Terug naar Ecclesianet.nl

Augustinus als Prediker (IV), DS. IJ. Wisse, Rijnsburg

De voorbereiding van de preken
Wij mogen aannemen, dat Augustinus in de beginperiode van zijn moeten voorgaan in de diensten, toen hij nog aan zijn eenvoudig gehoor moest wennen en moest streven naar begrijpelijke taal, zijn preken terdege zal hebben voorbereid en op schrift gesteld. Later werd dat anders. Toen improviseerde hij zijn preken, sprak hij voor de vuist weg, maar toch niet dan nadat hij door meditatie en gebed ermee bezig was geweest.

Toch kwam het weieens voor, dat hij preekte over een ander onderwerp dan hij zich had voorgenomen. Dan had hij zich hierop niet voorbereid. Dat vertelde hij dan ook aan de gemeente.

In de Schriftlezing, die altijd door een voorlezer werd gedaan, werd op een zekere keer over de zonde tegen de Heilige Geest gesproken, een onderwerp, dat Augustinus in zijn prediking nog nooit aan de orde had durven te stellen. Hij zei toen heel eerlijk:

"Richt dus, broeders en zusters, richt uw oren tot mij en uw géést tot de Here. Ik zeg u dit; wellicht treft men in heel de Heilige Schrift geen groter en geen moeilijker vraagstuk aan. En om het u van mij zelf te bekennen: daarom heb ik in de preken, die ik tot het kerkvolk gehouden heb, steeds deze moeilijke en lastige kwestie ontweken. Niet omdat ik daarover niet enige gedachten, hoe dan ook, had. En ook niet, omdat ik in een zo belangrijke zaak naliet te vragen, te zoeken en te kloppen1), maar omdat ik meende, dat ik het inzicht dat ik in deze zaak had verkregen, niet voldoende zou kunnen uitdrukken in woorden, die mij op het juiste ogenblik te binnen zouden komen. Maar nu ik vandaag, toen het evangelie gelezen werd, hoorde, waarover ik zou moeten preken, werd mijn hart zó getroffen, dat ik geloofde, dat het Gods wil is, dat u door mijn dienst over dit onderwerp één en ander zou horen. "2)

Kennelijk had Augustinus voor zichzelf eerder uit het voor te lezen evangeliegedeelte of uit een andere Schriftlezing al een keuze gemaakt voor de prediking, maar eenmaal in de kerk, voelde hij zich geroepen speciaal over de zonde tegen de Heilige Geest te preken.

De inhoud van de preken
Hij schaamde zich er niet voor om dingen, die hij reeds eerder had gezegd, en voorbeelden, die hij al eens in voorafgaande preken had gebruikt, te herhalen. Vooral op de feestdagen, wanneer de heilsfeiten ter sprake moesten komen, blevefj herhalingen niet uit. Wat hij andere jaren naar voren had gebracht, keerde dan gewoon terug, zij het in enigszins afwijkende bewoordingen. Maar het waren wel dezelfde beelden en vergelijkingen.

Hierbij dienen wij niet te vergeten, dat het eenvoudige kerkvolk daar haast niet zonder kon: er moest ook iets uit de bijbel geleerd worden! Zeker als de mensen zelfde bijbel niet konden lezen.

Toch zou het een misvatting zijn te menen, dat de kerkvader met opzet het meestal in het simpele zocht. Het tegendeel was waar. Ook dogmatische vraagstukken schuwde hij niet in zijn prediking te behandelen: bijvoorbeeld de Drie-eenheid, Christus' menswording, dood en opstanding, en allerlei zaken, die hiermee samenhingen. Hij wees ook op gevaren van dwaalleer, besprak ze en waarschuwde hiervoor. Dat hij moeilijke onderwerpen niet uit de weg ging, was vanwege het feit, dat hij wist, dat er ook mensen onder zijn gehoor waren, die goed ontwikkeld waren en aan wie hij wel wat kwijt kon. Hij meende, dat hij hun iets, dat zij konden begrijpen, niet mocht onthouden. Dan vroeg hij aan de eenvoudige hoorders om er begrip voor te hebben, dat hij op een moeilijk vraagstuk even wat dieper inging met het oog op hen, die hem wel zouden kunnen volgen. Zoals hij anderzijds ook begrip vroeg van ontwikkelden, wanneer hij dingen heel uitvoerig behandelde, met herhalingen, speciaal ten behoeve van hen, die geen enkel onderwijs hadden gekregen.

Welke hoorders?
Dat hij terdege rekening hield met het niveau van ontwikkeling van zijn kerkvolk, is duidelijk te merken in de preken, die hij hield in Carthago, waar een ander publiek was. De bevolking van die stad was meer ontwikkeld dan die van Hippo Regius.

Hij heeft hier zelf eens iets over gezegd, toen hij daar in een dienst voorging. Wij komen het tegen in een preek over Handelingen 17: de geschiedenis van Paulus in Athene. Augustinus zegt dan in het begin van zijn preek:
"Toen uit de Heilige Schrift gelezen-werd, hebben wij ook gehoord - als u, dierbare broeders en zusters, het u nog herinnert - dat bepaalde mensen uit de kringen van de filosofen, Epicureeë
rs en Stoïcijnen, in gesprek waren met de apostel. Wat voor filosofen die Epicureeërs en Stoïcijnen zijn of geweest zijn, dat wil zeggen: welke mening zij hadden, wat zij voor de waarheid hielden en wat zij met hun filosoferen nastreefden, zullen ongetwijfeld velen onder u niet weten. Nu ja, omdat wij voor de mensen in Carthago spreken, zullen er hier toch velen zijn, die het wèl weten. Die toehoorders moeten ons dus maar helpen, nu wij het u gaan vertellen. Want wat ik meen, dat gezegd dient te worden, is van heel groot belang. Laten zowel zij, die het niet weten, als zij, die het wèl weten, naar ons luisteren! Laten de onwetenden onderricht ontvangen en de wetenden aan hun kennis worden herinnerd! Laten de eersten gaan kennen en de anderen herkennen!"3)

Het opvallende in de preken
Bij het lezen van de preken van de kerkvader krijgen wij weieens het gevoel, dat er wat weinig logische opbouw is in dat, wat hij zegt. Uitgaande van een bepaald bijbelgedeelte of van een bepaalde tekst, springt hij vaak ineens op iets anders over om op het uitgangspunt voorlopig niet meer terug te komen. Gemakkelijk laat hij zich leiden door een gedachte, die klaarblijkelijk plotseling door hem heen flitst, en daardoor komt hij op iets heel anders uit dan wij zouden verwachten. Dat kan ons dan bevreemden: waarom nu die richting uit in de preek? Dat zal beslist niet hebben gelegen aan een gebrek aan bekwaamheid tot het houden van een strak betoog bij Augustinus. Op dit punt was hij juist geniaal- Maar wanneer hij zijn kerkvolk vóór zich zag staan, liet hij al het gekunstelde grotendeels achterwege. Want in de kerk hield hij geen redevoering, maar een preek met een boodschap van God; een preek, waarvan de gedachten van de hoorders niet mochten afdwalen. Merkte Augustinus, dat de aandacht verslapte, dan sloeg hij soms even een zijweg in, wat met zich meebracht, dat er weer werd geluisterd.
Soms ook vertelde hij in een preek iets, wat hij zelf had meegemaakt. Dan was het dadelijk doodstil in de kerk.
In zijn preken treffen wij nogal eens woordspelingen aan, die meestal in een vertaling niet zijn weer te geven.

1. Vgl. Matth. 7:7.

2. Sermo71,8.

3. Sermo 150,3.