Terug naar Ecclesianet.nl

Waarom ben ik gedoopt? (III)

Dr. H.C. VAN DER MEULEN, Veenendaal

Onderscheid
Er is naast de overeenkomst ook onderscheid tussen beide tekenen. Dit onderscheid hangt samen met de openbaring van Jezus Christus.

Niet voor niets wordt de doophandeling in het N.T. nauw verbonden aan de persoon en het werk van Christus. Men wordt gedoopt in of op de Naam van Jezus. En de apostel Paulus schrijft indringend over het met Christus begraven zijn door de doop in zijn dood en opstanding. "Want indien wij samengegroeid zijn met hetgeen gelijk is aan zijn dood, zullen wij het ook zijn (met hetgeen gelijk is) aan zijn opstanding" (Rom. 6 : 5). "Indien wij met Christus gestorven zijn, geloven wij, dat wij ook met Hem zullen leven" (Rom. 6 : 8). "Zo moet het ook voor u vaststaan, dat gij wèl dood zijt voor de zonde, maar leivend voor God in Christus Jezus" (Rom. 6 : 11). Vanuit deze woorden van Paulus over de betekenis van het in de doop met Christus begraven en opgewekt zijn kan het onderscheid tussen besnijdenis en doop duidelijk worden gemaakt. In het nieuwe verbond ontplooit zich de genade van God in al haar rijkdom en volheid' "De genade des Nieuwen Verbonds is niet armer maar rijker, voller, dan die des Ouden Verbonds. Niet slechts schaduwen der genade, maar Christus zelf hebben wij. Niet meer slechts de jongens, maar ook de meisjes ontvangen het zegel des Verbonds. Niet meer slechts in Israël, maar onder alle volken bouwt God Zijn Koninkrijk. Daarom kunnen Oud en Nieuw Verbond ook tegenover elkaar gesteld worden. Het Oude is nog slechts schaduw en belofte. Het nieuwe is de vervulling, de volheid der genadeopenbaring" (G. Oorthuys)1).

Het onderscheid tussen besnijdenis en doop heeft dus alles te maken met de openbaring van Jezus Christus. Zijn komst en zijn werk als Redder brengen de volheid van wat onder het oude verbond beloofd is. Door deze vervulling is er verschil tussen het oude en nieuwe verbond en zo ook tussen de beide tekenen van het verbond. Dit verschil is tweeërlei: 1) de tijd van de ceremonieën, de offers, het oudtestamentisch priesterschap is voorbij; 2) in het genadeverbond worden nu ook, naast de jongens, de meisjes drager van het teken van het verbond en worden, naast Israël of beter bij Israël, de volken in het verbond opgenomen.
Luisteren we nog eens naar Calvijn, als hij schrijft over wat gelijk is in beide tekenen van het verbond en wat de verschillen zijn. "De belofte, in welke (...) de kracht der tekenen gelegen is, is in beide gelijk, namelijk de belofte van Gods Vaderlijke gunst, van de vergeving der zonden en van het eeuwige leven. Vervolgens is ook de afgebeelde zaak één en dezelfde, namelijk de wedergeboorte. Het fundament, waarop de vervulling van die dingen steunt, is in beide één. Daarom is er in 't geheel geen verschil in de inwendige verborgenheid, waaruit de gehele kracht en eigenaardigheid der sacramenten moet geoordeeld worden. De ongelijkheid, die overblijft, is gelegen in de uiterlijke ceremonie, die het geringste deel is, daar het voornaamste deel aan de belofte en de betekende zaak hangt. Dus mag men vaststellen, dat al wat op de besnijdenis past, ook behoort tot de Doop, uitgezonderd het onderscheid van de zichtbare ceremonie" (Inst.IV,16,4). Wat wij met de Joden gemeen hebben, zo zegt Calvijn dan verderop, is de bevestiging van Gods verbond en de reden van de bevestiging. "Het verbond is gelijk, en de oorzaak der bevestiging is ook gelijk. Slechts de manier der bevestiging is verschillend, omdat zij de besnijdenis hadden, in wier plaats bij ons de Doop gekomen is" (Inst.IV,16,6).

De doop in de plaats van de besnijdenis
De gedachte, dat de doop in de plaats van de besnijdenis is gekomen, vinden we in navolging van wat Calvijn leerde, ook in de gereformeerde confessionele en liturgische formulieren. Art. 34 belijdt: "Wij geloven en belijden, dat Jezus Christus, die het einde der wet is, door zijn vergoten bloed een einde gemaakt heeft aan alle andere bloedstortingen, die men zou kunnen of willen doen tot verzoening en voldoening der zonden; en dat Hij, afgedaan hebbende de besnijding, die met bloed geschiedde, in de plaats daarvan heeft verordend het sacrament van de doop, door hetwelk wij in de Kerk Gods ontvangen en van alle andere volken en vreemde religië
n afgezonderd worden, om geheel Hem toegeëigend te zijn, zijn merk en veld-teken dragende ...". En de Heidelbergse Catechismus spreekt uit, dat in het nieuwe verbond de doop in de plaats van de besnijdenis is gesteld ("de besnijdenis ..., voor dewelke in het nieuwe verbond de Doop ingezet is"). Het klassiek-gereformeerde doopformulier zegt aan het slot: "Dewijl dan nu de Doop in de plaats der besnijdenis gekomen is ...".

Omdat we in onze tijd inzake de verhouding Kerk en Israël het foutieve van de zgn. vervanging stheolo-gie (de Kerk heeft de plaats van Israël ingenomen; Israël speelt na Christus geen aparte, eigen rol meer in Gods bedoeling met zijn wereld) zijn gaan inzien, vraagt de klassiek-gereformeerde formulering om een nadere toelichting. Want de woorden "in de plaats van" worden ook zo gebruikt in de genoemde substitutieleer (vervangingsleer). Deze vervangingsleer is al heel oud en men kan er zich over verbazen hoe snel in de kerkgeschiedenis gewichtige hoofdstukken in Paulus' brief aan de Romeinen zoals 9-11 verwaarloosd, onbekend of eenzijdig vertolkt zijn geworden. De doop heeft in de kerkgeschiedenis voor een groot deel als een anti-joods teken gefunctioneerd. Men verstond de doop dan niet als het teken, dat we "bij Israël ingelijfd" mogen zijn, integendeel: meer dan eens werden Joden gedwongen zich te laten dopen. Beschamend is het te lezen hoe Joden in Europa voor de keuze werden gesteld: of de dood of de doop.

Vooral de Middeleeuwen kennen vele zwarte hoofdstukken in het boek van de kerkgeschiedenis. Maar ook in later eeuwen woekert het giftige gewas van het antisemitisme voort. Uitzonderingswetten, verdachtmakingen, verboden, die het onmogelijk maken, dat Joden bepaalde beroepen of ambten zullen bekleden, dwingen de Joden letterlijk en/of figuurlijk in een getto-positie. In de 18de en 19de eeuw - de tijd van de joodse emancipatie - proberen de Joden in ons werelddeel een wat vrijere weg te vinden door enerzijds loyaal staatsburger te willen zijn in het land, waar men woont en anderzijds de joodse, eigen identiteit te bewaren. In dit tijdvak laten ook vele Joden zich dopen, onder wie bijvoorbeeld ook de duitse dichter en filosoof Heinrich Heine (1797 - 1856). Hij werd op 18 juni 1825 in Heiligenstadt gedoopt. Hij liet zich eigenlijk uit maatschappelijke overwegingen dopen, om zich zoals hij het zelf heeft uitgedrukt, "door het doopbriefje, door het doopbewijs, een entreebiljet in de Europese cultuur" te verwerven. De doop is zo geen teken van het verbond der genade meer, maar een soort "cultureel" paspoort om deel te kunnen hebben aan de schatten van het "christelijke Avondland". Hoe staat alles hier op zijn kop en hoe verdonkerd is het teken van de doop dan! Maar ook in onze eeuw zijn er gebeurtenissen; van grote of van kleine omvang, die gemaakt hebben, dat het sacrament van de doop een oneigenlijke en anti-joodse klank verkreeg. Nog maar ruim twftitig jaar geleden werden we getroffen door de oliecrisis (1973 - 1974). We maakten kennis met het fenomeen van de autoloze zondag. Maar dat niet alleen. Om Israël, dat net de Jom Kippur-oorlog had gewonnen, in zijn economie te treffen, wilden Arabische landen geen zaken meer doen met welk joods bedrijf waar ook ter wereld ook. Daarom moesten ook Nederlanders, die naar arabische landen in het Midden-Oosten wilden reizen of daar arbeid wensten te verrichten, eerst zorgen voor een niet-Jood-verklaring. Zodoende werden kerkenraden, predikanten en kerkelijke bureaus in die tijd bij herhaling geconfronteerd met verzoeken om een doopbewijs af te geven. Met dit doopbewijs kon de aanvrager dan immers aantonen, dat hij niet tot een Israëlitisch kerkgenootschap of tot het joodse volk in het algemeen behoorde. Nog maar net in mijn eerste gemeente bevestigd, ben ik zelf ook met zo'n aanvraag geconfronteerd. Een aanvraag, die ik heb geweigerd, omdat de aanvrager duidelijk aangaf, dat hij het doopbewijs nodig had om Saoedi-Arabië binnen te kunnen komen. Ik herinner mij, dat ik de man vroeg of hij niet besefte, dat hij met zijn aanvraag lijnrecht tegen het wezen en de betekenis van de doop inging. Maar de man werd door mijn opmerkingen alleen maar erg boos. Omdat ik weigerde een doopbewijs op te sturen, dreigde hij mij een proces aan te doen. Nu geef ik toe, dat, toen ik na het gesprek de hoorn weer op de haak gelegd had, ik wel een beetje trilde van de zenuwen. Maar ik was ook blij, dat de man zo duidelijk had aangegeven voor welk doel hij het doopbewijs wenste en dat ik hem aan het teken, dat hij toch ook eens had ontvangen, en zijn betekenis had herinnerd. Ik weet, dat ik daarna nog een brief naar dr. A.A. Spijkerboer geschreven heb en van hem een bemoedigend antwoordt mocht ontvangen.

Op 21 december 1974 richtte het moderamen van de Generale Synode van de NHK zich via Woord en Dienst tot de kerkenraden met de volgende oproep: "Naar zijn mening moet aan de kerkeraden ten stelligste worden ontraden doopbewijzen te verstrekken voor andere doeleinden dat strikt kerkelijke. Wanneer uit deze doopbewijzen zou moeten blijken, dat de betrokkene niet-Jood is, zou de afgifte hiervan niet in overeenstemming zijn met de taak, het wezen en de doelstelling van de kerk van Christus". Op precies dezelfde datum vier jaar later verzond het moderamen een brief aan alle kerkenraden en predikanten. Het deed daarin een beroep op de pastorale verantwoordelijkheid van de kerkenraden bij de afgifte van doopbewijzen. Maar was het niet goed een en ander ook in de kerkorde op te nemen? In de loop van 1981 richtten enige classes en de PKV van Utrecht zich tot de Synode met een voorstel om Ordinantie 8-3 van de kerkorde te wijzigen. De PKV van Utrecht had hiervoor advies ingewonnen bij de Raad voor de verhouding van Kerk en Israël. Aan dit overleg is mede te danken, dat Ord. 8-3 een extra lid kreeg toegevoegd per 1 Januari 1983. Ord. 8-3-8 luidt als volgt: "De ker-keraad kan op verzoek ook later zulk een verklaring (nl. een doop verklaring, vdM) afgeven, echter alleen voor doeleinden, waarvan hem aangetoond ,is dat zij niet strijdig zijn met het belijden der kerk".

Keren we nu, na deze historische uitweiding, terug naar de vraag: kan men zomaar zeggen, dat de doop in de plaats van de besnijdenis gekomen is? Uit het voorgaande zal duidelijk geworden zijn, dat dit niet "zomaar" gezegd moet worden. Elke indruk, dat het om een vervangingstheologische gedachte zou gaan, moet worden vermeden. De doop maakt niet los van Israël, maar verbindt juist met Israël. Daarom kunnen we in een doopdienst ook zingen: God zal hen zelf bevestigen en schragen en op zijn rol, waar Hij de volken schrijft, hen tellen, als in Isrel ingelijfd, en doen de naam van Sions kind'ren dragen (Ps. 87 : 3).

Er is trouwens nog een manier om de doop van Israël los te maken, nl. door te stellen: zoals de besnijdenis alleen voor Israël geldt, zo hoort de doop alleen bij christenen uit de volken. De Jood heeft de doop niet, de christen heeft hem wel nodig. Dit is de mening van hen, wier visie wel wordt aangeduid met de "twee wegenleer". Volgens deze visie hebben Israël en de volken niet alleen een verschillende plaats in Gods heilsgeschiedenis en Zijn plan met de wereld, maar moeten zij beiden ook een verschillende weg afleggen om tot het heil en de verlossing te geraken: Israël langs de weg van het volbrengen van de wet en de volken langs de weg van het geloof in Jezus Christus. De gedachte van de tweewegenleer is met name door de Joodse denker Franz Rosenzweig (1886-1929) ontwikkeld. Daarmee, zo moet men wel bedenken als men hem recht wil doen, beoogde hij méér dan slechts het verschil te beklemtonen en Israël en het christendom uit elkaar te houden. "Rosenzweig heeft ons geleerd om kerk en christendom in hun relatieve waarde te waarderen en met het oog daarop de gestalte van het joodse volk als een kostbare en onontbeerlijke gave te begroeten. Men kan zich dan wederzijds over de weg van de ander van harte verheugen en de ander aansporen trouw te volharden" (S. Gerssen) 2)

Anders dan zijn vriend en gesprekspartner Eugen Rosenstock-Huessy, die zich op zeventienjarige leeftijd had laten dopen, was Rosenzweig tot het inzicht gekomen, dat een Jood zich niet moet laten dopen, de doop ook helemaal niet nodig heeft. Want Israël staat rechtstreeks in de openbaringslijn van schepping naar voleinding, maar de "wereld" niet; déze moet via een middelaar in het heil worden betrokken. Als Jezus zegt: "Niemand komt tot de Vader dan door Mij", dan is dat bestemd voor niet-Joden, maar niet voor het joodse volk, want dat is al van eeuwigheid tot eeuwigheid bij de Vader. Israël en het christendom moeten daarom twee verschillende wegen bewandelen om tot het heil te komen: Israël met de Wet en de niet-joden met Jezus.

Dat houdt dus ook in, dat de Jood de doop "op de naam van Jezus" niet nodig heeft. Duidelijk is, dat hier een fundamenteel verschil ligt met wat het Nieuwe Testament getuigt. In het N.T. zijn de eersten, die gedoopt worden "op'de naam van Jezus" Joden. Op de eerste Pinksterdag worden ongeveer drieduizend van Petrus'joodse toehoorders gedoopt. "Zij dan, die zijn (Petrus') woord aanvaarden, lieten zich dopen en op die dag werden ongeveer drieduizend zielen toegevoegd" (Hand.2:41). Ook de apostel Paulus wordt na het gebeuren bij Damascus en zijn ontmoeting met Ananias in Damascus gedoopt (Hand. 9:18). Christus is niet alleen een Heiland voor de niet-Joden, maar allereerst voor de Joden. Met name in het verschil in visie op de persoon en het werk van Jezus Christus is de breuk gelegen, die Miskotte heeft aangeduid met "het grote schisma".

Besnijdenis en doop. Men kan ze tegenover elkaar stellen en van elkaar losmaken zowel door een ver-vangingstheologie als door een tweewegen leer. Maar wat we moeten doen is: ze dicht bij elkaar houden in hun eenheid en in hun onderscheid. De doop brengt de vervulling van wat het teken van de besnijdenis gaf (geeft). In Kol.2:11.-12 brengt de apostel Paulus het aldus onder woorden: "In Hem (Christus) zijt gij ook met een besnijdenis, die geen werk van mensenhanden is, besneden door het afleggen van het lichaam des vlezes, in de besnijdenis van Christus, daar gij met Hem begraven zijt in de doop. In Hem zijt gij ook mede opgewekt door het geloof aan de werking Gods, die Hem uit de doden heeft opgewekt". In dit tekstwoord schuift Paulus besnijdenis en doop niet zomaar in elkaar, alsof er geen onderscheid zou zijn, maar hij polemiseert ook niet tegen de besnijdenis als zodanig, alsof besnijdenis en doop eikaars tegenpolen zouden zijn. Het gaat de apostel om het aanwijzen van de vervulling van de besnijdenis in "de besnijdenis van Christus".

"Er is geen sprake van een volkomen identiteit van besnijdenis en doop, nog minder van een door de apostel geconstrueerde tegenstelling, maar van een vervulling. En dat wat de doop tot vervulling van de besnijdenis maakt en hem de werking verleent, die de besnijdenis niet heeft, vindt zijn oorsprong niet in het water, niet in de ritus op zichzelf, niet in dat wat de christenen bij de doop doen en zeggen, maar geheel in wat Christus is", aldus G. de Ru in zijn studie over de kinderdoop in het Nieuwe Testament 3).

Als we aan het einde van deze paragraaf antwoord geven op de vraag: waarom ben ik gedoopt?, dan moet het antwoord luiden: in mijn doop ben ik op de Naam van Christus gezet, ben ik met Hem begraven in zijn dood en ben ik met Hem opgewekt in zijn opwekking door de majesteit des Vaders. Ik ben gedoopt in de Naam van de Vader, de Zoon en''de Heilige Geest, d.w.z.: in dit sacrament betuigt en verzegelt mij God de Vader, dat Hij mij tot zijn kind en erfgenaam aanneemt, betuigt en verzegelt mij God de Zoon, dat Hij mij wast in zijn bloed van al mijn zonden en mij in de gemeenschap van zijn dood en wederopstanding inlijft, zodat ik in Hem rechtvaardig voor God gerekend word en betuigt en verzegelt de Heilige Geest mij, dat Hij in mij wonen en mij tot lidmaat van Christus heiligen wil. Zo heb ik deel gekregen aan het eeuwige verbond der genade, dat God met Abraham heeft opgericht en dat Hij in het offer van Christus vuurvast heeft gemaakt.

1) G. Oorthuys, Doopboekje,35. Zie ook G. Oorthuys, De Sacramenten. Toelichting op de Heidelbergse Catechismus Zondag XXIII - XXXIII, Franeker z.j.; tweede druk, blz. 102v.

2) S. Gerssen, Ter herkenning; eenheid en spanning, in: Grensverkeer tussen Kerk en Israël, 's-Gravenhage 1986, p. 195. Over Rosenzweig heeft Gerssen ook geschreven in een van de nummers van de periodiek Verkenning en bezinning (Jrg. 13 Nr. 3; dec. 1979), getiteld Franz Rosenzweig. 1886-J929.

3) G. De Ru, De kinderdoop en het Nieuwe Testament, Wageningen 1968, p. 209. Vgl. wat C. Trimp zegt: de doop impliceert de besnijdenis. "Wie besneden is, moet wél gedoopt worden (vgl.Hand.2:38), maar wie gedoopt is, heeft geen besnijdenis meer nodig. Dat laatste heeft de apostel zeer duidelijk onder woorden gebracht in Kol. 2 : 11,12. Die tekst bevat geen scherpe polemiek tegen de besnijdenis. Paulus constateert eenvoudig dat de besnijdenis impliciet gegeven is in de gemeenschap met Christus. Daarom heet de doop hier 'de besnijdenis van Christus' en we zouden dat ook wel mogen vertalen met 'de christelijke besnijdenis' "(C. Trimp, a.w., p. 60/61).