Terug naar Ecclesianet.nl

De zichtbaarheid/onzichtbaarheid van God en de zalige Godsaanschouwing (Slot)

Drs. Th.P. POL, Doorwerth

DE ZICHTBAARHEID/ONZICHTBAARHEID VAN GOD EN DE ZALIGE GODSAANSCHOUWING (SLOT)

Om enige lijnen aan te geven, waarlangs het gedach-tengoed van de Middeleeuwse Godsaanschouwing binnen het Rooms-katholieke denken is terechtgekomen, geef ik hierna iets weer over twee belangrijke figuren, die de grondslag hebben gelegd voor de ontwikkeling van deze Godsaanschouwing, te weten paus Gregorius I en Hugo van St. Victor.

Over Gregorius I (590-604)
Paus Gregorius I was gevormd door Benedictus, de vader van het klooster Monte-Cassino, dat ooit centrum is geweest van een nieuw, heroï
sch levensbesef. Men keerde zich er af van een algemene wanhoops-stemming, die zich alleen nog maar richtte op de bevrediging van instinctieve lusten en begeerten.

Benedictus' beroemde Regula, de door hem opgestelde leefregel voor de monniken van Monte-Cassino, vormt de klassieke verwoording van het nieuwe leven, dat straks uit de ruïnes van' een ondergaande cultuur zou ontwaken. Gregorius is door die nieuwe geest aangeraakt. De wijze, waaropVhij het pausschap gestalte heeft gegeven, is gestempeld door de geest van de Regula van Benedictus. Als geesteskind van Benedictus slaagde hij erin om in de "Zeitenwende" (de omwenteling, die op een gegeven moment plaats vond) van de ondergang van het Romeinse keizerrijk en van de antieke cultuur, de fundamenten te leggen van een nieuw Europa1).

Gregorius I was gestempeld door de augustiniaanse vroomheid en verlangde naar zelfinkeer, tot en met de visio dei. Deze vroomheid verbindt hem met het monnikwezen en van hieruit geeft deze paus aan de Middeleeuwen het voorbeeld van de "monnikpaus". De combinatie van de vita activa (het actieve leven) en vita contemplativa (het leven met veel overdenking), waaronder hij zeer geleden heeft, maar waaraan hij zich niet onttrok, maakte het hem mogelijk rector et doctor ecclesiae (dat wil zeggen, een door de kerk officieel erkend godgeleerde) te zijn, overeenstemmend met het beeld van de herder, die hij in de Regula pastoralis ( een bepaling, waarbij uitgesproken is wat het echte pastoraat is) weergeeft2').

Gregorius sprak over de zevenvoudige genade van de Heilige Geest, zoals hij de verwoording daarvan meende gevonden te hebben in het boek Jesaja3). Hij werkte dit later uit in zeven stadia, die leiden tot de visio dei4).

Over Hugo van St. Victor (1097-1141)
Naast de exemplarisch-ascetische vroomheid van Bernard van Clairveaux, wiens spiritualiteit de geest ademt van het leven en de regel van Benedictus5), bleef in de kloosters vooral de areopagitische6) mystiek7) een belangrijke plaats innemen. Het centrum van deze beweging vormde de Abdij van St. Victor te Parijs. De school van dit augustijner klooster van

reguliere kanunniken (geestelijken, die deel uitmaken van een kapittel van een kathedrale kerk) stond ook voor extraneï (leerlingen van buiten) open. De victo-rijnse mystiek was grotendeels afgestemd op die van Augustinus en richtte zich indirect naar het christelijke neoplatonisme, echter niet zonder trekken van Christus-devotie. Een algemene trek van deze victo-rijnse school was haar openheid voor de resultaten van de nieuwe theologie. Zij was minder afkerig van de dialectische methode dan Bernard.

De meest vooraanstaande vertegenwoordiger van deze ascetische vroomheid was de adellijke Saks Hugo van St. Victor, leider van de kloosterschool, mysticus en wijsgeer, theoloog en exegeet van betekenis. Overeenkomstig zijn neoplatonische uitgangspunt en de verlichtings-theorie van Augustinus maakte hij niet steeds een scherp onderscheid tussen het natuurlijke en bovennatuurlijke8).

Hij stelde, dat het geloof ons verleent, wat noch onze uiterlijke noch onze innerlijke ervaring ons kunnen schenken, namelijk wat sinds de zondeval verloren is gegaan: ogen om God te zien (oculus contem-plationis (dat wil zeggen: het oog dat gescherpt is door meditatie9). In zijn hoofdwerk De sacramentis chris-tianae fidei geeft hij als zijn mening weer, dat er zekerheid is door het geloof, zekerheid van dingen die nog niet gezien worden (certitudo non apparenti-um10).

Protestantse correctie op deze Rooms-katholieke visie
Vanuit het bijbelse waarheidsbegrip kan men echter m.i. niet komen tot de conclusie, dat we deel krijgen aan Gods wezen.
Ten eerste gaat het in de Heilige Schrift om een verbondsmatige gemeenschap tussen Jahweh en zijn volk, om een ontmoeting, die nooit uitloopt op een overvloeien van de ene Partner in de andere.
Ten tweede staat er in de Corinthe-brief11) niet, dat wij God van aangezicht tot aangezicht aanschouwen, maar wel dat wij van aangezicht tot aangezicht zien; ten onrechte wordt God zelf hierbij als doel ingelezen.
Ten derde is iedere gelovige door genade bestemd voor de gelukzalige aanschouwing van God, visio dei.Ten vierde, hoewel de Rooms-katholieke Kerk en de Reformatie daarin éé
n zijn dat zij beide de incarnatie van het Woord en daarmee ook de Triniteit belijden, is er toch verschil inzake de benadering van dit wonder. De Reformatie benadert de incarnatie vanuit het motief, dat de zondige mens met God verzoend wordt en als ont-aard schepsel weer vernieuwd wordt. De Heilige Geest komt daarvoor in hem wonen.

De Rooms-katholieke Kerk erkent eveneens, dat de incarnatie een hamartiologisch12) motief heeft, maar zij legt tevens verbanden tussen de goddelijke natuur van Christus en de deelname van de gelovigen aan die goddelijke natuur in het einde (de visio dei per essen-Ham, dat wil zeggen: de Godsaanschouwing, die doet delen in Gods wezen), waarvan de genade het begin is. Vandaar dat Christus fungeert als model van de eenheid van het goddelijke en menselijke13).

Slotwoord
Luisterend riaar de Schrift belijden en geloven wij, dat er tot de jongste dag een kloof blijft tussen geloven en zien. Daarna zal geloven overgaan in aanschouwen.

Dwepers hebben geen boodschap aan deze schriftuurlijke onderscheiding en laten ineen vloeien, wat niet vermengd kan en mag worden. Zij verbinden wat tot de jongste dag gescheiden moet blijven en erkennen niet, dat er door de zonde een tweespalt in de schepping is, die nooit en te nimmer anders dan in het geloof geheeld en overbrugd kan worden.

Wij leven hier en nu namelijk slechts met een Nebo-uitzicht en met een Tabor-visioen van het hemels Jeruzalem. Alles in onze aardse werkelijkheid heeft nog een voorlopige gestalte van de hemelse heerlijkheid. Dit maakt het ons onmogelijk onze liefde uitsluitend te leggen in het aardse, zoals dat verstaan kan worden op grond van een psalmwoord "rein van hart zijn" (73:1). Er bestaat in onze aardse tijdelijke werkelijkheid niets, waarin het geloof de hemelse volheid kan beleven en verwerkelijken.

Om deze reden heeft de Reformatie ook het kloosterleven afgewezen en gelovigen terug verwezen naar de alledaagse werkelijkheid, waar gelovigen hun lichamen (dat wil dus zeggen hun hele leven en beleven) mogen stellen tot een levend, heilig en Gode welgevallig offer14).

Daar, in het leven van alledag, mag hij door Jezus Christus weten, dat achter alle menselijke boosheid en domheid, wreedheid en hoogmoed een lichtende hemelse werkelijkheid schuilgaat, de werkelijkheid van de levende God.

Om die reden richtte Calvijn zich scherp tegen de visio beatifica (de gelukzaligmakende aanschouwing van God) in thomistische zin en merkte hij op: "Zij bazelen wel in hun scholen het een en ander over het licht van Gods gelaat, dat hen bestraalt, waarin zij als in een spiegel de dingen der mensen uit den hoge aanschouwen"'15).

Uit het vervolg van wat Calvijn opmerkt, begrijpen wij, dat hij ons liever wil leren om dicht bij de Schrift te leven, om elke vorm van speculatie af te leren.

De bedoeling van dit artikel was na te gaan hoe men in de loop van de geschiedenis nagedacht heeft over de vraag of het mogelijk is God te zien. Het is een uitvoerige verhandeling geworden en het scharnier werd steeds gevormd door de vraag naar de bijbelse inhoud van het "zien in en door het geloof'.

Het kan verhelderend werken, wanneer ik op dit punt een gedeelte aanhaal uit één van de vele publicaties16) van dr. W. Aalders. Het is genomen uit het hoofdstuk, waarin hij het bijbelgedeelte Johannes 1:35-43 behandelt en stilstaat bij het "zien" van Johannes de Doper n.a.v. de tekst: "Zie, het Lam Gods!"

Het luidt als volgt: "Maar ook moeten de discipelen hebben gemerkt, dat in deze woorden van Johannes een diepe ontroering lag. Het was of hij ze uitsprak met vrees en huiver, omdat hij intuïtief aanvoelde, dat dit heilige Kind Gods veel zou moeten lijden. Zijn hart kromp ineen bij de gedachte wat de hardheid, boosheid en wreedheid der mensen deze ziel een smarten en angsten zou berokkenen. Hoe zou dit leven beschadigd en ontluisterd worden, als het straks in conflict kwam met de wereld! Alleen God zou Hem staande kunnen houden en bewaren."

Wie ontdekt in deze woorden van dr. Aalders niet, dat hij getracht heeft te peilen, welke diepten in dat "zien" van Johannes de Doper opgesloten lagen? En wat heeft Johannes de Doper een groot voorrecht ontvangen, toen hij deze verreikende woorden uitsprak.

Ik kan mij geen beter slotwoord denken, dan een woord van wijlen ds. A.G. Barkey Wolff17), dat betrekking heeft op het "zien" hier en nu en straks, wanneer aan het einde van de geschiedenis alle sluiers worden weggenomen:

"Nu, zegt de Bijbel, zó zal het in.de hemel zijn. Hier hebben wij Zijn foto, Zijn portret. Hier vangen wij zijn verre boodschap op als door de radio. Maar DAAR zullen wij Hem zien, zoals Hij is, van aangezicht tot aangezicht, zonder een wolk tussen ons en wij zullen verzadigd ontwaken."

1. W. Aalders, De kerk, het hart van de wereldgeschiedenis, Leiden, 1995, p.101.

2. Rudolf Lorenz, Das vierte bis sechste Jahrhunderi, in: Die Kirche in ihrer Geschichte (afgekort met KiG), S.C 97.

3. Vgl. Jesaja 11: 2ev. in de Vulgata-vertal ing.

4. Gregorius spreekt van de zevenvoudige genade van de Heilige Geest. Deze uitdrukking heeft verschillende wortels in de getallen-speculatie. Hierbij wordt ook gespeculeerd over de zeven zonen van Job. De zeven genaden uit Jes. 11 zijn gaven; d.w.z. zij zijn deugden, die in het menselijke leven worden teruggevonden. Dit zevental wordt dan tenslotte gezien als de zeven stadia, die de opklimming tot het zien van God (visio dei) mogelijk maken. vgl. Ekkehard Mühlenberg, Dogma und Lehre im Abenland, in: Handbuch der Dogmen- und Theologiegeschichte (afgekort met HDTG), I, S.493.

5. Encyclopedie van het Christendom, katholieke deel, Amsterdam/Brussel, 1956, p.236.

6. Dionysius de Aropagiet is een schrijver, die verder onbekend is. Wie deze figuur was? In ieder geval niet Dionysius deAreopagiet uit Hand. 17:34. Achter de naam gaat een anonieme schrijver uit circa 500 schuil, die een compleet systeem van mystiek ontwierp.

7. Zie: Spiritualiteit, p. 274, citaat 18.

8. J.N. Bakhuizen van den Brink, a.w., dl.2, p.l29ev.

9. Martin Anton Schmidt, Frühscholastik, in: KiG, S.G 99.

10. Martin Anton Schmidt, Dogma und Lehre im Abendland, in: HDTG, I, S.586.

11. lCorinthe 13:12.

12. Door de zonde bepaald

13. De leer, dat wij door het deelhebben aan Gods wezen God zien is vanuit het neoplatonisme via Augustinus en Thomas van Aquino in het christendom binnengedrongen. Vgl. B. Wentsel, Natuur en genade. Johannes XXII (1316-1334) verklaarde, dat de zaligen tot de jongste dag wachten in het voorportaal of worden opgespaard onder het altaar en alleen de herschapen menselijke natuur van Christus zien (Denzinger 991). Benedictus verklaarde, dat de zaligen Gods wezen (divina essentia) onmiddellijk, onverhuld, zonder bemiddeling van schepselen duidelijk en klaar aanschouwen en genieten (Denzinger, 1000).

14. Romeinen 12:1. 15.

16. Johannes Calvijn, Instituut', (vertaling van A. Sizoo, Delft, z.j., dl.2, hoofdstuk XX, 24).

17. De heniel is rood, Den Haag, 1961, p.32.

18. Tegen.de 80, Driebergen, 1979, p.32.