Terug naar Ecclesianet.nl

Ds.J.G.Barnhoorn, Nunspeet, Een boeiend portret (I)

Ds. J.G. BARNH0ORN, Nunspeet

EEN BOEIEND PORTRET (I)

Van de hand van Dr. E.P. Meijering, lector in de Latijnse en Griekse letterkunde van de latere oudheid en in de vroege kerk- en dogmengeschiedenis aan de Leidse Universiteit - wij kenden hem reeds als de auteur van het mooie boekje "Onmodieuze Theologie" - verscheen enige tijd geleden bij Uitgeversmaatschappij J.H. Kok te Kampen een boek, getiteld: "Hendrikus Berkhof (1914 - 1995)", - een werk, dat zich nader als een "theologische biografie" aandient. Nu mag er, voor zover ons bekend is, van een bijzondere band tussen Dr. Berkhof en de kring van Kohlbrugge's vrienden nooit sprake geweest zijn - de jaren door heeft Berkhof zelfs de schijn van een keuze voor enige groep of richting resp. modaliteit willen vermijden - zijn betekenis voor de vaderlandse kerk is zo groot geweest, dat wij van mening zijn, aan de verschijning van een boek als dit niet zonder meer voorbij te kunnen gaan.

Geschiedenis der Kerk
Dr. H. Berkhof is in brede kringen van onze kerk - en daarbuiten - met name bekend door zijn "Geschiedenis der Kerk", - een boek, dat, n.b. tijdens zijn gevangenschap in Enschede (1941/ '42) geschreven en nadien verscheidene keren herdrukt, behalve als studiemateriaal voor cursisten ook voor persoonlijk gebruik aan velen gedurende tal van jaren onschatbare diensten heeft bewezen. Uw recensent zal bepaald de enige niet zijn, die het boek steeds binnen handbereik heeft gehad en er gretig keer op keer naar gegrepen heeft. Een onmisbaar naslagwerk, dat, "sterk theologisch gekleurd", zoals de schrijver terecht opmerkt, generaties gevormd heeft!

Een kritische instelling
Behalve aan zijn "Geschiedenis der Kerk" denken wij uiteraard in de eerste plaats aan Berkhofs dissertatie over de theologie van de vroeg-christelijke apologeet Eusebius van Caesarea (1939): een dogmenhistorische studie (door de classicus J.H. Waszink een kwart eeuw na zijn verschijning nog als het belangrijkste werk over deze vermaarde bisschop geprezen!), waarin de auteur Eusebius er overigens flink van langs geeft, in tegenstelling tot figuren als Athanasius en Marcellus van Ancyra, voor wie hij bijzonder veel waardering blijkt te nebben.

In de derde plaats noemen wij het boek "De Kerk en de Keizer", in dezelfde tijd als de "Geschiedenis der Kerk" geschreven, hoewel pas na de oorlog gepubliceerd, terwijl wij met betrekking tot de praktijk van het kerkelijk leven - Berkhof was een geleerde, die zich ten volle bij het wel en wee van de gemeente betrokken wist - in eerste instantie denken aan het veelbesproken boekje "Crisis der middenorthodoxie" (1952), waarin de auteur, intussen rector van het seminarium der Ned. Hervormde Kerk geworden, de brede middengroep onzer kerk, waarvan hijzelf deel uitmaakte, op de korrel neemt: allerwegen in de kerk activiteit, activisme zelfs, maar brengt dit, zo vraagt Berkhof zich af, niet een inhoudelijke verzwakking met zich mee? Een boekje, dat een bijzonder kritische instelling verraadt, die ons onwillekeurig doet denken aan een uitspraak van Berkhof, die ons jaren later in het boek "Gereformeerden op zoek naar God" (Dr. C. Graafland) onder ogen kwam: "De synode bemoeit zich met alles, spreekt zich over van alles en nog wat uit, maar het hart van de zaak, de kern van de nood, waarin kerk en wereld verkeren, laat zij ongemoeid. Datzelfde gebeurt ook in de kerkenraden. Zij maken zich druk over vele zaken, maar die wel secundair zijn, tot de marge van het gemeentelijke leven behoren, hoogstens de vormen, maar niet de inhoudelijkheid van het geloof raken. Ook zij laten de diepste nood, waarin de gemeente verkeert, liggen".

In uitspraken als deze leert men de auteur kennen -en waarderen - als iemand, die, steeds tot zelfkritiek bereid, altijd weer het gesprek met anderen gezocht heeft. En hoe boeiend was het, met hem in gesprek te zijn. Eigenlijk nu pas, jaren later, ga je beseffen, dat Berkhof - als gesprekspartner steeds een uitermate beminnelijk mens - beter dan wie ook de kunst verstond, tot een echte dialoog te komen, waarbij hij -een zeldzame gave! -de ander steeds ten volle in zijn waarde wist te laten en zelfs - vrucht van écht luisteren - gedachten, door deze aangereikt, in zijn eigen denken een plaats vermocht te geven.

"Christelijk Geloof"
Hebben tal predikanten Berkhof pas aan het einde van hun studententijd, in zijn hoedanigheid van rector van het seminarium onzer kerk, leren kennen, vooral zij, die hem als kerkelijk hoogleraar te Leiden (1960 -1981) hebben meegemaakt, hebben veel van hem meegekregen. Het is in deze jaren, dat zijn befaamde dogmatiek, "Christelijk Geloof' van de pers kwam (1973), - een werk, waardoor hij een groot aantal

mensen, ook buiten de academische wereld, aan zich heeft verplicht, doordat hij - o.i. niet in de laatste plaats gedreven door de behoefte, ook buitenstaanders met de Bijbelse Boodschap te bereiken - verscheidene items uit de christelijke traditie op een verrassende wijze ter sprake bracht om er vervolgens niet zelden een geheel nieuw licht op te werpen. En ook waar men van mening is, op bepaalde punten niet met hem mee te kunnen gaan, wordt men toch telkens weer geboeid door zijn waarlijk encyclopedische kennis, zowel van de patristiek - waarin hij lijnen ontdekte, die hij tot in het heden zag doorlopen - als van de Reformatoren, terwijl niet in de laatste plaats de originaliteit, waarmee hij zijn gedachten weet te vertolken, ons keer op keer treft.

Overige werken
In het bewustzijn, ons te moeten beperken, noemen wij van Berkhofs overige werken nog behalve "Christus de zin der geschiedenis" (1958) - een sterk bijbels-theologisch gerichte studie, waarin ons een theologische duiding van de geschiedenis wordt geboden - zijn boek "De katholiciteit der Kerk" (1962), dat uit zijn betrokkenheid bij de oecumenische beweging is voortgekomen, en last but not least zijn laatste pennevrucht: "200 Jahre Theologie. Ein Reisebericht", waarin de schrijver de theologie van de negentiende en de twintigste eeuw onder de loep neemt. Een werk, dat ons laat zien, hoe Berkhof, die destijds bij Barth ter schole is gegaan, in de loop der jaren steeds meer waardering voor Schleiermacher heeft gekregen, hetgeen wellicht moet worden toegeschreven aan zijn toenemende neiging, vanuit de mens over God te denken.

Overzicht
Het boek van Meijering telt afgezien van een "Korte slotbeschouwing" een viertal hoofdstukken, waarin achtereenvolgens de tijd tot aan het einde van de tweede wereldoorlog, de periode 1945 - 1960, de jaren van Berkhofs hoogleraarschap en de periode 1981 - 1990 aan de orde komen. Het biedt ons een helder beeld van Berkhofs ontwikkelingsgang, waardoor het van de eerste tot de laatste bladzijde boeit. Dr. Meijering laat ons zien, hoe Berkhof voor denkbeelden, die hem aanvankelijk volkomen vreemd en zelfs onsympathiek geweest waren, gaandeweg meer sympathie wist op te brengen, overigens zonder een en ander over te nemen. Hij wordt ons getekend als een theoloog, die, hoewel "beweeglijk", nooit is gaan bestrijden wat hij eerst had aangeprezen (pag. 204).

In zijn afsluitend overzicht constateert Meijering, dat Berkhof in de loop der jaren steeds meer nadruk op "het functionele en het relationele element in het spreken over God en de mens" is gaan leggen (pag. 206): hij heeft "zijn in substantie reformatorische theologie steeds meer in de terminologie van het relationele en het ontmoetingsdenken willen verwoorden" (pag. 207), waarbij hij in zijn manier van formuleren steeds liet uitkomen, dat wij mensen wèl afhankelijk van God zijn, maar dat het omgekeerde beslist niet het geval is. Met een conclusie en enkele kanttekeningen willen wij de volgende keer deze impressie besluiten.