Terug naar Ecclesianet.nl

Aart Jan Theodorus Jonker (1)

Drs. H.J. LAM, Den Ham

AART JAN THEODORUS JONKER (I)

Leven en preken in de paradox
Slechts weinigen kennen hem. Zijn boeken kun je in een theologisch antiquariaat voor een grijpstuiver aanschaffen. Maar als er éé
n theoloog is, met wie het de moeite waard is kennis te maken, dan is dat Aart Jan Theodorus Jonker. Voor een dergelijke kennismaking is dit artikel bedoeld. Er schuilt namelijk in zijn levensgang en in zijn prediking een radicaliteit en een paradoxaliteit, anders gezegd: een hoogte en een diepte, - die ons aan Kohlbrugge doen denken.

Jeugd en opvoeding
Aart Jan Theodorus Jonker (kortweg: Aart) wordt geboren op 12 september 1851 in Laren, een fraai gelegen plaatsje in de Achterhoek. Zijn vader Hendrik is daar dan al een jaar of acht predikant en zal er tot zijn emeritaat staan. Vader Jonker is een beminnelijk man. In zijn gemeente is hij een trouw en toegewijd pastor. In de leer is hij orthodox. Maar hij houdt niet van uitersterj. - Regelmatig studeert hij en van tijd tot tijd publiceert hij ook. Zijn lievelingsvak is het Nieuwe Testament.

Naast een goede vader heeft Aart een lieve moeder. Zij is de tweede vrouw van Hendrilcjonker en schenkt hem tien kinderen, van wie Aart de oudste is. Onvergetelijk is zijn moeder voor hëm geweest. Later maakt hij in zijn preken telkens toespelingen op haar. Ze is een vrouw vol eenvoud, die zuinig is voor zichzelf maar royaal voor een ander. Tot laat in de avond is zij dikwijls bezig voor haar grote en veeleisende gezin. Zó laat dat eens de Larense nachtwacht nog licht in de anders zo stille pastorie zag branden, onraad vermoedde, aanklopte en mevrouw Jonker- in goeden gemoede - naar bed joeg.

Al met al heeft Aart een gelukkige jeugd gehad. Weelde en overdaad zoals nu waren er niet. Gelukkig dat moeder Jonker twee boerderijen bezat: van de pacht (waarvan de opbrengst op zich niet erg groot was) kon haar grote gezin leven. Wat kon z'n vader mooi vertellen over vroeger, over de tijd van Napoleon, en wat deed z'n moeder soms haar best haar kroost te verwennen.

Aart ging, evenals z'n jongere broers en zusjes, naar de dorpsschool in Laren. Z'n vriend daar was -dat tekent de latere Aart al enigszins - ene Gajt Hendrik Klomphaar, een gebrekkige jongen: hij had een bochel. Maar juist zoiets trok Aart aan.

Na de lagere school ging hij naar de Latijnse school in Lochem, ongeveer een uur lopen van Laren. Daar heeft Aart Jonker niet zoveel geleerd. Er was namelijk een leraar, die aan toevallen leed. Zodra de leerlingen merkten dat er aan hun leraar weer wat haperde, vroegen ze of ze niet beter weg konden gaan. En nog voor de goede man er erg in had, was z'n lokaal leeg. Blijkbaar was de jeugd toen al net zo onbarmhartig voor de docenten als nu. "Daar ging ik dommer weg dan ik kwam," vertelde Jonker later. Een predikant uit de buurt gaf hem bijles in het Hebreeuws. Daar stak hij wel veel van op.

Studententijd
Dan is eindelijk de tijd aangebroken dat Aart gaat studeren. Als 18-jarige laat hij zich inschrijven als theo-logie-student aan de universiteit in Utrecht, waar zijn vader destijds ook studeerde, 't Was geen luxe voor onze student. Toen Aart z'n vader weer eens om geld had geschreven, luidde het antwoord: "Mijn beste jongen, geld kan ik je niet geven, want ik heb het zelf niet. De volgende maand krijg ik weer een kwartaal van het rijkstraktement uitbetaald. Dan kun je ook wat krijgen." Maar Jonkers goede hart deed hem in diezelfde brief nog schrijven: "Ik heb er nog eens over nagedacht. Je kunt toch wat krijgen. Ik heb de spaarpotten van jullie allemaal nagekeken en een briefje erin gedaan met het bedrag, dat erin zat. Nu heb ik vijftig gulden. Die stuur ik je hierbij."

Jonker genoot van zijn studententijd. Hij had een grote kring van trouwe vrienden. En moest er op de studentenvereniging gediscussieerd worden, dan was Aart vaak degene, die het woord voerde en met succes bepaalde zaken bepleitte. De examens deed hij op tijd en goed. - In het derde jaar van zijn studie valt er een eerste schaduw over het leven van Aart. Zijn kleine broertje Jan sterft, slechts veertien maanden oud. Diens heengaan heeft een onuitwisbare indruk op hem gemaakt. Wat hieruit blijkt, komt in later tijd nog duidelijker naar voren: Jonkers bijna onbegrensde liefde voor kleine kinderen.

In de zomer van 1875 (Jonker was toen bijna 24) rondt hij zijn studie af. Enige tijd later, in oktober, op dezelfde datum als waarop hij destijds gedoopt was, vervult hij voor het eerst een preekbeurt in de gemeente van zijn vader, de gemeente, waar hij is opgegroeid: Laren. Hij preekt over de woorden, die gesproken werden vlak na de geboorte van Johannes de Doper: "Wat zal toch dit kindeke wezen?" Een toepasselijke tekst!

Predikant te Warnsveld en Heerde
Dan krijgt Jonker zijn eerste beroep: Warnsveld, ook in de Achterhoek en dus niet ver bij het ouderlijk huis vandaan. Dat komt goed uit. Aarts jongste broer Gerrit komt bij hem wonen; die kan nu mooi naar het gymnasium in het vlakbij gelegen Zutphen. Dat is beter dan de Latijnse school in Lochem, waar Aart weinig had geleerd.

Warnsveld is een kleine gemeente, met bijna allemaal boeren en verder enkele villa's. Toch heeft vader Jonker er een enigszins zwaar hoofd in dat Aart hier begint. Is de gemeente niet te groot voor iemand van zijn jaren? Maar Aart gaat toch. En in november 1875 bevestigt de vader zijn zoon in het ambt.

Al gauw is ds. Aart gezien en bemind. Trouw doet hij zijn werk. Kinderen gaan graag bij hem naar de kerk en de catechisatie. Streng is hij, wanneer men elkaar iets voorzegt, maar aan het eind van het uur geeft hij de hand, en alles is vergeven en vergeten. -Verder blijft Jonker hard studeren. Twee jaar nadat hij in Warnsveld gekomen is, promoveert hij in Utrecht op een nieuwtestamentisch onderwerp en behaalt hij de doctorstitel.

De jonge predikant is vurig. Toen het weer de tijd van de jaarlijkse kermis was (die vaak uitmondde in dronkenschap en liederlijkheid), .bond Jonker er de strijd tegen aan. Hij hield een boètepreek, waar de spaanders van afvlogen. Vooral de gemeenteraad moest het ontgelden, want die had de toestemming ervoor gegeven. Aan het eind van z'n preek wees Jonker naar de bank, waar de burgerheester zat. "Daar zit de schuldige," riep Jonker. Onmiddellijk verliet de burgemeester de kerk. De bevolking was woedend. Hun populaire burgemeester had hij de les gelezen, en hij had wat van hun kermis gezegd! Goede raad was nu duur. Aart vroeg erom aan een emeritus-predikant, die in Warnsveld woonde. Die zei: zo fel: dan krijg je wel verbittering, maar geen verbetering. De vrouw van de burgemeester deed intussen van alles om het goed te maken. Ze stuurde een briefje. Meteen meldde Jonker zich met zijn kerkenraad bij de burgervader. Hij wilde geen woord van zijn preek terugnemen. "Dat is mij onmogelijk," zei Jonker. En hij maakte aanstalten te vertrekken. Maar toen stak de burgemeester hem royaal de hand toe. Jonker aanvaardde de uitgestoken hand. Alles was weer in orde.

Jonker blijft niet lang in Warnsveld. Precies drie jaar na zijn intree neemt hij een beroep aan naar Heerde. In zijn afscheidspreek zegt hij dat hij met veel liefde in Warnsveld heeft gewerkt, maar - vertelt hij ook eerlijk - "het heeft mij aan uren van doffe moedeloosheid niet ontbroken." Verder vraagt hij uitdrukkelijk om verontschuldiging voor de keren dat hij wel eens te hard is geweest op de preekstoel. Slechts node laat men in Warnsveld Jonker gaan.

In Heerde heeft hij met veel vreugde gewoond en gewerkt. Zou het aan hem hebben gelegen, dan had hij z'n hele leven wel in deze stille boerengemeente willen staan, 't Meest had hij misschien wel op met de verre bewoners van de Heerdense hei, die in hun eenvoudige en vaak arme plaggenhutten zo'n diepe verborgen omgang met God kenden. Later schrijft hij

ergens: "Wij komen er voor uit, dat we ons beter thuis gevoelen onder eenvoudige Veluwse schaapherders, die de Here vrezen, dan in de kring van fijn beschaafde mensen, die o zo interessant over alles en nog wat kunnen keuvelen en de conversatietoon o zo meesterlijk weten te vatten, maar geen oog en geen hart hebben voor het Koninkrijk Gods."

Ook in Heerde studeerde en werkte Jonker hard. 's Morgens om vier uur was hij er vaak al uit en van vijf tot acht werkte hij. In de winter zorgde de dienstbode ervoor dat de kachel op de studeerkamer op tijd aan was. Om acht uur trok Jonker dan de gemeente in.

Na enkele jaren gaat vader Jonker met emeritaat en hij en zijn vrouw komen - tot vreugde van Aart - in Heerde wonen. Meer dan eens helpt de oude Jonker zijn zoon met het vervullen van preekbeurten en cate-chisaties.

Hoe langer hoe meer hoort men in het land wat voor uitnemend predikant Jonker is. Het is dan ook geen wonder dat hij - zodra het kan (d.w.z. na twee jaar) -talloze beroepen ontvangt. Maar steeds bedankt hij. Totdat er een beroep naar Rotterdam komt. Daar weet hij zich geroepen, 't Valt hem zwaar om Heerde te verlaten. Maar in mei '82 gaat hij, na drieënhalf jaar in Heerde te hebben gestaan. De stille dorpspastorie verruilt hij voor het drukke leven van de havenstad. Jonker maakt in de Rotterdamse gemeente een geweldige opgang. De kerken zijn te klein om de samenstromende menigte te bevatten. Vele, vele catechisan-ten heeft Jonker. Soms wel duizend. Tallozen weet hij te grijpen, beter: voor het Evangelie te winnen.

Pastor te Rotterdam
Hij werkt in Rotterdam nog harder dan hij al deed. Op éé
n dag kan hij twee preken schrijven en uit het hoofd Ieren. Tot drie uur 's nachts studeert hij. Hij werkt zó hard dat hij een briefje met zijn naam en adres op zak draagt, dat men weten zou wie hij is, wanneer hij onverhoopt in elkaar zou zakken. Verder schrijft hij veel meditaties voor de Rotterdamse kerkbode, doet mee aan een theologisch tijdschrift, houdt lezingen, zet zich sociaal in, o.a. voor de publieke vrouwen. Met zijn collega's kan Jonker het goed tot zeer goed vinden. En zij met hem. Men is op Aart gesteld vanwege zijn zeldzame pastorale trouw, zijn eenvoud, zijn teerheid, het kinderlijke.

1886 is een belangrijk jaar voor Jonker, zowel in persoonlijk als in kerkelijk opzicht. In februari treedt hij in het huwelijk met Geertruijd Agnes (Truus) van Haersolte, een catechisante uit zijn Warnsveldse jaren. Maar 1886 is ook het jaar van de Doleantie, waaraan de naam van Abraham Kuyper verbonden is. Wat doet deze kerkstrijd Jonker verdriet! Hij lijdt aan de scheuringen en aan het vele onheilige vuur, dat op het altaar is. Huisgenoten des geloofs - zo zegt Jonker - grijpen elkaar als wilde dieren naar de keel. 't Is zelfs te merken in zijn kerkdiensten. Op een lijdenszondag preekt hij over de tekst: "Toen nam Pilatus Jezus en geselde hem." Halverwege de preek geeft hij de toen nog gebruikelijke tussenzang op, leest hem voor: "Is dat, is dat mijn Koning? / Dat aller vaad'ren wens?" Pal daaroverheen zegt hij: "En wie nu niet met zijn ganse hart kan meezingen, sla zijn gezangboek dicht!" Meteen slaat hij het boek dicht, zó dat het davert door de kerk. We merken het: Jonkers persoonlijkheid wordt hoekiger. Dat komt, omdat hij onder invloed komt te staan van de Deense filosoof Kierkegaard (1813-1855). Een indrukwekkend figuur. Niet alleen vanwege zijn geleerdheid en begaafdheid, maar vooral omdat hij het gezapige christendom van zijn dagen fors heeft aangevallen. Zijn geschriften zijn één en al boetepredi-king tegen hen, die christen willen worden en christen willen zijn via de weg van de minste weerstand. Alleen wanneer de Geest ons levend maakt, is er uitzicht. Maar daartoe moet Hij ons wel eerst doden (in figuurlijke zin) en ons van onze eigenliefde beroven. Dat sterven is een proces, dat levenslang duurt. -Zondag 33 van de Heidelbergse Catechismus komt ons hierbij in gedachten: bekering is afsterving van de oude mens en een hartelijk leedwezen dat wij God door onze zonde vertoornd hebben.

De gebeurtenissen van 1886 alsook het (veel te) harde werken breken Jonker op den duur op. Hij krijgt last van veel hoofdpijn en slapeloosheid. Zijn zenuwgestel, altijd zo sterk, wordt gevoelig. Hij ziet steeds meer op tegen het preken. Op een gegeven moment gaat het niet meer en moet hij rust nemen. In de zomer van '87 - Jonker staat dan vijfjaar in Rotterdam - vertoeft hij geruime tijd in Laag-Soeren en daarna logeert hij bij zijn ouders in de vertrouwde omgeving van Heerde. Hij ziet zich genoodzaakt in een kleinere gemeente te gaan werken. Dat wordt EHecom (bij Arnhem). Maar officieel afscheid nemen van Rotterdam lukt niet. Daar is Jonker te labiel voor. Wel laat hij ten afscheid van deze gemeente een preken-bundeltje verschijnen: Gedachtenis, aangeboden aan de Rotterdamsche gemeente. Aan het eind van dat-jaar doet hij intrede in Ellecom.

Ellecom en Dordrecht
Dat is wel een andere gemeente dan het bruisende Rotterdam. In het algemeen heeft Jonker het daar goed gehad. Maar er zijn ook enkele minpunten. Zo zijn in Ellecom allerlei oude(rwetse) verhoudingen geldig. Want daar is het kasteel "Middachten" met zijn baron. Is deze met zijn familie op reis, dan wordt er van de predikant verwacht dat hij voor hem bidt. Is hij weer terug en neemt hij zijn plaats in de kerk weer in, dan wordt er verwacht dat hij toegezongen wordt. Daartegen treedt Jonker met grote forsheid op. "Ik bid niet op commando," zegt hij.

Verder raakt Jonker via de pers in conflict met Abraham Kuyper. En Kuyper laat geen gelegenheid onbetuigd om Jonker onder te schoffelen. - En wanneer Jonker na vier jaar afscheid preekt van Ellecom, zegt hij daarin eerlijk hoe hij tegen de gemeente aankijkt. Het ontbrak haar aan waarachtig besef van gemeente-zijn. En grote moeite had Jonker ermee dat de hogergeplaatste zo weinig eerbied had voor de mindere. En het godsdienstig leven was sterk uitwendig. Dat alles mag niet! Want - zo luidt Jonkers afscheids-tekst - "een ieder, die de naam van Christus noemt, sta af van ongerechtigheid."

Van Ellecom gaat het naar Dordrecht, waar zijn jongste broer Gerrit, inmiddels ook dominee, hem bevestigt. Dordrecht is een gemeente vol partijschappen. Maar gelijk al in zijn intreepreek maakt Jonker duidelijk dat hij tegen geen enkel partij zal kiezen. Alleen tegen de zonde zal hij partij kiezen, onverbiddelijk. Deze opstelling maakte dat zowel vrijzinnige als rechtzinnige collega's de persoon van Jonker altijd hebben geëerbiedigd.

Jonker als pastor en prediker
Nog meer dan anders heeft Jonker zich in Dordrecht geconcentreerd op zijn eigenlijke taak als predikant: hij preekte, catechiseerde, deed huisbezoek en studeerde. Alles wat niet met het ambt van herder en leraar te maken had, kapte hij af. Hij ijverde voor een wijkgebouw, en toen het er was, hield hij er elke donderdagavond drukbezochte bijbellezingen. Hij zette zich in voor de armen in zijn wijk. Met de ontwikkelden en welgestelden had hij het meer dan eens aan de stok. Toen hij eens van een zeer rijk heer honderd gulden vroeg voor een zeer arm gezin, kreeg hij een briefje terug, waarin stond dat dit toch wel een hele som was. Dit briefje - zei hij toen (opnieuw blijkt het absolute van Jonker) - wens ik mee te nemen in mijn graf om er op de dag des oordeels terstond over-te kunnen beschikken. Het stuitte hem tegen de borst dat de rijken voor hun paarden duizenden guldens uitgaven, en in de collecte slechts kwartjes en dubbeltjes stopten. Reisde hij met de trein, dan deed hij dat bij voorkeur in de derde klas. Want - zei hij - in de eerste klas is men zo wellevend dat men elkaar geen goedendag meer wenst.

De hele week was Jonker bezig met zijn preek. Meestal was hij 's vrijdags klaar. De zaterdag gebruikte hij om zijn preek te memoriseren. Dat alles ging hem niet gemakkelijk af. Op het boekje, waarin hij de door hem behandelde teksten noteerde, schreef hij in het latijn de woorden: "uren van angst en gelukzaligheid". En zag de kerk zwart van de mensen, dan voelde hij hoe de hoogmoed in hem op de loer lag. Was hij op de preekstoel, dan begon hij niet eerder dan voordat het in de kerk bijna ademloos stil was. Onder het preken zelf kon hij eigenlijk niets hebben: geen bewegen of draaien, geen hoesten of kuchen. En zag hij iemand op zijn horloge kijken, dan zei Jonker hem wel hoe laat het was. - Op het gymnasium raadde men de jongelui aan om eens bij Jonker te gaan luisteren, want - zei men - niet iedere stad is het voorrecht geschonken een redenaar te bezitten.

Jonkers preken hadden een sterk getuigend karakter. Soms hadden ze ook iets weg van een boetepreek. 't Was alles in ieder geval recht op de man af. We geven een citaat, n.a.v. de tekst "De poorten der hel zullen de gemeente niet overweldigen." Alles gaat ten onder, zegt Jonker, behalve Christus' gemeente. "Gedachte vol van majesteit! Waar is ze gebleven, die wondere pracht van Ninevé en Tyrus en Babyion? In het dodenrijk. - Waar zijn ze gebleven, de rijken, die de droom der wereldheerschappij zo stout hebben gedroomd? In het dodenrijk. - Waar zijn ze gebleven, de helden, de wijsgeren, de genieën, wier reuzenkracht de anderen verrukte en verbaasde? In het dodenrijk. - Waar zullen ze blijven, de machthebbers, die thans de toon aangeven? In het dodejirijk. - De wereldgeschiedenis is een geschiedenis van ruïnes. Het leven der mensheid één dodendans. Alles is weg. Alles uit het verleden. Alles uit het heden. Alles uit de toekomst. Alles, behalve Zijn Gemeente." - Vaak benadrukt Jonker dat God de verborgen God is, Die een ontoegankelijk licht bewoont.

Soms lijkt de strengheid te overheersen. Maar wat kan Jonker ook troosten! Want hij kent uit eigen ervaring zo goed de onheiligheid en de twijfel. De heerlijkheid van het Evangelie is voor hem dat het de mogelijkheid van het onmogelijke is. Wat niet kan, gebeurt toch. - Wonderlijk tegenstrijdige opmerkingen gebruikt Jonker dan. God laat de wateren tot aan de ziel komen, Hij laat ons wegzinken in grondeloze modder, Hij doet van alles om ons tot het zoeken van Hem te brengen. Maar juist dan houdt Hij Zich voor ons verborgen. Hij gedraagt Zich als een God, Die tegenvalt, terwijl wij op Hem hopen. Hij is een God, Die niét hoort, niét redt, niét verlost. Beklagen wij ons nu over deze God? Ja, dat zou je verwachten. Maar het tegendeel is het geval. Hij is het voorwerp van onze liederen. Want Hij is de God, Die ver is én nabij. Volkomen nabij m de verte. Volkomen ver in de nabijheid. En terwijl je als gelovige midden in de verdoemenis staat, sta je ook gelijk midden in de vergiffenis. Omdat we Gods eigendom zijn, zijn we veilig. Maar tegelijk lopen we gevaar in de afgrond, te storten. We zijn mensen van de dag én van de nacht, tegelijk. We zijn Godskinderen én weeskinderen, op hetzelfde moment. Een christen is iemand, die geweend heeft en getroost is, en die nog dagelijks weent en getroost wordt.

Geloven is dus niet in de eerste plaats voor-waar-houden, of ontroerd worden. Geloven is veeleer in de' crisis komen. Met Luther ziet Jonker in het geloof "het onrustige ding", dat ons voortdurend onder spanning houdt. Het kan ons doen jubelen van verrukking, maar ook doen schreien van smart. Nu eens gevoelen wij het als de moederkus van God, oneindig teer. Dan weer als de geseling van dezelfde God, hard en pijnlijk. God in de stikdonkere nacht voor de zon houden: dat is geloof, met en zonder en tegen alle gevoel in.

Jonker gaat nog verder: geloven zonder lijden bestaat eigenlijk niet. Meer nog: aan het lijden wordt het christendom gekend. Dat lijden is nooit een lijden in het algemeen. Gewoonlijk heeft men het over "kruis". Maar is dat het kruis om Christus' wil? Wat wordt er door christenen met het woord "kruis" gesold! Men vergeet dat het een bloedwoord en een bliksemwoord is. Als men een dakpan op zijn hoofd krijgt, noemt men dat een kruis. Als een ander benoemd wordt in een betrekking, waarnaar jij ook gesolliciteerd hebt, noemen we dat een kruis. Maar kruïsdragen is lijden om Christus' wil. De navolging van Christus maakt ons bereid om in deze wereld geheel ten onder te gaan en martelaar te worden. Heel kras: zalig worden is zelfmoord.

Persoonlijk geluk en persoonlijk leed
Het grootste geluk in Jonkers Dordtse dagen was de geboorte van zijn zoon Hans (naar zijn grootvader Hendrikus) op 10 mei 1898. Driejaar eerder had hij al een dochtertje gekregen, ma^r dat was op de dag van de geboorte ook weer gestorven. "Al had God mij -zegt hij later in zijn afscheidspreek - geen andere schone dag in uw midden geschonken dan die ene meidag, waarop mijn jongske geboren werd,,ook dan zou ik zeggen: God is geweldig over mij geweest in goedertierenheid."

Jonker had altijd al van kinderen gehouden. In Ellecom nam hij eens een meisje van twee jaar mee naar catechisatie, zette het op een stoel, gaf het een boek. Het kind bleef een uur lang rustig zitten. Na afloop nam hij het op de arm. en bracht het bij haar moeder terug. In Dordrecht kende hij de namen van tientallen kinderen en sprak ze op straat aan, en zij gaven hem graag de hand. Maar de geboorte van zijn eigen kind heeft hem diep ontroerd. Wat leefde de gemeente mee met het geluk in de pastorie. Oom Gerrit doopte de kleine Hans, wonderlijk genoeg over de tekst waar Aart destijds in Laren voor het eerst op zijn doopdag over had gepreekt: "Wat zal toch dit kin-deke wezen?"

Betrekkelijk kort na de geboorte van Hans openbaarde zich bij Jonkers vrouw een ernstige, ongeneeslijke ziekte, waaraan ze mettertijd zou sterven. We naderen nu de periode van Jonkers leven, die voorgoed een onuitwisbaar stempel op hem heeft gezet. Nog niet meteen was het einde daar. Zo lang ze kon, ging mevrouw Jonker door met het werk in de wijk: ze bezocht de zieken, kookte voor hen, en hielp waar ze maar kon. Maar hoe meer de ziekte haar gezondheid ondermijnde, hoe meer ze zich terugtrok in haar gezin.

Waar hij maar kon, verlichtte Jonker haar lijden. Als man en vrouw beurden ze elkaar op. "Ben ik in mijn laatste strijd zwak, - zei ze tegen hem - dan mag dat geen reden zijn tot aarzeling of verontrusting." Toen Jonker op het laatst haar sterfkamer binnenkwam, zei ze: "Stil, want Christus is hier." Op 5 juni 1901 is zij, veertig jaar oud, in vrede ontslapen. Vanaf dat moment was de rouw het leven van Jonker binnengetreden.

Het zag zwart van de mensen, toen de vrouw van Jonker begraven werd. Onverwacht kwam er uit de menigte een arts naar voren, die zei behoefte te voelen om namens alle armen uit Dordrecht bij dit graf een enkel woord te spreken. Voor zichzelf wist hij niet of er een hemel was. Maar is er één, dan is zij er vast! Op de grafsteen liet Jonker het woord beitelen, waarvan zijn vrouw altijd zoveel had gehouden: "Niets kan ons scheiden van de liefde van Christus."

Later zal Jonker in zijn afscheidspreek te Dordrecht zeggen: "Wat mij betreft, 't is alsof mijn hart het zingen voorgoed heeft verleerd, sedert het die doornsteek, ik zei bijna: die doodsteek ontving. God heeft mij hier in Dordrecht het allerbeste ontnomen, dat Hij mij na en in Zijn eigen liefde had geschonken. En 't is mij menigmaal alsof Hij mij met dat allerbeste alles ontnomen heeft. Ik leef als in een afgrond. Ik voel mij als een afgrond, donker en diep. 't Is niet zo dat de slag gevallen is, en daarmee gedaan. De slag valt telkens weer. En ik heb ontdekt dat verpletterd worden erger is dan verpletterd zijn. 't Is alsof God elke dag met mij doet, zoals Abraham deed met Izaak, toen hij

hem op Moria ten offer bracht en hem knevelde, en hem als een stuk vee op het altaar drukte, en het flikkerend slachtmes dreigend in de hand nam. En alsof God in dat beulenwerk dan met mij nog een schrede verdergaat dan Abraham met zijn zoon. En dan vergeet God nooit er bij te zeggen: 'Zie, dat doe Ik nu uit liefde, louter uit liefde!' Zal ik mijn beker niet vullen met vervloekingen en God die in het aangezicht slingeren en roepen: 'Is me dat een God?' Nee, ik zal het niet doen. Ik wil midden in mijn stervensnood rustig zeggen: 'Ja, dat is mijn trouwe God, mijn (beste) Vader.' Hij doet elke dag een wonder aan mij. Ik kan 't niet uithouden, en nochtans houd ik het uit. Hij martelt mij dood, en nochtans, zie, ik leef! Hij slaat mij met zijn tuchtroede hard van zich af, en nochtans kan ik niet anders dan op Hem hopen. Hij is mij een God van verschrikkingen, en nochtans een God van zaligheden. Dat 'nochtans' is niet van mij. 't Is veel te groot en veel te sterk om van mij te kunnen zijn. Dat 'nochtans' is van Hem. En in dat 'nochtans', daarin schuilt het wonder." - Zo preekte Jonker op 5 januari 1902 (ruim een half jaar dus na het heengaan van zijn vrouw) ten afscheid. De tekst was uit Psalm 116: "Ik zal de beker der verlossingen opheffen." Ja, dat wilde hij aan het eind van zijn Dordtse tijd toch zeggen en toch doen..

En weer verruilde Jonker een 'grote-stads-gemeen te voor een klein dorp: Heemstede. Want weer was Jonker - een jaar voor het overlijden van zijn vrouw -overwerkt geweest. In Heemstedeieerde hij, niet zonder moeite, fietsen. Ook hier was, evenals in Ellecom, het besef van samen gemeente-zijn niet zo groot. Ook miste hij geestelijke diepgang. "De gemeente is hier zo dor als het zand van het Kennemerland." Toch had hij het hier al met al wel goed. Z'n kleine Hans was zijn lust en zijn leven.

Hoogleraar
Ook de tijd in Heemstede is niet lang: na ruim driejaar komt er in april 1905 een benoeming voor Jonker tot kerkelijk hoogleraar aan de Rijksuniversiteit van Groningen. Nog enkele maanden blijft hij in de pastorie van Heemstede wonen om zich in alle rust op het eerste collegejaar te kunnen voorbereiden. In de zomer trekt hij dan naar Groningen, met Hans en met zijn zuster Minet, die sinds het overlijden van zijn vrouw de zorg voor het huishouden op zich heeft genomen.

In september van dat jaar hield hij zijn rede, waarmee hij het ambt van kerkelijk hoogleraar aanvaardde. De titel was veelzeggend: "Persoonlijk geloofsleven en theologische studie." Daarmee bracht hij twee thema's bij elkaar, die nogal eens gescheiden werden, 't Gaat er ook voor een theologie-student om dat hij Christus persoonlijk kent. Met veel plichtsbetrachting bereidde Jonker zijn colleges voor en gaf die. Steeds meer invloed kreeg hij op de studenten, die op hun beurt zeer op hem gesteld waren. Hoe mild was hij, wanneer hij hun preekschetsen besprak. - Preken deed Jonker in deze tijd amper meer. Gebeurde het toch, dan 't liefst in kleine kerkjes.

Het heengaan van zijn zoon Hans; beproeving en troost
Ondertussen ging het gezinsleven van Jonker ook verder. In de zomer en in de vakanties was hij met Hans bij zijn moeder in Heerde. Hans was een bijzonder kereltje. Hij wilde zendeling worden. Voor het overige wist hij ook heel goed wat hij wilde. Hij kende hele stukken van zijns vaders werk uit het hoofd. En hij zorgde ervoor dat bij de foto van zijn moeder altijd bloemen stonden.

Begin juli 1909 - Hans was net tien en had ook enige tijd daarvoor zijn vader te kennen gegeven dat hij zendeling wilde worden, wat de oude Aart als een gebedsverhoring aanhoorde - werd Hans ziek: een blindedarmontsteking. Er moest direct worden ingegrepen. De kleine man liet zich naar de operatiekamer dragen zonder vermoeden van wat er moest gebeuren. Hij werd geopereerd. Maar, het was al te laat. Op 8 juli 1909 stierf Hans. Diep verslagen was professor Jonker, zeg maar gerust: verbrijzeld. Hans - zo besloot Jonker - moest in Heerde begraven worden. Op de begraafplaats nam eerst broer Gerrit het woord. Daarna sprak Aart zelf. Hij liet Psalm 89:1 zingen: '"k Zal eeuwig zingen van Gods goedertierenheên." De vader zelf zong mee, staande bij het graf van zijn enig kind. Daarna zaaide men het lichaam van Hans in de schoot der aarde.

Aanvankelijk kon Jonker het overgeven. Maar daarna kwam de strijd, een zware strijd. De ene keer zag hij in God de moordenaar, dan weer zag hij in alles Gods hand. Een jaar na het heengaan van Hans -Jonker was toen bijna 58 - besloot hij zijn ambt als hoogleraar neer te leggen en zich terug te trekken in Heerde. Men probeerde hem nog wel over te halen om te blijven. Maar zijn besluit stond vast. Want hij ontdekte dat hij het lijden, dat hem in zijn eigen zwakke zenuwgestel maar nog meer in het heengaan van zijn vrouw en kinderen overkomen was, - dat hij dat uit Gods hand moest aanvaarden en dat hij dat lijden als rentmeester moest beheren. Wij zijn geneigd - schrijft hij - ons aan het lijden te onttrekken. Maar God draagt ons op om de lijdensbeker tot de laatste druppel toe leeg te drinken. Zo wordt onze nood een bron van zegen. Zou hij zijn arbeid in Groningen voortzetten, dan zou hij weigeren Gods tucht over zijn leven te aanvaarden. ïn alle gebeurtenissen ervaarde hij de roepstem van God, die hem ertoe aanspoorde over het lijden na te denken en zich erin te verdiepen. Wilde hij iedere dag opnieuw de overwinning behalen, dan had hij ook iedere dag nodig de strijd te strijden. Zo legde hij zijn ambt neer en vestigde zich in het stille Heerde.

Het levenseinde van een begenadigd leraar
Daar, in Heerde, heeft Jonker de laatst negentien jaar van zijn leven doorgebracht. Veel heeft hij voor de Hervormde Gemeente van Heerde gedaan. Hij was er o.a. president-kerkvoogd. Van tijd tot tijd preekte hij voor koningin Wilhelmina op paleis het Loo. Menigeen zocht hem op in Heerde. Omvangrijk was de correspondentie, die hij voerde. Maar 't liefst trok hij echter naar de heide, om daar met de eenvoudige plaggenhutbewoners te spreken over God. En Gaart, de Heerdense dorpsidioot, was zijn vriend. "Professor," vroeg Gaart eens, "u zult het wel weten: ze noemen me allemaal dwaas, maar zou de Here me niet willen nemen bij de wijze maagden?" - "Gaart," antwoordde Jonker, "jij hoort hierboven bij de wijzen."

Op 6 juni 1928 is Jonker zelf naar hierboven gegaan. Grote ontroering bracht dat teweeg in de harten van allen, die hem liefhadden. Taüozen vergezelden hem op weg naar zijn laatste rustplaats. Kinderen sloten zich bij hun ouders aan. Op het graf werd opnieuw Psalm 89:1 gezongen. Daarna werd het lichaam van Aart Jan Theodorus Jonker naast zijn zoontje Hans in het graf neergelaten. Truus Jonker-van Haersolte rustte met haar dochtertje in Dordrecht, Jonker met zijn zoontje in Heerde. Op Jonkers graf werden de woorden gebeiteld: "God zal alle tranen van hun ogen afwissen." Had hij zelf ooit niet gezegd: "Gods kinderen hebben tranen in de ogen, en God verwacht hen met tranen in de ogen bij Zich, want anders kon er van afwissen van die tranen niet worden gesproken." Een begenadigd leraar was de kerk ontvallen.

I. Dit artikel is een bewerking van een door mij gehouden lezing over Jonker. Literatuurverwijzingen zijn er derhalve niet. Er is eigenlijk ook maar één bron, het prachtige boek van Prof. Dr. M. van Rhijn, Aart Jan Theodorus Jonker (Amsterdam, 1929). Daaruit is overdadig geput. - Het hoofddoel van deze bijdrage is een weergave van het leven van Jonker en een kennismaking met zijn prediking. Dat houdt in dat een enigszins kritische bespreking van sommige van'zijn gedachten achterwege blijft.