Terug naar Ecclesianet.nl

Getuigen van Christus in de nazi-tijd (II)

Dr. H. KLINK, Hoornaar

De erfenis van de Reformatie
Wie Calvijns Institutie leest, komt in het vierde boek, waar de verhouding van de Kerk tot de Staat uitvoerig ter sprake komt, de beroemde zinsnede tegen, dat de overheid niet alleen zorg heeft te dragen voor de naleving van de tweede tafel van de wet, maar ook van de eerste tafel: de ware dienst aan God. Deze zienswijze van Calvijn is van bijzonder groot belang, omdat daarmee wordt aangegeven dat ook het terrein waarop de Staat opereert een gebied is dat valt onder het geestelijk oordeel van de Kerk - een terrein waarmee het christelijk geloof wel degelijk iets uit te staan heeft en waar de Kerk in bepaalde omstandigheden haar geluid moet laten horen.

Calvijn heeft deze zienswijze ook in praktijk gebracht. Dat gold zeker ook voor de Duitse reformator Maarten Luther. Dat deze kant van Luthers erfenis voor de Kerk en voor het Duitse volk echter in de tijd van het nationaal-socialisme zo goed als helemaal vergeten was, maakt het boek over Dietrich Bonhoeffer De beker der gramschap pijnlijk duidelijk. De eerste honderd bladzijden van het boek geven aan degene die zich verdiepen wil in de vraag hoe de kerk reageerde op de regering van Adolf Hitler heel wat stof tot nadenken.

De Jonge Hervormers
Vanaf 1933 raakte de Duitse Evangelische Kerk in enkele jaren tijd steeds meer verstrikt in het web dat Hitler om de kerk spande. Mary Glazener geeft er een aangrijpend relaas van. In het vorige artikel wees ik er al op dat door Bonhoeffer en anderen' de groepering van de Jonge Hervormers opgericht werd. Ze vormden een kern van verontruste predikanten, die tegenwicht wilden bieden aan de steeds groter wordende invloed van Hitler.

De eerste vergadering, in Berlijn, werd slechts bijgewoond door tien predikanten. Kort na de eerste bijeenkomst verordende Hitler dat joden en mensen van joodse afkomst bij een reorganisatie van het overheidsapparaat eruit gewerkt moesten worden. In het kader van de aangekondigde reorganisatie van het overheidsapparaat, kwam ook de kerk aan de beurt. In mei van het jaar zou er op last van Hitler een compleet nieuw kerkbestuur gekozen moeten worden. Vertegenwoordigers van regionale kerkbesturen zouden een rijksbisschop kiezen, die leiding moest geven aan een nieuwe verenigde Duitse Evangelische Kerk. Alle kerken zouden dan onder haar autoriteit vallen.

Kerk en Staat
In een tweede vergadering van de Jonge Hervormers beraadde men zich op deze maatregelen. Bonhoeffer, zijn vriend en collega, Franz Hildebrandt (van Joodse afkomst), de predikanten Jacobi en Niemö
ller en enkele andere predikanten, waren aanwezig. Tijdens deze vergadering komt de boven aangehaalde principiële kwestie aan de orde of de kerk zich mag bemoeien met staatkundige aangelegenheden.

Dietrich Bonhoeffer rekent het in de gegeven omstandigheden tot de plicht van de kerk om een ferm protest te laten horen tegen de maatregelen van Hitler, met name tegen de joden. Anderen zijn de tegengestelde mening toegedaan: zolang de kerk het Evangelie kan prediken, dient zij zich afzijdig te houden van elke inmenging in staatkundige zaken.

Zeer levendig geeft de schrijfster de botsing weer tussen de beide overtuigingen:

"Ludwig Schmidt bracht in het midden: 'Onze taak is de verkondiging van het Evangelie.' 'En wat als de staat tegen de wet van God ingaat', zei Dietrich. 'In dit geval door een heel volk te vervolgen op grond van hun ras. Dan heeft toch de kerk de verantwoordelijkheid om te spreken en om de staat te herinneren aan de grenzen van haar autoriteit!' 'Nee, dominee Schmidt heeft gelijk. Het is niet de taak van de kerk om de staat de wet voor te schijven', zei Karl Sommer, een robuuste en luidruchtige man die in de Wereldoorlog een arm had verloren.

Dietrich voelde het bloed naar het hoofd stijgen en maande zichzelf tot kalmte. 'Maar als de staat ons nu eens dwingt deze wet in eigen gelederen toe te passen? Want dat gaat gebeuren. Ze zullen proberen onze "niet-arische" dominees uit het ambt te zetten en wij zullen ons daartegen moeten verzetten. Het voortbestaan van de kerk is hier in het geding!' 'Wij hebben net gesproken over een verenigde kerk en nu pleit jij voor een beleid dat de kerk verdeelt', zei Sommer. 'Dus dat soort ketterijen moeten we dan maar stilzwijgend over onze kant laten gaan?' Sommer kneep zijn ogen, met de zware wenkbrauwen erboven samen. 'Ketterijen?' is dat niet wat al te sterk uitgedrukt?'

'Wat de joden als volk betreft zou het weieens kunnen gebeuren', vervolgde Dietrich zonder hem antwoord te geven, 'en sneller dan wij denken, dat de kerk niet alleen hen die onder de wielen terechtgekomen zijn zal moeten verbinden en verzorgen, maar ook dat zij een stok tussen de spaken zal moeten steken.' 'Jij zit op een totaal andere golflengte dan wij.'

De taak van de Kerk
Bovenstaande discussie, die overigens door Jacobi gesust werd, geeft aan dat er ook binnen de gelederen van de Jonge Hervormers geen eenstemmigheid heerste. Bonhoeffer,die veel meer dan anderen het gevaar van het nationaal-socialisme doorzag, en die geen enkel vertrouwen in de Fü
hrer had, bezat een profetische blik. Het was hem duidelijk waar de rijkskanse-lier op aanstuurde: een complete overname van zowel de staatkundige als de kerkelijke macht.

Zolang de kerk zich aan het woord van Christus hield was zij bij uitstek de instantie die hem in zijn machtswellust kon dwarsbomen. Zou hij eenmaal cle kerk naar zijn hand gezet hebben dan kon zij een geweldige impuls geven aan zijn streven om het Duitse volk te verenigen onder zijn vlag. De enige wijze om aan Hitlers macht te ontkomen was: de wacht te betrekken bij de vrijheid 'van de christen, zoals deze in de Bergrede getekend wordt, tegenover welke machten ook maar. In het begrip navolging had Bonhoeffer de sleutel gevonden tot deze houding, die hij als voor hem de meest vanzelfsprekende zaak op kerkelijk erf uitdroeg.

Deze vanzelfsprekendheid verklaart zijn verbazing en zijn verontwaardiging als hij merkt dat anderen hem - in het gunstigste geval uit angst - op,deze weg niet volgen.

Ondanks alle inspanningen van de Jonge Hervormers en ondanks het feit dat zij zo nu en dan een massaal protest teweeg brengen, kunnen zij tegen de streken van Hitler niet op. Op 23 juli 1933 weet Hitler verkiezingen voor een nieuw kerkbestuur te organiseren.

Een dilemma
Met grote meerderheid kiezen de Duitse Christenen,

dat wil zeggen, degenen die op de hand van Hitler zijn, de door hem voorgestelde Ludwig Muller tot rijksbisschop. Hij krijgt 75 procent van alle stemmen. Met een van de door hem benoemde bisschoppen krijgt Bonhoeffer al snel te maken: het is de bisschop voor buitenlandse aangelegenheden Theodor Heckel. Deze man had Bonhoeffer inmiddels al voorgesteld om predikant te worden van een Duitse gemeente in Londen.

Het voorstel trok Bonhoeffer aan. Mede op aanraden van zijn vader gaat hij positief in op het verzoek. Twee redenen lagen aan zijn inwilliging ten grondslag. Allereerst een grote desillusie met betrekking tot de Evangelische Kerk. Dit hing samen met de eerste kerk verg ader ing van de Pruisische synode na de stem-

ming van 23 juli. Tijdens deze synode werd de nieuwe kerkleiding geïnstalleerd. Zeer controversieel was de verklaring die daarna aangenomen werd. Men verklaarde dat alleen diegenen in de kerk bevestigd konden worden die bereid waren onvoorwaardelijk steun te betuigen aan de nationaal socialistische staat en die van arische afkomst waren. Nadat dit artikel was aangenomen, barstte er een luid gejuich uit. Vele in bruine hemden gestoken predikanten en ambtsdragers zwaaiden met het hakenkruis. Bonhoeffer, Jacobi, Niemöller en meerdere predikanten die aangesloten waren bij de Jonge Hervormers verlieten demonstratief de zaal.

Bonhoeffer en Franz Hildebrandt luchtten hun woede door na afloop van de vergadering in eigen kring te verklaren dat zij geen stap meer als predikant van zo'n kerk op de preekstoel wilden zetten. De kerk zelf had scheiding aangebracht tussen haarzelf - de rijkskerk - en de kerk van Christus door onvoorwaardelijk te buigen voor de staat.

De enige dienst die de geestelijkheid, aldus Dietrich Bonhoeffer nog kon bewijzen, was dit, mede in solidariteit met de broeders die vervolgd werden (de "niet-ariërs", die uit de kerk geweerd werden) duidelijk te maken. Dietrich en zijn vriend Franz kregen de anderen niet zover. Wat zij bereikten was dat er een "Pfarrernotbund" werd opgericht.

Uit teleurstelling over wat in zijn land plaatsvond, rijpte het plan bij Bonhoeffer om zich inderdaad beschikbaar te stellen voor de post in Londen - "Het is zo vreselijk wat hier gebeurt, ik wil gewoon weg van alles." Zijn vader ried hem bovendien aan, om de Noordzee over te steken, om zich dienstbaar te maken aan de oecumenische beweging. Hij kon deze beweging van objectieve feiten voorzien over het kerkelijke reilen en zeilen in Duitsland.

De doorslag gaf hetgeen gebeurde op de eerste algemene synode van de Duitse Evangelische Kerk. De plek waar men samenkwam was nota bene in Wittenberg, de plaats waar Luther het licht van het Evangelie weer op de kandelaar geplaatst had. Men ratificeerde er hetgeen de "Bruine Synode" op 23 juli had besloten. Een protest van de Jonge Hervormers werd door de voorzitter van de vergadering in de kiem gesmoord. Door Bonhoeffer werden vlugschriften verspreid. Aan Heckel berichtte Bonhoeffer dat er een Pfarrernotbund in het leven was geroepen. Heckel reageerde quasi-verbaasd: deze daad was belachelijk, men liet zich leiden door dramatiek!

Het was deze zelfde Heckel die Bonhoeffer desondanks naar Londen liet gaan. Wellicht werd hij daarbij geleid door de angst dat men zich in Londen los zou maken van de moederkerk als de komst van hun inmiddels aanbevolen jonge predikant werd tegengehouden.

Londen
Het is wel zeker dat Heckel Bonhoeffer niet met een gerust hart liet gaan. Het viel te voorzien dat de jonge predikant in Londen zijn mond niet zou houden. En inderdaad, via bisschop Bell bereikte de informatie over wat er in Duitsland gaande was, de buitenwereld. Bell schreef protestbrieven aan rijksbisschop Muller en aan president von Hindenburg, die bovendien in de Times gepubliceerd werden.

Heckel die Bonhoeffers invloed achter dit alles vermoedde, riep hem bij zich in Berlijn en verweet hem dat hij de Duitse Evangelise Kerk in diskrediet bracht. Bonhoeffer repliceerde dat hij onder geen beding uit Londen weg zou gaan. Een formulier waarmee Bonhoeffer door ondertekening moest beloven dat hij af zou zien van alle oecumenische activiteiten die niet de goedkeuring van de kerkelijke leiding wegdroegen, werd door Bonhoeffer zodra hij aankwam in Londen, ongetekend teruggestuurd.

Een nieuwe taak
Tijdens Bonhoeffers verblijf in Groot Brittannië
kwam het in Duitsland tot de oprichting van de Bekennende Kirche (1934), een daad die zijn volkomen goedkeuring wegdroeg. Het was voor hem een hele troost dat hij aan de totstandkoming ervan door zijn voortrekkersrol bij de Jonge Hervormers ten zeerste had bijgedragen. Kort na de totstandkoming ervan, kreeg hij via zijn vriend Franz Hildebrandt het verzoek van het bestuur van de nieuwe kerkelijke beweging om leiding te gaan geven aan een seminarie tot opleiding tot predikant. Het was tijdens een vergadering van de oecumenische beweging op het Deense Faro, dje kort daarop plaatsvond, dat Bonhoeffer het besluit nam om het seminarie.te gaan leiden.

Dit besluit dat hij tijdens eèn wandeling in nachtelijke uren definitief nam, had als onmiddellijk gevolg dat hij terug moest naar Duitsland. De gevaren die daarmee gemoeid waren, stonden hem heel helder voor ogen. Het waren risico's 'die hij aan Gods zorg zou moeten toevertrouwen. Terwijl hij langs de zee liep, in druilerige regen, kwamen hem de woorden te binnen: "Mijn genade is u genoeg, want mijn kracht wordt in zwakheid volbracht". Ze zacht voor zich uitsprekend vond hij er de kracht in, om de toekomst tegemoet te gaan. De toekomst zou hem in aanraking brengen met zijn studenten, met de ijzeren vuist van het Duitse regime en met de talenten en de tekortkomingen die hem als persoon en christen eigen waren. Maar ook bood ze hem de kans om, nu de Duitse Evangelische Kerk haar roeping niet had verstaan, in kleinere kring de kerk te dienen, en wat overbleef te versterken - opdat niet alles verloren zou gaan ...