Terug naar Ecclesianet.nl

Het republikeinse karakter van onze monarchie (I)

Drs. M. den Admirant, Den Haag

HET REPUBLIKEINSE KARAKTER VAN ONZE MONARCHIE

In een Duitse documentaire over het Nederlandse vorstenhuis deed prins Claus kortgeleden een opmerkelijke uitspraak. Nederland is, aldus de prins-gemaal, geen monarchie maar een republiek met een erfelijk vorst, die in nauw contact met het volk staat.

Er is een gerede aanleiding om nader op deze uitspraak in te gaan. Dit jaar wordt immers de grondwetsherziening van 1848 herdacht, waarmee de basis werd gelegd voor het huidige staatkundige bestel in Nederland.

Van belang is, dat we allereerst vaststellen wat de termen monarchie en republiek inhouden. Met het aan het Grieks ontleende woord monarchie (alleenheerschappij) werd oorspronkelijk een regeringsvorm aangeduid, waarbij de hoogste macht ongedeeld in handen was van één persoon, de vorst. Een republiek (Latijn: res publica, d.w.z. de openbare zaak) was vanouds een staat waarin het hoogste gezag niet bij één persoon, maar bij meer ambtsdragers berustte.

Absolute monarchieën behoren tot het verleden. Ze bestonden in Europa nog in de negentiende eeuw, maar door revoluties kwam er een einde aan. Ons land kende vóór 1848, in de tijd van de eerste twee Oranjekoningen, geen absolute maar een "beperkte" monarchie. De vorst deelde de wetgevende macht met de Staten-Generaal. In het landsbestuur speelde hij echter nog een centrale rol. De ministers waren in de letterlijke betekenis van het woord "dienaren des konings". In 1848 kwam hierin verandering. Volgens de nieuwe, door J.R. Thorbecke (1798-1872) ontworpen grondwet zouden in het vervolg de ministers tegenover de Staten-Generaal verantwoordelijk zijn voor alle daden (of nalatigheden) van de regering. "De koning is onschendbaar, de ministers zin verantwoordelijk", aldus een in de grondwet van 1848 opgenomen artikel, dat nadien alle herzieningen heeft overleefd.

Sinds de opkomst van de constitutionele en parlementaire monarchie, waarin de macht van de monarch wordt beperkt door grondwet en volksvertegenwoordiging, is de persoonlijke invloed van de koning op het regeringsbeleid afgenomen. Daarmede is ook de tegenstelling tussen monarchie en republiek vervaagd. De twee staatsvormen verschillen thans vrijwel alleen nog in de wijze waarop het staatshoofd wordt aangewezen: in de monarchie door erfopvolging, in de republiek door verkiezing. Reeds in 1865 schreef Conrad Busken Huet (1826-1886) in De Gids: "Nederland is feitelijk sinds 1848 een democratische republiek met een vorst uit het Huis van Oranje als erfelijk voorzitter".

Busken Huet zag de constitutionele monarchie als een uitvloeisel van de Revolutie, die in Frankrijk een einde had gemaakt aan het bewind van Lodewijk XVI en in ons land aan het stadhouderschap van Willem V. Het sinds 1747 erfelijke stadhouderschap borg de kiem van een autocratische regering (alleenheerschappij) in zich, aldus Busken Huet in zijn Nationale Vertoogen, I (1876).

Visie van Thorbecke en Groen van Prinsterer
De genoemde publicist bestreed daarmee de opvatting van Thorbecke. Deze liberale staatsman schreef in 1869 in zijn Narede, achter de uitgave van zijn parlementaire redevoeringen, dat de constitutionele monarchie is voortgevloeid uit onze geschiedenis. De grondslag ervan werd dus al gelegd in de tijd van de Republiek der Verenigde Nederlanden.

Evenals Thorbecke beschouwde Groen van Prinsterer de constitutionele monarchie als een vrucht van onze geschiedenis. "Hier", zei Groen in 1857, "is het koningschap meer wellicht dan in enig land met republikeinse zin en geest doorvoed, het heeft een republikeinse wortel, is geboren uit de geschiedenis van het Gemenebest. De Koning is het eminente hoofd, hetgeen de natie eeuwenlang begeerd heeft" {Adviezen in de Tweede Kamer der Staten-Generaal II (1857), blz. 173). En in 1865 schreef Groen: "In het echt-republikeinse karakter van de staat ligt de voorwaarde, het levensbeginsel en de levenskracht van een nationaal-constitutionele monarchie" {Aan de Kiezers, IX (1865), blz. 11).

Thorbecke en Groen verschilden echter in hun visie op het koningschap. Groens geestverwant Aeneas Mackay (1806-1876) bracht, toen hij op 31 maart 1858 bij koning Willem III op audiëntie was, het verschil als volgt onder woorden: "Thorbecke heeft een grondwettige Koning, wij hebben een Koning met een grondwet. Het onderscheid is groot. Een grondwettige Koning wordt bij de gratie aangesteld en desnoods afgezet. Een Koning met een grondwet is een vorst wiens soevereiniteit gegroeid is uit die der provincies of der steden, maar altijd uit een historische soevereiniteit. De grondwet regelt deze soevereiniteit en waarborgt het volk zijn rechten en vrijheden" (Dr. J.P. Duyverman, Uit de geheime dagboeken van Aeneas Mackay, Dienaar des Konings, blz. 63, 64).

Rol van het staatshoofd
In de tijd dat Mackay de aangehaalde regels in zijn dagboek noteerde, vervulde de Koning in het staatkundig leven nog een voorname rol. Hij benoemde ministers die zijn vertrouwen hadden, al hield hij wel rekening met de samenstelling van het parlement. De ministeries uit die tijd worden als "koninklijke kabinetten" aangeduid. Pas na de grondwetsherziening van 1887 konden parlementaire kabinetten worden gevormd.

In de parlementaire monarchie is de persoonlijke invloed van de Koning(in) in staatszaken weliswaar beperkt, maar geenszins verdwenen. Nog steeds heeft het staatshoofd het recht om geraadpleegd of geïnformeerd te worden, om aan te moedigen en om te waarschuwen. Hoe de Koningin van deze rechten gebruik maakt, is het geheim van het Noordeinde.

Een belangrijke rol speelt het staatshoofd veelal bij kabinetsformaties. In het bijzonder als de politieke situatie gecompliceerd is en tegenstrijdige adviezen worden uitgebracht, legt het oordeel van de Koningin gewicht in de schaal.

In sommige politieke kringen wordt echter het recht van het staatshoofd, zelf een kabinetsformateur aan te wijzen, betwist. Al in 1971 probeerde de Tweede Kamer het eens te worden over een aanbeveling tot de benoeming van een formateur. De poging mislukte, maar het denkbeeld dat de Kamer een formateur moet "voordragen, vindt nog steeds aanhang.

In de toekomst zullen de bevoegdheden van het staatshoofd wellicht verder worden aangetast. Zolang echter in de grondwet sprake is van een koningschap, dat erfelijk wordt vervuld door de wettige opvolgers van Koning Willem I (grondwet van 1983, artikel 24), is ons land een monarchie.