Terug naar Ecclesianet.nl

Augustinus als Prediker (II), DS. IJ. Wisse, Rijnsburg

Ds. IJ. WISSE, Rijnsburg

AUGUSTINUS ALS PREDIKER (II)

Augustinus' bezwaren en verzoek

Dat Augustinus de grootste moeite had ineens tot priester aangesteld te zijn, kwam ook door het feit, dat de bisschop van hem verlangde, dat hij onmiddellijk zou gaan preken. Dat was trouwens iets, dat nog nooit ergens in de kerk van het Westen was voorgekomen. Het normale was, dat een priester enkel preekte, wanneer er geen bisschop was.

Bovendien had Augustinus nog een ander probleem: hij voelde zich volstrekt niet in staat te preken wegens gebrek aan kennis van de Heilige Schrift. Daarom verzocht hij Valerius om uitstel van de uitoefening van zijn ambt voor een bepaalde tijd. Naar zijn eigen mening had hij een periode nodig, waarin hij zich nauwkeuriger op de hoogte kon stellen van de inhoud van de bijbelse boodschap: een soort studieverlof dus. Pas daarna zou hij zijn verantwoordelijke taak op een betere wijze kunnen vervullen.

Zoals gezegd was het in het begin van 391, dat Augustinus zich in Hippo bevond, en hij vroeg toen in een lange brief aan Valerius om hem tot Pasen van het volgende jaar vrij te stellen van de prediking. De brief, waarin hij dit verzoek om uitstel kenbaar maakte aan de bisschop, bezitten wij nog. Hij schreef o.a.:

"Niets is in dit leven en vooral tegenwoordig gemakkelijker, aangenamer en meer in aanzien bij de mensen dan het ambt van bisschop of priester of diaken, wanneer het voor de vorm wordt bekleed en op een manier, die de mensen aanstaat, maar voor God niets ellendiger, triester en verfoeilijker. En net zo is er in dit leven en vooral tegenwoordig niets moeilijker, inspannender en gevaarlijker, dan het ambt van bisschop of priester of diaken, maar voor God niets zaliger dan wanneer de dienst zó wordt vervuld als onze Opperheer het beveelt. Maar hoe dat moet, heb ik voor mij allerminst van

kindsbeen af geleerd. En in de tijd, waarin ik begon te leren, heeft men mij genoodzaakt - als een straf voor mijn zonden, want hoe ik het anders moet beschouwen, weet ik niet - de plaats van tweede stuurman in te nemen, terwijl ik nog niet eens een roeiriem kan hanteren (...). Vandaar die tranen, die sommige broeders mij in hun midden hebben zien schreien, toen ik pas geordend was tot het ambt. En omdat zij de redenen van mijn droefheid niet kenden, probeerden zij toch met goede bedoelingen mij te troosten met alle mogelijke woorden, die evenwel tot de wond zelf in het geheel niet reikten (...).

Nu is het echter mijn plicht al de geneesmiddelen van de goddelijke Schriften te doorzoeken en door gebed en lezen zover te komen, dat mijn ziel de gezondheid ontvangt, die voldoende is met het oog op zulke moeilijke bezigheden. Dat heb ik tevoren niet gedaan, want ik had daarvoor niet de tijd. Immers ik ben geordend tot het ambt op een tijdstip, waarop wij er juist over dachten, hoe wij de tijd konden krijgen om de goddelijke Schriften te bestuderen, en waarop wij het zó wilden inrichten, dat wij voor deze bezigheid vrije tijd konden hebben.

Waarlijk, ik wist nog niet, hoeveel mij ontbrak voor het werk, dat mij nu zo benauwd maakt. Maar nu ik door de feiten zelf er achter ben gekomen, wat een mens, die aan het volk de sacramenten en het Woord van God bedient, nodig heeft, zou ik dan niet mogen krijgen, waarvan ik het gemis heb leren inzien? U wilt toch niet, vader Valerius, dat ik zal mislukken? Waar is uw liefde? U houdt toch van mij? U houdt toch ook van de kerk? Maar hoe kunt u dan willen, dat ik haar in die toestand zou dienen? Ja, ik weet zeker, dat u houdt èn van mij èn van de kerk. Maar u houdt mij voor geschikt, terwijl ik mijzelf nu beter heb leren kennen, zij het pas door de ondervinding, die ik heb opgedaan.

Maar wellicht zegt u: ik zou weieens willen weten, wat er aan uw toerusting ontbreekt. Och, dat is zóveel, dat ik met meer gemak zou kunnen opnoemen wat ik heb, dan wat ik graag zou willen hebben (...). Wellicht zijn er in de heilige Boeken enige raadgevingen te vinden - nee, zonder twijfel zijn ze daar te vinden - die een man Gods, wanneer hij ze kent en ze zich eigen maakt, in staat stellen de kerkelijke belangen en regels te behartigen of tenminste temidden van zondige mensen of te leven met een zuiver geweten, of te sterven, opdat niet het enige leven, waarnaar nederige en zachtmoedige christelijke harten verlangen, verloren gaat. En hoe kan dit anders gebeuren dan, zoals de Here zelf zegt, door te vragen, te zoeken en te kloppen1), dat wil zeggen: door te bidden, te lezen en te klagen. En om dat te doen heb ik door bemiddeling van de broeders u laten vragen om een korte tijd uitstel, bijvoorbeeld tot Pasen, en nu wil ik het u bij deze persoonlijk verzoeken.

Want wat zal ik de Here, mijn Rechter eenmaal moeten antwoorden? Soms dit: ik kon daarnaar niet zoeken,omdat ik door kerkelijke bezigheden werd verhinderd? (...) Zeg mij, wat ik dan moet antwoorden. Ik vraag het u. Wilt u dan soms, dat ik zal zeggen: de eerbiedwaardige Valerius geloofde, dat ik al die dingen wel wist, maar hoe meer hij mij beminde, des te minder wilde hij mij toestaan te leren? Denk toch eens aan dit alles, vader Valerius! (...) Op grond van die liefde en genegenheid smeek ik u, dat u medelijden met mij wilt hebben, en mij met het oog op datgene, wat ik vraag, de tijd wilt schenken, die ik vraag, en dat u mij wilt steunen door uw gebeden, opdat mijn verlangen niet voor niets mag zijn en mijn afwezigheid niet onvruchtbaar voor de kerk van Christus en voor de goede diensten van mijn broeders en mededienaars"2).

Deze brief van Augustinus aan Valerius, waaruit een gedeelte is aangehaald, was zoveel als een noodkreet. En waarschijnlijk heeft hij het gevraagde uitstel om zich op zijn taak goed te kunnen voorbereiden ook gekregen. Zo heeft hij in die periode zich de inhoud van de Heilige Schrift meer eigen gemaakt. Het moet ons namelijk opvallen, dat vanaf die tijd zijn geschriften veel "bijbelser" zijn geworden. Dat is te merken aan citaten uit de Heilige Schrift, terwijl ook allerlei toespelingen erop wijzen, dat Augustinus in die verlofperiode de Schrift béter heeft leren kennen.

1. Vgl. Matth. 7:7:
2. Epist. 21.