Terug naar Ecclesianet.nl

Augustinus als Prediker (V), DS. IJ. Wisse, Rijnsburg

Actueel en appellerend
Reeds kwam ter sprake, dat de kerkvader sterk de nadruk legde op het in praktijk brengen van het christelijk geloof. Het woord van God stelt voor een beslissing. Heel vaak wijst hij zijn gemeenteleden op de nood van zoveel mensen en op de verantwoordelijkheid, die de rijken dragen ten opzichte van hen1). Hij zegt bijvoorbeeld:
"Wie ook van u rijkdom bezit - u hebt maar éé
n zorg: dat u uw bezit maar niet zult verliezen. Luister eens naar de raadgeving van uw Here. Op aarde is er geen veilige plaats, breng daarom uw bezit over naar de hemel. U wilde dat, wat u bijeen hebt gebracht, toevertrouwen aan uw trouwste dienaar. Vertrouw het liever toe aan uw trouwe Here! Uw dienaar mag nog zo trouw zijn: hij kan het verliezen, zelfs zonder dat hij er iets aan kan doen. Uw God kan niets verliezen. Alles wat u Hem hebt toevertrouwd, zal bij Hem uw bezit blijven, tenminste wanneer u ook Hem zelf bezit.
Omdat ik nu gezegd heb: breng het over en geef het in bewaring in de hemel, moet er niet een aardse gedachte bij u opkomen - deze gedachte: wanneer ik nu mijn bezit uit de aarde opgraaf2) of van de aarde opbeur en het in bewaring in de hemel wil geven, hoe kom ik dan daar boven? Met wat voor hefmachines breng ik dan mijn bezit daarheen? Wel, kijk maar uit naar hongerigen, kijk maar uit naar vreemdelingen, kijk maar uit naar gevangenen! Zij zullen uw lastdra-gers zijn, als u uw bezit wilt overbrengen naar de hemel.

Nu komt wellicht deze gedachte bij u op en zegt u bij uzelf: hoe zal het dan met die lastdragers zijn? Zo als ik mijn gedachten erover liet gaan, hoe ik mijn bezit naar de hemel zou kunnen brengen en daarvoor geen oplossing had, zo laat ik er ook mijn gedachten over gaan, hoe zij, aan wie ik mijn bezit geef, het naar de hemel kunnen overbrengen. Maar ook hiervoor heb ik geen oplossing.

Luister dan naar wat Christus u zegt (...): "Wat gij aan één van deze Mijn minste broeders hebt gedaan, hebt gij Mij gedaan".3) Het Hoofd is in de hemel, maar Zijn leden heeft Hij op aarde. Laat het éne lid van Christus geven aan het andere lid van Christus! Laat hij, die rijk is, aan de behoeftige geven! U bent een lid van Christus en u hebt iets te geven. Er is een ander lid van Christus en dat heeft behoefte aan uw gave. Beiden wandelt u op één weg. U bent eikaars reisgezellen. De arme loopt licht, want zijn schouders zijn niet belast. Maar u, rijke, bent beladen met lasten. Geef iets van wat u drukt: geef van dat, wat u een last is, aan de behoeftige. Zo verlicht u uzelf en beurt u uw metgezel op."4)Augustinus hoorde vaak de mensen klagen over de slechte tijden, die zij in het heden meemaakten. Meermalen ging hij in een preek hierop in:
"En dan zegt u: 'De tijden zijn zo moeilijk, de tijden zijn zo zwaar, de tijden zijn zo ellendig!' Leeft u maar goed, en door goed te leven verandert u de tijden wel! U verandert de tijden en dan hebt u geen reden meer om te mopperen. Want wat zijn de tijden, mijn broeders en zusters? De uitgestrektheden van de eeuwen en hun verloop. De zon is opgegaan en na verloop van twaalf uren gaat zij aan de andere kant van de wereld onder. De volgende dag gaat zij in de vroegte op en later weer onder.

Telt u maar hoe vaak: dat alleen zijn de tijden. Aan wie heeft het opgaan van de zon .leed bezorgd? Aan wie haar ondergang? De tijd heeft dus aan niemand leed bezorgd. Zij, aan wie leed wordt bezorgd, zijn eveneens mensen. Het is een allenjroevigst iets: aan mensen wordt leed bezorgd, mensen worden beroofd, mensen worden onderdrukt. En door wie? Niet door leeuwen, niet door slangen, niet door schorpioenen, maar door mensen. Zij, aan wie leed wordt bezorgd, lijden daaronder.

Maar als zij het konden doen, doen zij dan zelf niet, wat zij afkeuren? Vinden wij dan de mens, die zo mopperde, nog, wanneer hij zelf heeft kunnen doen, waarover hij mopperde? Ik prijs hem, ik prijs hem, als hij niet heeft gedaan, wat hij afkeurde!"5)
Ook een nadrukkelijke oproep tot bekering ontbreekt niet in de prediking van Augustinus:
"Blijf niet wachten met u tot de Here te bekeren, en stel dat niet van dag tot dag uit".6) Ziedaar hoe Gods voorzienigheid u tot nog toe aan alle kanten omringde met Zijn barmhartigheid. Wat zegt u nu? "God heeft mij vergeving beloofd. Hij zal mij die dus schenken, wanneer ik mij bekeer". Ja, Hij zal u die schenken, wanneer u zich bekeert. Maar waarom bekeert u zich dan niet? "Omdat Hij zal vergeven, wanneer ik mij bekeer". Hij zal u absoluut vergeven, wanneer u zich bekeert. Maar juist dat "wanneer" - wanneer is dat?
Waarom vandaag niet? Waarom nu niet, nu u naar mij luistert? Waarom niet, nu u mij toeroept? Waarom niet, nu u mij toejuicht? Moge mijn roep een steun zijn voor u, maar uw roep een getuige zijn tegen u! Waarom vandaag niet? Waarom nu niet?') "Morgen. Ja, want God heeft mij vergeving beloofd". Maar belooft u zichzelf dan "morgen"? Of het moet zo zijn, dat u gelijk hebt, als u mij uit de Heilige Schrift leest, dat, zoals u vergeving is beloofd, als u zich bekeert, zo ook u is beloofd, dat u van dag tot dag kunt uitstellen. Maar heeft de Heilige Schrift u dan niet allereerst een heilzame schrik willen inboezemen? Heeft zij u niet een waarschuwing gegeven met de woorden: "Stel niet van dag tot dag uit, want Zijn toorn zal plotseling ontbranden"?8)
Maar natuurlijk, verstandig als u bent, schrikt u ervoor terug om meer dan twee dagen goed te leven (... ). Uw verlangen gaat uit naar een lang leven en u schrikt niet terug voor een slecht leven. U wilt lang leven en slecht leven. U verlangt een slecht iets van lange duur. Waarom verlangt u niet liever een goed iets van lange duur? Waarom verlangt u eigenlijk iets te bezitten, wat niet goed is? Dan zal het enkel uw leven zijn, dat u overkomt als slecht. Als ik u vraag, wat voor kleding u wenst, dan is uw antwoord: "Goede kleding". Wat voor landgoed wilt u hebben? "Een goed landgoed". Wat voor echtgenote? "Een goede echtgenote". Wat voor kinderen? "Goede kinderen". Wat voor huis? "Een goed huis". Alleen als leven verlangt u een slecht leven9).
Toch stelt u uw leven boven al uw bezit, en onder al uw bezit is het alleen uw leven, dat u slecht wilt. Want dat alles, wat u aan goeds zocht, zoals kleding, een huis, een landgoed en al dat andere, bent u bereid te geven in ruil voor uw leven. Als iemand u zegt: "Al uw bezit of uw leven!", dan bent u bereid om al uw bezit prijs te geven ten einde uw leven, hoe slecht ook, te behouden. Waarom wilt u niet, dat uw leven goed zal zijn, terwijl u zelfs al is het slecht, al uw bezit ervoor wilt geven? Dus geen verontschuldiging, maar zelfbeschuldiging - om niet onder het oordeel te komen!"10)

1. Augustinus brengt in zijn preken nogal eens de verhouding rijken/armen ter sprake. Wel was er welvaart en rijkdom in Hippo Regius, maar daarnaast kwam er ook veel armoede voor.

2. Vgl. Matth. 13:44. Het begraven van geld en sieraden in de grond was in de oudheid een manier om schatten uit de handen van dieven en vijanden te houden.

3. Vgl. Matth. 25:40.

4. Morin XI, 5,6.

5. Sermo 311,8

6. Vgl. Jezus Sirach 5:8.

7. Augustinus heeft ook zelf er moeite mee gehad om te komen tot de daad van de bekering. Zie zijn Belijd. VIII,V,I2.

8. Vgl. Jezus Sirach 5:8,9.

9. Augustinus gebruikt in een andere preek ten aanzien van hetzelfde onderwerp gelijke voorbeelden. Zie de preek over "De christelijke levenswijze" XII,13.

10. Sermo 20,4.