Terug naar Ecclesianet.nl

Getuigen van Christus in de nazi-tijd (IV)

Dr. H. KLINK, Hoornaar

Een onzekere toekomst
Op 5 april 1943 werden Bonhoeffer, von Dohnanyi en generaal Oster gevangen genomen in de militaire gevangenis Berlijn/Tegel. De schrijfster maakt de latente en constante spanning waarmee Bonhoeffer in de maanden na zijn gevangenneming leefde, op veel bladzijden van haar boek voelbaar. Voor het uiterlijk gebeurde er heel weinig. De dagen regen zich eentonig aaneen en werden gekenmerkt door eenzelfde patroon, dat af en toe onderbroken werd door een verhoor. Reden om een zelfgefabriceerde kalender goed bij te houden.

De innerlijke spanning was er des te groter om. Als men een draadje wist los te peuteren uit de onontwarbare kluwen van wat Bonhoeffer of zijn zwager verborgen hield, kon het gebeuren dat men niet meer losliet en dat de hele zaak opengetrokken werd. Hoe kon Bonhoeffer zijn ondervragers op een vals spoor leiden? Wat hadden de anderen gezegd?

Na verloop van tijd werd het hem duidelijk dat de nazi's lang niet alles wisten. Ze waren op de hoogte van zijn reizen naar het buitenland (zogenaamd in dienst van de Abwehr). Het vermoeden dat zijn eigenlijke reisdoel subversief was voor het Hitler-regime kon echter niet hard gemaakt worden. Belangrijke kopstukken van het complot tegen Hitler zoals admiraal Canaris en generaal Beek waren buiten schot gebleven.

Via het gevangenispersoneel waarmee Bonhoeffer na verloop van tijd goed overweg kon, kreeg hij de beschikking over studieboeken. Ook kon hij met een zekere regelmaat naar huis schrijven, bezoek ontvangen en pakketten met voedsel en boeken in ontvangst nemen.

Veelal bevatte de literatuur een afgesproken code, een bepaalde boodschap voor Bonhoeffer. Zo kon Bonhoeffer zijn verklaringen afstemmen op die van anderen, waarvan zijn ouders afwisten. Deze manier van communicatie werkte! Dietrichs ondervragers werden op een dood'spoor geleid. Aan het einde van de zwarte tunnel waar hij doorheen moest, gloorde licht. Daarnaast leefde Bonhoeffer in de hoop dat de groep die een staatsgreep voorbereidde alsnog kans zag om de Führer om het leven te brengen.

De fataïe 20e juli 1944
Alle hoop werd echter de bodem ingeslagen op de fatale dag van 20 juli 1944 toen een zoveelste aanslag op Hitler mislukte. Het nieuws drong via de radio door in de gevangenis waar Bonhoeffer inmiddels op de ziekenafdeling werkte. Als een donderslag bij heldere hemel werd gemeld dat enkele belangrijke generaals bij het complot betrokken bleken. Het was duidelijk dat zij hun straf niet zouden ontgaan.

Door deze mislukte aanslag kwam de Gestapo op het spoor van admiraal Canaris en generaal Beek. In Zossen vond de geheime politie de belastende papieren van Hans von Dohnanyi. Ook Bonhoeffers naam kwam erin voor. Deze ontdekking was voor Bonhoeffer de nekslag. Kort na de mislukte coup werd hij overgedragen aan de Gestapo. Dat betekende dat hij overgebracht werd naar de keldergevangenis van de Gestapo aan de Prinz-Albrecht-Strasse en onderworpen werd aan de ondervragingsmethoden van de gevreesde politie.

Dat gold ook voor de anderen die bij het complot betrokken waren. In aangrenzende cellen verbleven Oster, Canaris en Beek. Tijdens het luchten en bij het tanden poetsen was er een mogelijkheid om elkaar te zien. Beek liet Bonhoeffer door rondingen van zijn mond en vingergebaren weten dat men op het spoor gekomen was van de geheime papieren van Hans van Dohnanyni. Door middel van oogcontact en via haastig uitgewisselde woorden probeerde Bonhoeffer de anderen moed in te spreken. Moed, die hij zelf uit de bijbel putte.

Een ontroerende laatste ontmoeting
Een enkele ontroerende gebeurtenis uit deze donkere periode in Bonhoeffers leven wil ik niet onvermeld laten: het betreft de ontmoeting met zijn zwager Hans. De Gestapo kwam er na de ontdekking in Zossen natuurlijk spoedig achter dat Hans een spin in het web van het complot was. Er is maar weinig verbeeldings-

kracht voor nodig om zich voor te stellen aan welke verhoormethoden de Gestapo hem onderwierp. Om enigermate uit hun handen te blijven had Dietrichs vader, die arts was, op Hans' verzoek al enige tijd geleden kans gezien om difteriebacteriën de gevangenis binnen te smokkelen, waar Von Dohnanyni maar al te graag gebruik van maakte.

Op een dag werd er tegenover de cel van Bonhoeffer iemand uitgemergeld en verwond door martelingen door de bewakers op de gang neerge-gooid, terwijl men hem in zijn eigen vuil liet liggen -dagen lang. Tot Bonhoeffers ontzetting bleek het zijn zwager te zijn. Hij kon niets voor hem doen, totdat op een nacht het inmiddels bekende luchtalarm afging en de inslagen van de bommen heel dichtbij kwamen. In de verwarring die ontstond, zag Bonhoeffer kans om zijn zwager te bereiken. Het bood hem de gelegenheid om een tijdlang op de uitgestorven gang bij hem te zijn en hem zo goed en kwaad als het ging te verschonen en te verzorgen. Hans vertelde met zwakke stem dat het goed zou zijn als hij een nieuwe zending bacteriën kreeg. Ziek blijven was van het allergrootste belang.

Met alle liefde en zorgzaamheid die in hem was sprak Bonhoeffer zijn doodzieke zwager aan, las met hem uit de bijbel en... zag in deze barre omstandigheden kans om met hem het Avondmaal te vieren. Vanwege het werkelijk ontroerende gesprek dat zij voerden, haal ik de passage waarin mevr. Glazener er melding van maakt in zijn geheel aan. Het citaat begint daar waar Hans aan Bonhoeffer vraagt, of ze er goed aan gedaan hebben om "het zwaard op te nemen" tegen Hitler.

'"Denk jij dat wat we gedaan hebben juist was?

Zal dat iets uitmaken?' 'Ik weet niet hoeveel verschil het zal uitmaken, maar ik denk dat we juist gehandeld hebben.'

'Alleen te weinig, te laat.' Hans' stem stierf weg, vervolgens draaide hij zich om naar Dietrich. 'Wens jij weieens dat je in de Verenigde Staten gebleven was?'

'Nee. Mijn plaats was hier en dat wist ik. Ik heb er nooit spijt van gehad. Lange tijd - speciaal sinds 20 juli - ben ik zeker geweest van Gods leidende hand. Dat is bevrijdend. Het heeft me geholpen dit alles te aanvaarden als een uitvloeisel van ons handelen - een totstandbrengen van vrijheid - hoe het ook zal eindigen.'

'Vrijheid? Ik zie dit helemaal niet als vrijheid', zei Hans.

'Maar ze kunnen ons toch eigenlijk niets doen? In ons diepste wezen? Wij zijn degenen die vrij zijn, niet zij.'

Tenslotte zei Hans: 'Soms denk ik aan de woorden van de "Matthaus Passion" en dan hoor ik stukjes muziek. Maar de woorden! Ik wil de woorden horen. En, Dietrich, ik wil het avondmaal ontvangen. Is dat op deze plek mogelijk?'"

In zijn cel opende Dietrich de aardewerken fles met wijn die hij uit Tegel had meegebracht. Zijn moeder had die bijna een jaar geleden aan hem gezonden, nu zat er niet veel meer in. Hij goot het restje in zijn tinnen beker. Uit het pakket van woensdag nam hij een schone zakdoek en het brood. Met dit alles en de bijbel keerde hij terug naar Hans' cel. Dietrich legde de zakdoek op tafel en zette het brood en de beker erop. Vanaf zijn plaats op de grond las hij uit het Evangelie naar Markus de woorden van Jezus bij het Laatste Avondmaal. Knielend naast de brits van Hans bad hij het dankgebed voor het offer van de Heer. Hans leunde op zijn elleboog terwijl Dietrich het brood brak en aan hem gaf met de woorden 'Dit is het lichaam van Christus, voor jou gebroken.' Daarna gaf Dietrich hem de beker en zei: 'Dit is het bloed van Christus voor jou vergoten.' Hans dronk van de beker en Dietrich vroeg: 'Wil je dit nu voor mij doen?'

'Mag dat wel. Een leek?' vroeg Hans.

'Ja'.

Hans gaf met trillende handen het sacrament aan Dietrich. Daarna zongen ze samen het avondmaalslied 'Gott sei gelobet.'"

De bijbel als bron van troost
Het gesprek tussen beide mannen geeft eens te meer aan hoe dicht Bonhoeffer in zijn gevangenisperiode leefde bij de Schriften. In de dagindeling die hij zichzelf had opgelegd, kwamen uren voor van lezen uit de psalmen, de profeten en de evangelië
n, uren ook van ji meditatie en gebed. Hij had er zich aan gewend om j passages uit de bijbel uit het hoofd te leren. Het lezen en mediteren werd afgewisseld door lichaamsbeweging en andere bezigheden - dit alles om helder van geest te blijven en om een betrekkelijke gezondheid te garanderen.

In deze maanden van hechtenis hield één gedachte Bonhoeffer vooral bezig; de waardering van het aardse leven. En dat in het licht van het Woord van God. Veel is over dit aspect van Bonhoeffer gespeculeerd. Met name onorthodoxe theologen hebben er naderhand aanleiding in gezien om de secularisatie te accepteren.

En inderdaad trekt Bonhoeffer onzes inziens zaken als eeuwigheid en tijd, schepping en geschiedenis, die in de bijbel dicht bij elkaar horen, te ver uit elkaar ten gunste van de tijd, de geschiedenis, de wereld. Dat werkt verwarrend. Als we ze echter zien in het licht van zijn gevangenisperiode wordt ons veel helder.

Het is een bekend verschijnsel dat degenen, die verstoken zijn het verwonderlijk mooie van de schepping des te meer gaan waarderen. Ze krijgen iets visionairs. En juist deze waardering van de aardse werkelijkheid als schepping van God, waar het licht van Gods goedheid overheen valt, heeft Bonhoeffer aangegrepen! Maar dat bracht hem er juist toe om het leven niet als geseculariseerd mens, los te zien van zijn goddelijke oorsprong, als louter natuur. Integendeel: het gewone leven wist hij te waarderen als iets waar wij mensen van kunnen genieten als we haar kunnen zien als schepping van God.

Sommige van Bonhoeffers uitspraken roepen herinneringen op aan wat de Prediker ons voorhoudt. Dit bijbelboek, waarin ogenschijnlijk zoveel sombere woorden gesproken worden over de aardse werkelijkheid, stelt ineens: "Ik heb ingezien (...) als men zich verheugt en zich te goed doet in dit zijn leven, kortom als iemand eet en drinkt en het goede geniet bij al zijn zwoegen, dan is dat een gave van God." (Prediker

3:12,13). Daar flitst plotseling de scheppingsgave en de scheppingsbedoeling over het ijdele en donkere van het leven heen.

Dit opbeurende en verheffende, dat Luther op onnavolgbare wijze in zijn uitleg van het boek Prediker vertolkt heeft, moet Bonhoeffer ondervonden hebben in zijn gevangeniscel. En dat was er de oorzaak van dat hij zo positief kon blijven - naar zijn verloofde, maar ook naar zijn medegevangenen. Ook hier valt in het denken en leven van Bonhoeffer de invloed van de Bergrede te bespeuren. Wijst Christus ons niet juist daar waar gesteld wordt, dat onze schat in de hemelen is, eveneens op de leliën in het veld en de vogels in de lucht, als op Gods schepping? En verbindt Hij er niet de boodschap aan dat God zorgt - voor de gewone dingen van het leven, die we in Zijn licht mogen zien en ontvangen, zodat ons leven als bewuste mensen gaat lijken op dat van de onbewust levende vogels die niet maaien en die niet zaaien, die niet zorgen, maar "gelovig" doen wat God hen te doen geeft en "gelovig" genieten van het goede van Gods schepping? Men leze er Luther in zijn uitleg op Prediker en op Mattheüs 6 op na!

Vertekeningen
Kortom: het goede wat God in de schepping geeft, leerde Bonhoeffer meer en meer als zelfstandige gave en opgave van God aan de mens waarderen.

Tot welke vertekeningen Bonhoeffers uitspraken ondertussen geleid hebben, kan het volgende illustreren:

Mevr. Glazener vertelt ons over een gebeurtenis waar Bonhoeffer in zijn aantekeningen melding van maakt. In een nacht vindt er een bombardement plaats. Lichtflitsen doorklieven de nacht, het gesuis van vallende bommen en de dreunen - ook vlak bij de gevangenis - die de inslagen te horen geven, veroorzaken een sfeer van paniek. De gevangenen is het niet vergund om van een schuilkelder gebruik te maken. Grote spanning is het gevolg. Als dan ineens een geweldig geraas dichtbij komt, de gevangenis op haar grondvesten trilt en er gruis van de muren valt, roept een hospitaalsoldaat, die anders heel lichtzinnig was "God, ach God". Bonhoeffer kon op dat moment, zoals hij het zelf zegt "echt geen christelijk woord van bemoediging of troost tot hem spreken; ik merkte dat ik op mijn horloge keek en zei: 'nog hooguit tien minuten en het is voorbij'". Naoorlogse lezers van Bonhoeffer hebben in dergelijke aantekeningen een legitimatie gevonden voor een "wereldlijk" leven, waarin men in nood niet bidt!

Zo stelt bijvoorbeeld Ton Crijnen in een bijlage in het dagblad Trouw, van 8 april 1995: "De oude volkswijsheid dat nood leert bidden, bleek zelfs tijdens de meest helse bombardementen op Berlijn niet op te gaan. Ook voor Bonhoeffer niet." Vervolgens verwijst Ton Crijnen naar de zojuist geschetste gebeurtenissen. Crijnen wekt met soortgelijke uitspraken de indruk dat de weg van het gebed voor Bonhoeffer zélf in deze omstandigheden niet begaanbaar was. Bonhoeffer dus als theoloog van de secularisatie!

Veel menselijker, christelijker en subtieler interpreteert mevr. Glazener Bonhoeffers zwijgen, als zij aangeeft dat de hospitaalsoldaat die de uitroep deed, normaal onverschillig, soms cynisch was. Dat bepaalde Dietrichs houding. "Dietrich kon er zich niet toe brengen om hem een stichtend woord van troost te bieden." Hij achtte het verkeerd om op zo'n moment -een moment van levensgevaar voor iemand die ongelovig is - godsdienst op te dringen. Wie herkent niet, zo zouden we willen zeggen, in de omgang met cynische mensen, een dergelijke reactie, waarin we met de situatie geen raad weten en er iets in ons is dat ons ervan af doet zien om iemand, die voor het overige onverschillig is, maar gelijk op God te wijzen, als goedkope troost. Dat is het wat Bonhoeffer niet op kon brengen! Vanzelfsprekend houdt dat in geen enkel opzicht in datje niet overtuigd bent van het feit dat in God de enige en vaste troost gelegen is.

Dat we een verklaring voor Bonhoeffers houding in deze richting moeten zoeken, blijkt zondermeer uit al die andere woorden van troost die Bonhoeffer wèl gesproken heeft in de gevangenis. Woorden van bemoediging voor admiraal Canaris, in het ronden van zijn lippen en het uitspreken van het woord "moed".

En wat, in dit verband, te denken van wat Goerdeler, een ander lid van het complot tegen Hitler, overkwam? De Gestapo stoorde hem plotseling in zijn slaap en zei, zo vertelt mevr. Glazener "'Vooruit, wakker worden ik wil wat van uw broer weten?' 'Mijn broer?' zei Goerdeler, met-begrijpend en slaperig. Waarop de SS-er zei: 'Hij wist van die plannen van 20 juli niet? Half-slapend zei Goerdeler: 'Ja, dat wel'. Ineens realiseerde hij zich wat hij gezegd had en probeerde zijn verzuim goed te maken. Tevergeefs. Twee dagen later vertrouwde hij in wanhoop Bonhoeffer toe dat hij zijn broer had verraden, die inmiddels was vermoord door de Gestapo. Het was zijn -schuld. Bonhoeffer wees hem erop dat het sluw was van de Gestapo om hem ia zijn slaap te overvallen met dergelijke vragen. In zijn cel teruggekomen, schreef hij op een briefje: "Kostbaar is in de ogen des HEREN de dood van zijn gunstgenoten" en "Hij neigt zijn oor tot mij". Tijdens het avondlijke bezoek aan de wasruimte stopte hij het papiertje in de hand van Goerdeler. In die nacht las Bonhoeffer, zo tekent hij aan, uit de Filipenzenbrief, waar Paulus schreef: "Het is mijn vurig verlangen en hopen, dat ik in geen enkel opzicht beschaamd zal staan, maar dat met alle vrijmoedigheid, zoals steeds, ook nü Christus zal worden groot-gemaakt in mijn lichaam, hetzij door mijn leven, hetzij door mijn dood.' Deze woorden gaven hem kracht. Over het bieden van christelijke troost gesproken! En wat te denken over het Avondmaal met zijn zwager Hans in de donkere gangen van de gevangenis, waarvan al sprake was. Hoe ver zit Ton Crijnen ernaast! Bij lezing van het boek van mevr. Glazener valt het juist op dat door de houding en het geloof van Bonhoeffer, zelfs in de meest schrijnende omstandigheden bronnen van troost kunnen worden aangeboord. "Want het woord van God is levend en krachtig (...) en het dringt door, z6 diep, dat het vaneen scheidt ziel en geest, gewrichten en merg en het schift overleggingen en gedachten van harten"! (Hebr. 4:12).