Terug naar Ecclesianet.nl

Waarom ben ik gedoopt? (II)

Dr. H.C. VAN DER MEULEN, Veenendaal

Uniek verbond
Ook al zijn er in het verbond van de Heilige Doop, net als in elk ander verbond, twee "partijen" begrepen, toch gaat het in de Bijbel om een verbondsverhouding die enig in zijn soort is. Het betreft in het O.T. (waarin het woord "berit" gebruikt wordt) en in het N.T. (waarin, net als in de Griekse vertaling van het O.T. het woord "diathèkè", dat "testament" betekent) niet om een verdrag of contract tussen twee gelijkwaardige partijen, maar om een verbond, dat de HERE met zijn volk opricht en waarvan Hij in relatie tot zijn volk de Eerste en de Laatste is en blijft.

Er zijn twee "partijen": God en zijn volk. Maar ze staan niet op voet van gelijkheid met elkaar. Dat Israël dit verbond ontvangen heeft, is een groot wonder en berust niet op enige verdienste. Deut. 7 : 7vv. wijst erop, dat God Israël tot zijn volk gemaakt heeft, niet omdat het een machtig volk was, maar omdat God trouw is aan zijn belofte: "opdat gij zoudt weten, dat de HERE, uw God, de enige God is, de trouwe God, die het verbond en de goedertierenheid houdt... onderhoudt (gij) dus het gebod, de inzettingen en verordeningen".

Het is ook niet zonder betekenis, dat in de Bijbel steeds weer gesproken wordt van Góds verbond, een verbond, gesloten met en voor zijn volk. Gedurig spreekt God over Zijn verbond. In en door dat verbond heeft Hij beslag gelegd op zijn volk. In Gen. 17:7 - een tekst die in de gereformeerde doopleer een belangrijke rol vervult - spreekt God tegen Abraham: "Ik zal Mijn verbond oprichten tussen Mij en u en uw nageslacht in hun geslachten, tot een eeuwig verbond, om u en uw nageslacht tot een God te zijn". En in Gen. 15:18 lezen we: "Te dien dage sloot de HERE een verbond mét Abram, zeggende: Aan uw nageslacht zal Ik dit land geven...". Trouwens, in Gen.15, waarin dus verteld wordt dat en hoe God een verbond met Abram sluit, wordt het soevereine genadefcarakter van dit verbond duidelijk getoond. . \

Abram moet van de HERE een driejarige koe, geit en ram en twee duiven nemen (volgens het boek Leviticus allemaal echte offerdieren). Die koe, geit en ram moet hij in twee helften snijden en deze stukken - met een zekere afstand ertussen, als het ware een pad makend - tegenover elkaar leggen; aan de ene kant een duif en aan de andere kant een duif. De Hebreeuwse uitdrukking voor "een verbond sluiten" luidt ook "een verbond snijden". Zo was1 het ritueel van een verbondssluiting. De partijen, die met elkaar een verbond aangingen, liepen samen tussen de stukken door. Daarmee bedoelden ze niet zomaar: wij horen bij elkaar, zoals die stukken bij elkaar horen, maar ze bedoelden: wij belasten ons met een voorwaardelijke vloek. Wie van ons het verbond breekt, zal het lot van het in stukken gehouwen dier ondergaan!

Abram maakt alles gereed. Nu zal God komen en een verbond met hem sluiten. Maar er gebeurt eerst niets. Zoals heel Abrams leven met wachten gevuld is, met uitzien en waken, zo gaat het ook hier. Roofvogels strijken neer op de gedeelde lichamen van de offerdieren. Abram jaagt ze weg. De dag gaat voorbij. Als de zon bijna ondergegaan is, valt een diepe slaap op Abram. Desondanks maakt Abram alles mee en is hij zeker niet buiten bewustzijn. Ziet hij het vervolg gebeuren in een nachtgezicht? Gaat het hier om een verengd, maar niet uitgeschakeld bewustzijn (van Selms)? God openbaart in een angstwekkende, dikke duisternis wat de nacht der tijden zal brengen over Abrams nageslacht: de slavernij in Egypte, de generaties en hun moeite en hoe de maat der ongerechtigheid der Amorieten eerst vol moet worden, eer het volk terugkeert naar het beloofde land.

En dan, als de zon helemaal weg is (vs.17) en er dikke duisternis heerst, komen vuur en rook. Dat zijn - men denke aan de verbondssluiting op de Sinaï - de tekenen van Gods presentie. God is nabij. Verhuld, schrik-wekkend, heilig, maar nabij. Zoals later in de wolkkolom met haar hart van vuur. Een rokende oven, een brandende fakkel. Zó gaat God tussen de stukken door. Vreemd gebeuren. God gaat alléén tussen de stukken door! God en Abram gaan niet samen over het pad tussen de offerdieren. Het is alleen God, die dit verbond mét Abram sticht. Het is alleen God, die hier zijn belofte bekrachtigt. Het is alleen God, die trouw belooft en de verplichting op zich neemt. Jazeker, Abram is er direct bij betrokken. Het verbond is mét hem, de belofte is vóór hem en zijn nageslacht. Maar de grote voorwaarde past de HERE alleen op zichzelf toe. God stelt zichzelf garant. Hij zegt hier: "IK sta met Mijn Leven voor Mijn belofte in!"

Abram is de vader der gelovigen. Maar zijn geloof, zijn voorbeeldig geloof, is geen component van de belofte en zijn gehoorzaam volgen van Gods stem maakt geen deel uit van de verbondssluiting. Wat het sluiten van het verbond, wat het beloven en verwerven van het heil, wat de garantie aangaande de toekomst betreft, ja dat is een eenzijdige zaak. Maar de beleving van dit bijzondere verbond, de toe-eigening van het heil, het leven uit de belofte, het wachten en waken, het wagen met Gods garantie,- dat moet Abram en dat moeten wij in zijn spoor doen.

Medeburgers, mede-erfgenamen
De komst van Jezus Christus betekent niet het einde van Gods verbond met Abraham en zijn nageslacht. Het omgekeerde is het geval. In Christus zijn al Gods beloften ja en amen (2 Kor. 1:20). Christus is ter wille van Gods waarachtigheid een dienaar van de besnede-nen geweest om de beloften, aan de vaderen gedaan, te bevestigen" (Rom. 15 : 8). Je zou kunnen zeggen: in Christus heeft God zijn beloften "hard gemaakt". Maar hier moet iets bij worden gezegd. In Christus is het verbond met Abraham niet alleen bevestigd, het heeft ook een uitbreiding ondergaan. Een uitbreiding, die God, toen Hij met Abram begon, al op het oog had. Het is deze uitbreiding: door het geloof in Christus, "de wortel van Isaï
" (Rom. 15 : 12; Jes. 11: 10) delen de heidenen (de volken) in Gods ontferming en gaan ze tezamen met Israël de God van Israël prijzen (Rom. 15 : 9vv.).

Had God niet tegen Abram gezegd: "en met u zullen alle geslachten des aardbodems gezegend worden"? (Gen. 12 : 3; vgl. 18 : 18; 22 : 4; 28 : 14). Wel, in Christus, hèt Zaad van Abraham bij uitstek (Gal.3:16), is er niet alleen genade over Israël, maar ook over de heidenen gekomen. Zo worden de heidenen, die uit het geloof zijn, dus gezegend tezamen met de gelovige Abraham (Gal. 3:6-9). Door het geloof in Jezus Christus wordt de aloude belofte het deel van hen, die geloven (Gal.3:22). Het Evangelie is een kracht Gods tot behoud voor een ieder, die gelooft, eerst voor de Jood, maar ook voor de Griek (Rom. 1 : 16). Wil men de verhouding tussen Jood en Griek, tussen Israël en de heidenen tekenen, dan kan men dat bijvoorbeeld doen met Paulus' gelijkenis van de twee olijfbomen. De tamme olijf staat voor Israël en de wilde voor de heidenen. Heidenen, die door het geloof in Christus deel mogen hebben aan het genadeverbond, aan de belofte, aan de saprijpe wortel van de tamme olijf, worden door Paulus vergeleken met wilde loten, die van de wilde olijf zijn afgesneden en geënt zijn tussen de natuurlijke takken van de tamme olijf in. Dat bedoelen we, als we zeggen, dat wij uit de volken "bij Israël zijn ingelijfd".

Weggesneden worden en nieuw geënt worden is een chirurgische ingreep, waarmee dood en leven gemoeid zijn. Dood en leven bepalen ook de doop. Wie gedoopt is, is in Christus' dood gedoopt en is in zijn opstanding in nieuwheid des levens opgewekt. En zo, langs deze weg, van ondergang en opstaan met Christus hebben wij deel gekregen aan dat unieke, eeuwige verbond der genade. Door Christus, die vrede gebracht heeft aan hen die dichtbij en aan hen, die ver af waren, zijn wij, uit de heidenen, geen vreemdelingen en bijwoners meer, maar mede-burgers der heiligen en huisgenoten Gods (Ef. 29). Medeburgers en mede-erfgenamen zijn we nu geworden door het bloed van Christus (Ef. 2 : 12v.).

Het is niet toevallig, dat onze doopformulieren juist ool^: Hand. 2:39 aanhalen. Als Petrus na zijn Pinksterpreek de hierdoor diep in hun hart getroffen toehoorders hoort vragen: "Wat moeten wij doen?", dan antwoordt hij in vers 38 "Bekeert u en een ieder van u late zich dopen op.dp naam van Jezus Christus, tot vergeving van uw zonden, en gij zult de gave van de Heilige Geest ontvangen". En in vers 39 "Want voor u is de belofte en voor uw kinderen en voor allen, die verre zijn, zovelen als de Here, onze God, ertoe roepen zal". Dit vers 39 wordt in de onderwijzing aangaande de doop aangehaald. Maar het gaat in Hand. 2 toch over Joden en Jodengenoten (proselieten)? Zij, afkomstig uit Israël en uit "alle volken onder de hemel" (uit de diaspora dus), zijn het toch, die daar in Jeruzalem de uitstorting van de Geest meemaken en die de apostelen van de grote daden Gods horen getuigen en dat in de taal, die zij in de landen van hun verstrooiing geleerd hebben? Inderdaad, de belofte van de vergeving van de zonde en de gave van de Geest -volgens de profeten de beide gaven van het nieuwe verbond - valt allereerst Israël (het Israël thuis en het Israël in den vreemde) ten deel.

Toch worden op die eerste Pinksterdag ook reeds de volken bedoeld en genoemd. Bij het "en voor allen, die verre zijn" kunnen we natuurlijk denken aan de Joden in de verstrooiing. Maar het is ook een uitdrukking, waarmee de heidenvolken worden aangeduid (vgl. Efez. 2 : 13, 17). Bovendien wordt er door uitleggers op gewezen, dat Hand. 2 "allerlei elementen bevat die ons het recht geven in de gedachte van de pelgrimage der volken een achtergrond te zien voor het spreken over de toevoeging tot de gemeente. De 3000 uit Handelingen 2, wier getal in de hoofdstukken die volgen, groeit, wijzen heen naar en representeren de volkeren die in Israël ingelijfd worden" 1).

Zo horen we aan het begin van het eerste boek van Lukas èn aan het begin van zijn tweede boek, dat God door Jezus Christus heil brengt voor Israël en de volken. In Lukas 2 zingt Simeon, dat het Kindeke Jezus heil betekent: dat wil zeggen "licht tot openbaring van

de heidenen en heerlijkheid van Israël". En in Hand. 2 horen we, dat nu God Jezus verhoogd heeft en Hem tot Here en tot Christus gemaakt heeft, de schatten van het nieuwe verbond beschikbaar zijn gekomen voor Israël en voor allen, die verre zijn, zovelen als de Here onze God roept.

Op de vraag: waarom ben ik gedoopt? mag daarom geantwoord worden: omdat ik, die "verre" was door Gods roepstem bereikt ben en ik (of: omdat mijn vader en moeder) gehoord heb (hebben), dat de belofte van het nieuwe verbond ook voor mij is. Gedoopt op de naam van Jezus mag ook ik deel hebben aan de gaven van het nieuwe verbond.

De verhouding besnijdenis-doop
Zowel onder het oude als onder het nieuwe verbond is er van Hogerhand een verbondsteken gegeven. Onder het oude verbond het teken van de besnijdenis, onder het nieuwe verbond dat van de Heilige Doop. Zoals het oude en het nieuwe verbond nauw bij elkaar horen, zo ook de beide verbondstekenen. En dit nauw bij elkaar houden betekent 1) eraan vasthouden, dat het in het Oude Verbond en in het Nieuwe Verbond om het ene genadeverbond gaat en 2) bedenken, dat het onderscheid tussen Oude Verbond en Nieuwe Verbond alles te maken heeft met de komstvan Jezus Christus en zijn volbrachte werk. Het onderscheid tussen het Oude en het Nieuwe Testament, dat in de Schrift vermeld wordt, aanvaarden we, maar - om met Calvijn te spreken - dan "zó
, dat het niets te kort doet aan de reeds vastgestelde eenheid" (Inst. 11,11,1). Op dit onderscheid komen we nog terug.

Eerst gaan we in op de eenheid en gelijkheid. Er is één genadeverbond. "Onder Oud en Nieuw Verbond is er maar één Verbonds-God, één Verbondsmiddelaar, één Verbondsgenade, en in den grond der zaak ook maar één Verbondssacrament. Besnijdenis en Doop zijn in wezen één en hetzelfde. Zij betekenen en verzegelen ééne genade, al is het teken onder Oude Verbond anders dan onder het Nieuwe. De besnijdenis wijst heen naar de verzoening in Christus' bloed, en de doop wijst er op terug. Maar beide, doop en besnijdenis, zijn tekenen des Verbonds, en zegelen van de rechtvaardigheid des geloofs", zo heeft dr. G. Oorthuys in zijn "Doopboekje" op klassiek gereformeerde wijze geformuleerd 2).

Overeenkomst
Over de parallellie besnijdenis-doop valt nog iets naders te zeggen. We noemen een drietal punten van overeenkomst.

Allereerst bepalen besnijdenis en doop ons bij de inlijving in het (genade)verbond. Het verbond bestaat in twee "partijen", maar God is het die Zijn verbond sticht en aangaat met Abraham en zijn nageslacht. Wie besneden is, draagt het teken van Gods verbond met hem. Nu was (en is) de besnijdenis een bij meerdere volken bekend ritueel. Het is bij hen dan een inwijdingsrite in de status van mannelijkheid of vruchtbaarheid, een maatregel voor de hygiëne en/of vruchtbaarheid. Maar in het O.T. krijgt de besnijdenis een andere betekenis. Ze wordt tot speciaal verbondsteken. Ze is het teken - zichtbaar in het vlees van al wat mannelijk is op de achtste dag aangebracht - dat men bij God hoort. "Dit is mijn verbond, dat gij zult houden tussen Mij en u en uw nageslacht: dat bij u al wat mannelijk is besneden worde; gij zult het vlees van uw voorhuid laten besnijden, en dat zal tot een teken van het verbond zijn tussen Mij en u. Wie acht dagen oud is, zal bij u besneden worden, al wat mannelijk is in uw geslachten: zowel wie in uw huis geboren is, als wie van enige vreemdeling voor geld is gekocht, doch niet van uw nageslacht is"(Gen.17:10-12). Zo is de besnijdenis een verbondsteken, een eigendomsteken3). Het is een zichtbaar, uiterlijk teken voor een geestelijke zaak, die we kunnen omschrijven met het woord van de profeet: "Ik heb u bij uw naam geroepen; gij zijt Mijn". Niet vruchtbaarheid, mannelijke leeftijd of potentie maken iemand tot kind van God, maar alleen de verkiezende en roepende God van het verbond. De wondere geboorte van Izaak onderstreept dit feit op bijzondere wijze. In het N.T. is het niet anders.

We lezen in het boek Handelingen, dat mensen worden gedoopt in of op de naam van Jezus. De naam van Jezus, de Middelaar van het nieuwe verbond, wordt over hun leven uitgeroepen. De gedoopte is niet van zichzelf, maar het eigendom van Christus. "Hetzij wij leven, hetzij wij sterven, we zijn des Heren". Later is de doopformule de trinitarische geworden, zoals we die vinden'in Matth. 28 : 19: '\.':in de naam van de Vader, Zoon en Heilige Geest". Zodoende belijden we in het doopgebeuren, dat God mefpns een eeuwig verbond der genade opricht. Deze God, de Drie-enige, is niemand anders dan de God van Abraham, Izaak en Jacob. De God van Abraham is de Vader van Jezus Christus en door Hem ook onze Vader.

Ten tweede: de besnijdenis was een chirurgische ingreep, waarbij een gedeelte van de voorhuid werd weggesneden. Opnieuw moeten we zeggen:, deze uiterlijke ceremonie had een geestelijke betekenis. Het ging niet maar om de formele ingreep aan een lichaamsdeel, maar om uit te drukken, dat een besne-dene weggesneden is uit het oude, natuurlijke leven. "Het wegsnijden van een deel van het lichaam duidde immers aan dat wij allen goddeloze mensen zijn, uit wier leven alles wat de wil van God weerstaat, moet worden weggesneden" (J. Verkuyl 4). Heidense onreinheid wordt weggesneden. Bij het verbondsvolk behoort men, zo leert ook reeds het O.T., niet van nature, maar krachtens Gods genadige ontferming en zijn losmaken van de mens uit zijn oude bestaan.

Ook het teken van de doop vertelt dat de oude mens moet sterven. En hij is ook gestorven, begraven: in de dood van Christus voor de zonden. Besnijdenis en doop beduiden zo dezelfde waarheid. Calvijn zegt het zo: "Wij zien dus, dat dezelfde geestelijke belofte in de besnijdenis aan de vaderen gegeven is, die ons in de Doop gegeven wordt, daar de besnijdenis hun de vergeving der zonden en de doding des vlezes heeft afgebeeld" (Inst. IV,16,3).

Ten derde: de besnijdenis als teken van het verbond beduidde, dat Abraham en zijn nageslacht aan God gewijd zouden zijn. Weggesneden uit het oude leven en op de naam van Israëls God gezet, was en is Israël geroepen zijn leven in dienst van en in heiliging aan de Here te stellen. Het uiterlijke teken beoogde een geestelijke zaak: de besnijdenis van het vlees moest

gepaard gaan met de besnijdenis van het hart. Dat het volk Israël deze betekenis van de besnijdenis vaak niet verstaan heeft, brengen de profeten duidelijk naar voren. Daarom profeteren zij ook van de komst van een nieuw verbond, waarin God langs de weg van de vergeving der zonden en de gave van.,zijn Geest zijn wet in de harten zal schrijven. In het N.T. wordt aan de doop de gave van de Geest verbonden. Als wij gedoopt worden in de Naam van de Heilige Geest, zo verzekert ons de Heilige Geest door dit heilig sacrament, dat Hij bij ons wonen en ons tot lidmaten van Christus heiligen wil.

Zo betekenen en bezegelen besnijdenis en doop beide deze drie zaken: inlijving (eigendomsverklaring), reiniging (rechtvaardiging) en wijding (heiliging). Beide zijn zichtbare tekenen, ze zijn het waarmerk van een drievoudige geestelijke inhoud. Trinitarisch geformuleerd: God de Vader sticht het eeuwig (genade) verbond, God de Zoon reinigt van alle zonde en God de Heilige Geest heiligt ons.

1) A. Noordergraaf, Creatura Verbi. De groei van de gemeente volgens de Handelingen der Apostelen, 's-Gravenhage 1983, blz. 33.

2) G. Oorthuys, Doopboekje, Wageningen, z.j. blz. 36. Vgl. B. Wentsel, a.w., blz. 273: "Zo wijst de besnijdenis vanuit het abra-hammitisch verbond enerzijds vooruit naar de dood van Christus als de Christus-besnijdenis of het heilswerk van Hem in wie alle bloedige offers vervuld zijn, en wijst anderzijds onze doop terug naar dit heilsgebeuren".

3) Nog altijd gaat het joodse besnijdenisritueel gepaard met woorden, die deze inlijving in het verbond uitspreken. De mohèl (degene, die de operatie uitvoert) spreekt de wijdingsspreuk: "Geprezen God, die ons geheiligd heeft en ons de besnijdenis heeft bevolen". En de vader van het kind antwoordt: "Geprezen Hij, die ons geheiligd en ons bevolen heeft het kind aldus in de bond van Abraham op te nemen". En de omstanders stemmen aldus in: "Zoals hij thans in de bond is opgenomen, zo moge hij opgroeien tot een zoon der Torah, tot rijpheid van het huwelijk, tot een mens van brave werken". Zie S.Ph. dë Vries Mzn., Joodse riten en symbolen, Amsterdam 1968, blz. 193.

4) J.Verkuyl, De kern van het christelijk geloof, Kampen 1992, blz. 422.