Terug naar Ecclesianet.nl

Augustinus als Prediker (1), DS. IJ. Wisse, Rijnsburg

Ds. IJ. WISSE, Rijnsburg

AUGUSTINUS ALS PREDIKER (1)

Wat in het algemeen het meest bekend is van de kerkvader Augustinus, die leefde van 354 tot 430, is, dat hij na in zijn jonge jaren een nogal losbandig leven te hebben geleid, langs een lange weg van geestelijke omzwervingen en geestelijke strijd tenslotte tot bekering kwam. De geschiedenis, die zich in de tuin in Milaan afspeelde, met uit de naburige woning de stem van een kind, dat op zingende toon zei: "Neem, lees; neem, lees", is en wordt vaak verteld1). Maar wat er verder gebeurde, weten velen niet of nauwelijks, terwijl Augustinus toch door wat hierna plaats vond,, tot zo'n uitzonderlijke figuur in de kerkgeschiedenis is geworden. Vanaf dat moment ging hij het overige van zijn leven totaal in dienst van God stellen.

Een veel omvattend werk werd hem op de schouders gelegd, toen hij in 396 na het overlijden van Valerius, de bisschop van de kerk in Hippo Regius, diens opvolger werd, nadat hij enkele jaren eerder daar reeds tot priester was aangesteld. Temidden van zijn drukke werkzaamheden nu heeft hij het preken altijd als zijn voornaamste taak beschouwd. Het onderstaande is een poging om dit onderdeel van Augustinus' bezigheden wat te belichten.

Het bezoek aan Hippo Regius
In het voorjaar van 391 verbleef Augustinus enkele dagen in Hippo Regius, een havenstad in Noord-Afrika, die ongeveer 30.000 inwoners telde in die tijd. Wat hem daar overkwam, bracht een ingrijpende verandering in zijn leven. Na zijn bekering was hij teruggekeerd naar zijn geboortestad Thagaste. Hij leefde daar met enkele vrienden, zijn zoon Adeodatus en zijn broer Navigius in een soort kloostergemeenschap, op een familielandgoed, waar zij door de grond te bewerken in hun onderhoud konden voorzien, maar daarnaast zich ook konden bezighouden met geestelijk werk. Vooral de bestudering van de Heilige Schrift nam hen in beslag.

Thagaste was een kleine stad en al gauw was het in de hele omgeving bekend, dat Augustinus daar verbleef. Hiermee was hij niet gelukkig. Liever was hij onopgemerkt gebleven. Want hij wist maar al te goed, hoe het Ambrosius in Milaan vergaan was. Deze was tegen zijn wil onverwachts door het volk als bisschop verkozen. Iets dergelijks nu wilde Augustinus voorkomen. Maar zich van alles en iedereen afzijdig houden, lukte hem in Thagaste toch niet.

Hij had op een zeker ogenblik vernomen, dat in Hippo Regius een hoge staatsambtenaar christen was geworden en deze wilde met Augustinus persoonlijk van gedachten wisselen over de vraag, hoe hij nu als gelovige moest leven. Met een gerust hart ondernam Augustinus de reis naar Hippo, te meer omdat de bisschopszetel daar bezet was en hij dus niet ,het risico liep om hetzelfde als Ambrosius te overkomen.

Zijn verblijf in Hippo Regius liep echter wat uit, omdat de bekeerling moeilijk tot een definitief besluit kon komen inzake zijn verdere christelijke levenswijze: moest hij zijn wereldlijk ambt opgeven en zich helemaal aan de dienst van God wijden? Augustinus wachtte op een beslissing in deze. Intussen echter raakte het in de stad bekend, dat hij daar was.

Toch had Augustinus nog méér op zijn programma staan dan enkel de ontmoeting met deze tot geloof gekomen ambtenaar. In Hippo zocht hij ook naar een plaats om een klooster te stichten. Een klooster dan, waarin het leven geheel moest staan in het teken van Schriftstudie, meditatie en gebed - iets anders opgezet dus dan de leefgemeenschap in Thagaste.

Maar wat was het dan wat hem in Hippo tijdens zijn bezoek daar overkwam? Vijf-en-dertig jaar later vertelde hij zijn gemeenteleden in een preek er het volgende van:"Zoals velen van u weten, kwam ik, die u door Gods genade als uw bisschop ziet, als jongeman naar deze stad. Ik was op zoek naar een plaats, waar ik een klooster zou kunnen stichten om daar met mijn broeders te leven. Immers alle hoop op de wereld had ik opgegeven. Wat ik had kunnen zijn, wilde ik niet zijn 2), ook streefde ik er niet naar te zijn, wat ik nu ben. Ik wilde liever staan aan de drempel van het huis van mijn God dan verblijven in de tenten van de goddelozen 3). Ik hield mij ver van degenen, die de wereld liefhebben, maar achtte mij niet de gelijke van hen,, die aan anderen leiding geven. Bij de Maaltijd van mijn Here wilde ik liever niet de hoogste plaats, maar gaf ik de voorkeur aan de laagste, meer onaanzienlijke plaats. Maar het behaagde de Here mij te zeggen: "Kom meer naar voren" 4).

Ik vreesde het ambt van bisschop zozeer, dat ik, toen mijn naam reeds onder de dienaren van God bekend begon te worden, niet op plaatsen kwam, waarvan ik wist, dat er geen bisschop was. Ik was op mijn hoede en ik deed, wat ik kon, om heil te vinden in een nederige positie ten einde het risico van een hoge positie te ontlopen.

Maar een slaaf mag zijn meester niet tegenspreken. Ik kwam tevens naar deze stad om een vriend op te zoeken van wie ik meende, dat ik hem voor God kon winnen en hem kon overhalen in ons klooster te komen wonen. Ik voelde mij om zo te zeggen veilig, want de stad had een bisschop. Maar ik werd gewoonweg vastgegrepen en tot priester gewijd, en vanuit die positie bereikte ik het bisschopsambt" 5).

Het was gebeurd, voordat Augustinus er goed en wel erg in had gehad. Hij was gewoon kerkganger geweest in een dienst, waarin Valerius, de bisschop van Hippo, die al op leeftijd gekomen was, voorging, en deze de gemeente zei, dat hij, gezien het klimmen der jaren èn het feit, dat hij als geboren Griek de Latijnse taal niet volkomen beheerste, het wenselijk vond, dat er een priester zou worden aangesteld, die hem vooral in de prediking terzijde kon staan.

Possidius, een tijdgenoot van Augustinus, die diens leven beschreven heeft, geeft de gebeurtenis zó weer: "In die tijd bekleedde de eerbiedwaardige Valerius het bisschopsambt in de katholieke kerk te Hippo. Op zekere dag hield hij een toespraak tot het volk van God, waarin hij duidelijk maakte, dat er voor de stad een nieuwe priester moest worden gezocht en gewijd, omdat het belang van de kerkgemeenschap dit vereiste. Toen grepen de gelovigen Augustinus vast. Zij waren immers op de hoogte van zijn levenswijze en zijn geleerdheid. Augustinus nu stond midden onder het kerkvolk, onbezorgd en niet vermoedend wat er ophanden was. Als leek had hij echter, zoals hij ons later vertelde, in die tijd de gewoonte aangenomen om weg te blijven uit die kerken, waar de bisschopszetel vacant was. Zij grepen hem dus vast en, zoals in dergelijke omstandigheden gebruikelijk was, brachten zij hem bij de bisschop, opdat deze hem zou wijden.

Allen verlangden eenstemmig, dat hij gewijd zou worden en drongen hier hartstochtelijk en met luid geroep op aan, terwijl Augustinus zelf hevig begon te huilen. Maar sommigen, zo vertelde hij ons, legden toen zijn tranen uit als een uiting van hoogmoed. En zij probeerden hem te troosten door te zeggen, dat, hoewel hij een hoger ambt waard was, zeker het priesterschap binnen zijn bereik lag. De man Gods -Augustinus' - bezag dit alles evenwel dieper en was terneergeslagen, naar hij ons heeft verteld, want hij voelde van tevoren vele en grote gevaren op zich aankomen met betrekking tot het bestuur en de leiding van de kerk. Enkel daarom liet hij tranen. Maar alles wat de mensen hadden verlangd, gebeurde" 6).

1. Belijdenissen VIII, XII, 29.

2. Augustinus bedoelde hiermee, dat hij, gezien zijn opleiding, een belangrijke wereldlijke functie had kunnen uitoefenen.

3. Vgl. Psalm 84:11.

4. Vgl. Lukas 14:10,

5. Sermo 355, 2.

6. Possidius, Vita S. Augustini 4.