Terug naar Ecclesianet.nl

Augustinus als Prediker (III), DS. IJ. Wisse, Rijnsburg

Zijn werk als prediker

Wij hebben intussen uit het bovenstaande kunnen opmaken van hoe groot gewicht Augustinus de prediking heeft gevonden. Hij zag die inderdaad als één van zijn belangrijkste taken.' En hij heeft véél * gepreekt: zondags, op christelijke feestdagen, op herdenkings-dagen, soms wel meermalen per dag. Meestal in Hippo Regius, eerst enkele jaren als priester en medebisschop, en na de dood van Valerius als bisschop. Maar ook heeft hij talrijke keren in de hoofdstad Carthago gepreekt, waar hij vaak kwam, ongeveer 250 km van Hippo verwijderd. Verder ging hij voor in kerken in kleinere steden. Hij bracht namelijk veel bezoeken elders, met dikwijls langdurige verblijven daar, bezoeken, die vrijwel nooit zonder prediking voorbijgingen.

Van Augustinus hebben wij nog ongeveer 600 preken, met daarnaast ook verhandelingen over bepaalde bijbelboeken, waarvan een deel niet voor de gemeente is uitgesproken, maar gedicteerd aan medebroeders. Dat er nog zoveel preken van de kerkvader tot onze beschikking zijn, hebben wij te danken aan snelschrij-vers, die de preken stenografisch opnamen. Zij maakten met behulp van een moeilijk systeem van kort-schrift tijdens de diensten aantekeningen en werkten die later uit. In veeï gevallen kreeg Augustinus de gelegenheid de opgenomen preken nog in te zien en eventueel correcties aan te brengen. Ook werden zij gekopieerd, en dan werd er altijd een afschrift van bewaard in de bibliotheek van het bisdom. Wij mogen

er van uitgaan, dat in de oudheid de stenografen hun werk voortreffelijk verrichtten.

Vorm en stijl van de preken

Door zijn onverwachte roeping stond Augustinus tegelijk voor het feit, dat hij in Hippo "moest preken voor mensen van allerlei stand en ontwikkeling. Veel armen en slechts enige rijken waren er onder zijn gehoor. De meesten van hen waren bovendien nog ongeletterd, konden lezen noch schrijven. Het waren vissers, havenwerkers, ambachtslui, dagloners, kooplui, die de kerk vulden, en niet te vergeten hun vrouwen en kinderen. Augustinus begreep dat hij hen moest aanspreken in een begrijpelijke vorm, in eenvoudige zinnen en bewoordingen. Tot nog toe had hij in zijn filosofische en theologische geschriften een taal en stijl gebruikt, die enkel ontwikkelde lezers konden volgen. Om verstaanbaar te zijn voor het kerkvolk moest hij zich dus totaal omschakelen wat dit betreft.

Wanneer wij preken van Augustinus lezen, dan treft ons hierin het boeiende, iets sprankelends. Hij gebruikt voorbeelden uit het dagelijks leven. Hij blijkt de mensen, die hij in de kerk vóór zich heeft, te kennen: hun zorgen, hun vragen, hun moeilijkheden. Hij weet, hoe het toegaat bij hun werk, in hun bedrijf, in de agrarische sector, in het huiselijk leven. Hij haalt voorbeelden aan over dokters en dieven. Hij vertelt van een schoolmeester, die een leerling een pak slaag geeft, over een knecht, die zijn baas besteelt. En bij dit alles knoopt hij aan om een bijbelse waarheid te verduidelijken.

Op deze manier probeert hij voor zijn gehoor het geloofsleven ook handen en voeten te geven. Het geloof moet praktijk worden. Want op de dagelijks handel en wandel van de kerkmensen viel nogal het één en ander aan te merken. Er kwam veel losbandigheid, echtbreuk en dronkenschap voor. Telkens weer bezweert de bisschop hen dan ook hun leven te beteren.

Hij hanteert in zijn preken de methode van het zelf opwerpen van vragen - vragen, waarvan hij veronderstelt, dat deze bij het kerkvolk leven of tijdens de preek opkomen. Hij voert mensen als het ware sprekende in en geeft zelf antwoord. Dat verlevendigt de preek, zodat zijn hoorders zich gemakkelijk in het behandelde betrokken weten. Soms - zo blijkt uit de weergave van de preken - komen er van de kant van het kerkvolk reacties. Er wordt dan gemompeld, geroepen, geapplaudiseerd, op de grond gestampt, op de borst geslagen. Of wanneer de bisschop over bekende stof preekte of bekende bijbelteksten aanhaalde, gebeurde het wel, dat de hoorders zelf reeds aanvulden, wat hij verder zou gaan zeggen.

Het kon ook weieens rumoerig zijn in de kerk, wat heel verklaarbaar was, omdat de mensen niet zaten, maar stonden: mannen en vrouwen van elkaar gescheiden. Enkel de bisschop, die de preek hield, zat. Hij zat op een verhoging tegen de achterwand van de kerk. Soms was de kerk overvol, en als wij dan bedenken, dat de temperatuur er hoog kon zijn, was het niet zo vreemd, 'dat de mensen weieens moe en luidruchtig werden. Augustinus hield daarom ook wel rekening met allerlei. Als daartoe aanleiding was, preekte hij kort. Daar kwam nog bij, dat hij een zwakke stem had. Hij klaagde dan ook zelf weieens oyer moeheid en zei dan, dat hij met de prediking ging stoppen. Dan duurde de preek maar enkele minuten. Over het algemeen duurde zijn preek tussen de 30 en 90 minuten.