskerk: zij alleen weet het mysterie van de wereld, namelijk dat deze bestemd is, verlost te worden tot het rijk".6)

Het begrip "volkskerk" heeft in deze visie alles te maken met het apostolaat en met de eschatologische gerichtheid van de gemeente van Christus. Hierbij moeten we vasthouden, dat als we van "volkskerk" spreken, we niet bedoelen, dat het "volk" de kerk, maar -omgekeerd- de kerk het "volk" moet doorlichten en stempelen. Apostolair is de kerk, omdat Christus haar opgedragen heeft: maakt alle volken tot Mijn discipelen, hen lerende en hen dopende. En eschatologisch gericht is ze, omdat het uiteindelijk gaat om het Rijk Gods, waarin het woord van de psalmist vervuld wordt: "Dat de volken U loven, o God; dat de volken altegader U loven. Dat de natiën zich verheugen en jubelen, omdat Gij de volken in rechtmatigheid richt, en de natiën op de aarde leidt" (Ps. 67 : 4v).

Niet maar enige zielen, maar de volken moeten uit hun heidendom worden bevrijd en tot discipelen van Christus Victor worden gemaakt (Matth. 28 : 19). Daarbij gaat het er niet puur om, "dat de mensen volksgewijze worden toegebracht tot Christus en het rijk, maar vooral daarom, dat zij in de weg van een verbreking en omzetting van het heidens zijnsverband, waarin zij zitten ingeklemd, worden toegebracht. Daarom staat er ook zo eigenaardig, dat de volkeren tot discipelen moeten worden gemaakt! De volkeren zijn de heidenen en de heidenen zijn de mensen in het heidense zijnsverband der dingen. Zij moeten onderwezen worden aangaande het rijk, dat in de plaats van het heidendom komt. Dat loopt natuurlijk ook via de enkelingen. Dezen worden gedoopt. Maar het is een comprehensive appmach" (Van Ruler).7)

Geloof en doop
Het is nodig om in de uiteenzettingen over het sacrament van de Heilige Doop ook aandacht te besteden aan de relatie tussen het geloof en de doop. Een van de grote bezwaren, zo niet het grootste bezwaar, tegen de kinderdoop, die worden ingebracht, betreft deze relatie. Moeten we, luisterend naar het getuigenis van het N.T., niet stellen, dat aan het ontvangen van de doop belijdenis van het geloof voorafgaat? Tegenstanders van de kinderdoop wijzen er steevast op, dat de relatie geloof-doop bij kleine kinderen (zuigelingen) toch volstrekt afwezig is. Vaak wordt hierbij ook een tegenstelling tussen het oude en het nieuwe verbond gemaakt: de besnijdenis onder het oude verbond wordt bepaald, zo wordt dan naar voren gebracht, door de natuurlijke afstamming of bloedverwantschap, maar de doop in het nieuwe verbond wordt alleen bediend na belijdenis van het geloof. Hierop kan het volgende worden geantwoord:

Allereerst is het een misvatting, dat de besnijdenis alleen maar zou worden bepaald door biologische afstamming of genealogische verwantschap. Besnijdenis is niet een onderstreping van biologische afkomst, maar een betekenen en bezegelen van de belofte Gods. Ze is een teken van het verbond, niet een teken van bloed, familie, stam of volk-als-zodanig. Gedurig lezen we in het O.T., dat het behoren bij het verbond een zaak is van Gods verkiezing en roeping. De uiterlijke besnijdenis van de voorhuid op de achtste dag beoogt en vraagt om de besnijdenis van het hart. Zie het boek Deuteronomium. Zie de profeten. Zie de Psalmen, waarin, ons duidelijk wordt, dat de Here niet tevreden is met formele, uiterlijke godsdienst, maar alleen met de vreze des Heren. "God sluit allen, die Abrahams zaad zijn, ongevraagd in in Zijn genade-verbond, maar roept tegelijk die allen tot waarachtig geloof, en is met minder geen ogenblik tevreden. D,e Heere beveelt op straffe des doods elk knaapje van 8 dagen te besnijden-, maar eist van elke besnedene bekering en besnijdenis des harten" (G. Oorthuys).8) Zowel het oude als het nieuwe verbond wordt beheerst door de relatie geloof-verbondsteken.

Ten tweede: we lezen in het N.T. inderdaad meer dan eens, dat zij gedoopt werden, die tot geloof gekomen waren. "Zij dan, die zijn woord aanvaardden, lieten zich dopen en op die dag werden ongeveer drieduizend zielen toegevoegd" (Hand.2:41). "Toen zij geloof schonken aan Filippus, die het evangelie van het Koninkrijk Gods en van de naam van Jezus Christus predikte, lieten zij zich dopen, zowel mannen als vrouwen. En ook -Simon (nl. de tovenaar) zelf kwam tot geloof, en na gedoopt te zijn, bleef hij voortdurend bij Filippus..." (Hand. 8 : 12v.). "En Crispus, de overste der synagoge, kwam tot geloof in de Here met zijn gehele huis, en vele van de Korinthiërs, die hem (Paulus) hoorden, geloofden en lieten zich dopen" (Hand.18:8). Het gedoopt worden van deze mensen geschiedt nadat zij tot geloof gekomen zijn en nadat het gepredikte Woord aanvaard werd. Maar duidelijk is, dat het hier steeds volwassenen betreft. En dat is ook begrijpelijk. In een missionaire situatie, zoals in de tijd van de Handelingen en zoals nu nog op het zendingsveld, worden eerst grote mensen, die tot geloof gekomen zijn, gedoopt. Het dopen gebeurt niet zomaar, niet automatisch. Het ontvangen van het teken van het verbond geschiedt langs de weg van het geloof. De erfenis der genade mag en wil worden ontvangen. Daarom, wanneer kleine kinderen in de kerk gedoopt worden, doen hun ouders eerst in het openbaar temidden van de gemeente belijdenis van het geloof. De jonge dopeling bevindt zich in de handen van ouders, die het kind ten doop houden in het geloof. En zij beloven ook hun kind te zullen onderwijzen en te laten onderwijzen, opdat het later zijn doop zal leren verstaan. Het kleine kind kan zelf nog geen belijdenis doen. Dat doet het, als het goed is, later. Maar dit betekent niet, dat het kind niet als erfgenaam zou mogen worden aangeduid. Niet alleen grote mensen, die voorlezen van het testament kunnen aanhoren en begrijpen, zijn erfgenamen, maar ook de kinderen, ook al beseffen zij pas later welk een rijkdom de erflater hen naliet! Zo zegt ook-Calvijn, dat de kinderen gedoopt worden "tot toekomstige bekering en het toekomstig geloof; want ofschoon die nog niet in hen gevormd zijn, ligt toch het zaad van beide door de verborgen werking des Geestes reeds in de kinderen besloten" (Inst.IV, 16,20). In de geschiedenis van de zegening van de kleine kinderen door Jezus wordt ons voor ogen gesteld, dat Jezus hen tot burgers van het Koninkrijk Gods verklaart. Zij werden door hun ouders bij Jezus gebracht. En zij zelf konden nog niet begrijpen wat hun burgerschap van dit Rijk inhield. Maar Jezus neemt hen aan en zegt er zelfs bij: Ik zeg u, wie het Koninkrijk Gods niet ontvangt als een kind, zal het voorzeker niet binnengaan. Dus ook de volwassene gaat langs deze weg, de weg van het ontvangen het Rijk binnen. In die zin kan men zeggen, dat ook de volwassendoop een "kinderdoop" 9)

De heilige doop wordt ontvangen langs de weg van het geloof. Als het om de doop van een kind gaat langs de weg van het geloof van de ouders en van de gemeente. Maar dit "langs de weg van het geloof' drukt wel uit, dat het geloof niet een conditie (voorwaarde) is en dat het geen component of complement van de doop zelf is! "Want het geloof is niet mede-constitutief voor het heil, maar het ontvangt het heil" (C. Trimp).10) Het geloof is de hand, die gevuld wordt, die het geschenk aanneemt, maar behoort niet tot het cadeau zelf!

1) Troffel en Zwaard, 1898, blz. 220 ev.

2) J. Koopmans, De Heilige Doop, Nr. 9 uit de serie: Onze Tijd, Nijkerkz.j. [1939], blz. lOev.

3)a.w.,blz. 11.

4)a.w.,blz. 12.

5) A.A. van Ruler, Blij zijn als kinderen, Kampen 1972, blz. 230.

6)a.w.,blz. 231.

7) A.A. van Ruler, Heeft het nog zin van "volkskerk" te spreken? Geschriften betreffende de orde der Ned. Herv. Kerk no. 8 (juli 1958), Wageningen, blz.15.

8) G. Oorthuys, De Sacramenten, blz. 93.

9) Zo schrijft ook A.M. Lindeboom in zijn boekje Moeten kleine kinderen worden gedoopt?, Den Haag 1965 (derde herziene druk): "En...herinner ik eraan dat weliswaar de één als groot mens wordt gedoopt en de ander als kind, maar dat de doop van grote mensen als het goed is alleen dan plaats grijpt als ze eerst geworden zijn als de kinderen. En kinderen kiezen zelf niet! We moeten nooit voorbijzien dat in deze zin ook de volwassendoop een kinderdoop is"(blz. 89).

10) Woord, water en wijn, blz. 67.