Terug naar Ecclesianet.nl

J.G. Barnhoorn, Nunspeet, Een boeiend portret (II)

J.G. Barnhoorn, Nunspeet

EEN BOEIEND PORTRET (II)

Conclusie
De vorige maal sloten we af met de constatering door Dr. E.P. Meijering in zijn theologische biografie over H. Berkhof dat deze Leidse dogmaticus steeds meer nadruk is gaan leggen op: "het functionele en relationele element in het spreken over God en mens", waarbij hij overigens handhaafde dat wij mensen afhankelijk zijn van God terwijl het omgekeerde niet het geval is. De mens afhankelijk van God, God niet afhankelijk van de mens. Een gedachte, die wij uiteraard van harte onderschrijven. Dit is echter niet het geval met Berkhofs huiver voor de "zijnsuitspraken" in de theologie ten gunste van een meer functionele en relationele manier van spreken over God en mens, - een huiver, die ook blijkt uit een uitspraak als: "Ik geloof niet aan een gelijkblijvende waarheid die wij maar hebben door te geven. Ik geloof, dat de Heilige Geest ons in dit kritische en bevrijdende heen en weer tussen situatie en evangelie plaatst. De theologie gaat een weg. De grote theologen hebben ons geleerd, dat er alleen

een theologia viatorum is, een theologie op weg. Maar ik zou het nog scherper willen zeggen: de theologie is zelf die weg" (pag. 11). Een uitspraak, waarachter wij zonder meer een vraagteken zouden willen plaatsen. Wie bij van A.A. van Ruler ter schole is gegaan, is nu eenmaal veel minder afkerig van ontologische categorieƫn - zoals deze (onder invloed van de Griekse wijsbegeerte) m.n. voor de klassieke godsleer van grond-leggende betekenis geacht worden - dan in het zgn. brede midden van onze kerk het geval is. En dat deze kwestie niet op zichzelf staat, maar van fundamentele betekenis voor heel het theologisch denken is, zal, naar wij aannemen, door geen enkel weldenkend mens ontkend worden.

En toch: ondanks vraagtekens als deze, weten wij ons uitermate erkentelijk voor wat ons in een man als Berkhof aan de kerk is geschonken, waarom wij ons gedrongen weten, onze dankbaarheid uit te preken jegens Dr. Meijering voor het boeiende portret, dat hij ons van deze markante theoloog geboden heeft. Een theoloog, met wie wij ons ondanks al hetgeen, waarin wij van hem verschillen, toch hecht verbonden weten, en dat niet in de laatste plaats doordat hij met zijn levensechte hunkering naar de "unitas ecclesiae pres-sae", de eenheid van de verdrukte kerk (pag. 15) - een hunkering, die hij reeds in de bange oorlogsjaren, als jong predikant, op een zo moedige wijze gestalte heeft gegeven - zijn theologie als weinig anderen daadwerkelijk geleefd heeft.

Kanttekeningen
Ten besluite van onze bespreking nog een kritische kanttekening met het oog op een eventuele tweede druk van Meijerings pennevrucht. In de eerste plaats zouden wij de vinger willen leggen bij de vermelding (op pag. 12) van een "proponentsexamen", dat Berkhof, voordat hij zich als student in Leiden liet inschrijven, in Amsterdam zou hebben afgelegd. Wat bedoelt Dr. Meijering hiermee te zeggen? Het proponentsexamen werd toch pas na voltooiing van de theologische studie afgelegd om zich als predikant beroep-baar te kunnen stellen? Ten tweede: op pag. 65 wordt verkeerdelijk van Ned; Hervormde gemeenten in plaats van Hervormde gemeenten (behorend tot de Ned. Hervormde Kerk) gesproken. Tenslotte veroorloven wij ons de opmerking, dat het boek behalve bij een correctie van enkele storende drukfouten alleszins gebaat zou zijn geweest bij een index, waarin verwezen wordt naar de bladzijden, waarop de respectieve boeken van Berkhof ter sprake komen.

Tot zover onze kanttekeningen bij een boek, waarvan de lezing een emeritus-predikant bijna zou doen vergeten, dat in de schone meidagen, waarin wij deze regels aan het papier toevertrouwen, naast de genade, door Berkhof in zijn boeken zo veelvuldig bezongen, ook de schepping, zoals zij zich niet het minst in de schoonheid der Veluwse bossen manifesteert, als openbaringsbron genoten wil worden, - een opmerking, die deze of gene lezer wellicht doet denken, dat ondergetekende zich toch wel wat al te zeer door de ontologie, althans door de natuurlijke theologie, laat beheersen. Maar daarvan draagt dan ongetwijfeld van Ruler de schuld ...!