Terug naar Ecclesianet.nl

David Brunings, Een achttiende-eeuwse geestverwant van H.F Kohlbrugge

J.C. KARELS, Utrecht

DAVID BRÜNINGS,

EEN ACHTTIENDE-EEUWSE GEESTVERWANT VAN H.F. KOHLBRUGGE (1)

Inleiding
In het jaar 1749 overleed de Hoogduitse predikant David Brü
nings in Amsterdam. De laatste jaren van zijn leven genoot deze pastor zeer grote populariteit. Bij zijn dood grepen diverse mensen naar de pen om zijn verscheiden in dichtregels te vatten. "Een David in den naem, een David in den wandel, een David in 't Geloof, een David in zyn handel", liet een nabestaande weten. Elders heet het: "Bruinings is ten hemel opgevaren, naer boven by der Engelen scharen, daer zinght hy nu den Loff dat God'lyk Lam, dat door zyn dierbaar bloed zyn zond wegnam". Hoe geliefd Brünings was bleek eveneens uit de overweldigende belangstelling bij zijn begrafenis. Duizenden mensen stroomden naar de Nieuwezyds kapel, waar zijn lichaam werd bijgezet. Na zijn dood, in het begin van de jaren vijftig van de achttiende eeuw, werden enkele tientallen preken van hem gedrukt door een kring van liefhebbers. Daarna lijkt het een eeuw stil rond de predikant te zijn geworden, want pas in de negentiende eeuw worden zijn preken weer onder de aandacht gebracht door ds. J.W. Felix, voorzitter van de Confessionele Vereniging en later in de eeuw door de hervormde predikant J. Schotel. Ook in de twintigste eeuw beleefden de preken van Brünings weer herdrukken, ditmaal in bevindelijk gereformeerde kringen.

Temidden van het gereformeerde piëtisme van de achttiende eeuw neemt Brünings een bijzondere plaats in. Tot de Nederlandse beweging van de Nadere Reformatie is hij niet echt te rekenen, hoewel er treffende parallellen zijn. Brünings had zijn wortels in Duitsland, waar hij het grootste gedeelte van zijn leven gearbeid heeft. Hij studeerde theologie in Bremen en Heidelberg, en diende van 1732 tot 1741 Neckarau (bij Mannheim) als predikant. Daarna vertrok hij naar Amsterdam, waar hij in de Duitstalige gereformeerde gemeente predikant was tot zijn overlijden in 1749.

De bijzondere plaats die Brünings inneemt in het kerkelijk leven van zijn tijd dankt hij vooral aan zijn contacten met de Herrnhutters. De Herrnhutters (tegenwoordig: Evangelische Broedergemeente) vormden  van oorsprong een Duitse godsdienstige beweging, bekend geworden door hun enorme zendingsactiviteiten, hun oecumenische openheid en ondogmatische geloofshouding. Motor achter de beweging was de Duitse rijksgraaf Nikolaus Ludwig von Zinzendorf. Deze verzamelde op zijn landgoed mensen van diverse godsdienstige pluimage, onder wie vooral Moravische vluchtelingen van de Unitas Fratrum, de Broederuniteit die teruggaat op de middeleeuwse priester Johan Hus. De Moraviërs werden begin achttiende eeuw door het zich versterkende rooms-katholicisme uit hun land verdreven. Zinzendorf stond hun toe een nederzetting op zijn landgoed te bouwen. Vanuit deze plaats Herrnhut -onder des Heeren hoede - vertrokken heidenboden naar verre oorden. Een bekende uitspraak van Zinzendorf, die zich verantwoordelijk voor de beweging voelde, is: "Heel de wereld is mijn domein". Herrnhutters bedreven zending in Groenland, Amerika, Zuid-Amerika, Zuid-Afrika en andere plaatsen. Tijdens hun reizen kwamen ze langs Amsterdam, waar contacten werden gelegd met gereformeerden en doopsgezinden. De meeste orthodoxe gereformeerden achtten Zinzendorf en zijn volgelingen echter een grote bedreiging voor de zuiverheid van de leer. De Herrnhutters zijn in de eerste vijftien.jaar van hun verblijf in de Republiek fel bestreden. Ook Brünings, die goede vrienden onder de Herrnhutters had, is door de gereformeerde kerkenraad op zijn rechtzinnigheid onderzocht. Men meende ketterijen bij de predikant te bespeuren.

Ik hoop in een tweetal bijdragen in Ecclesia aandacht te vragen voor deze predikaat. Daarvoor heb ik enkele redenen. De eerste is dat Brünings een predikant is die tot op heden te weinig aandacht heeft gehad, terwijl hij toch een aantal mooie preken heeft nagelaten waarin de gekruisigde Christus centraal staat. In de tweede plaats wordt de tijd van de achttiende eeuw vaak beschouwd als een periode van verinnerlijking en verenging van het heil, een periode waarin de aandacht wordt verlegd van God naar de mens, een periode waarin veel meer de g'evoelens en kentekenen van de mens centraal komen te staan dan de beloften in Christus. Als deze algemene typering al op zou gaan voor het geheel van de achttiende eeuw, bij Brünings vinden we een duidelijk andere ligging, onder meer door de invloeden die hij van Herrnhutter zijde heeft ondergaan. In de derde plaats, wie de preken van Brünings leest, kan duidelijke parallellen constateren met de preken van die grote negentiende eeuwse herder en heraut, Hermann Friedrich Kohlbrügge. Het is aardig beide predikanten eens te vergelijken. Zowel Brünings als Kohlbrügge hebben hun wortels in Duitsland, en beiden hebben grote sympathie voor Luther. Of Kohlbrügge Brünings' preken gekend heeft, weet ik niet. Daarvan is mij (nog) niets gebleken. Dit sluit evenwel een geestelijke verwantschap allerminst uit. Ik hoop hiervan iets te laten zien. In deze bijdrage ga ik in op de prediking van Brünings, vooral op zijn verkondiging van het geloof, en van de rechtvaardig-making en heiligmaking van een zondaar. In een volgende aflevering hoop ik te laten zien dat beide predikanten als geestverwanten aangemerkt kunnen worden.

David Brünings over het geloof
Een goede ingang tot Brünings' verkondiging is zijn preek over de Hcidelbergse Catechismus, zondag 7 vraag 21, waarin expliciet de vraag aan de orde wordt gesteld, wat een waar geloof is 1). In deze preek stelt Brünings twee zaken aan de orde: ten eerste wil hij weten waarom de onderwijzer zo nadrukkelijk vraagt wat een oprecht geloof is. Vervolgens gaat hij de inhoud en de herkomst van het geloof,.behandelen. Ik beperk me hier tot het eerste punt.

Waarom vraagt de onderwijzer naar een "opregt geloove"? Het antwoord van Brünings is even eenvoudig als voor de hand liggend: er is zoveel geloof, dat het ware niet is. Hij noemt dan schijngeloof, verondersteld geloof, geloof dat men op gezag van de kerk aanneemt, "bloot verstands geloove" en tijdgeloof. Geen van deze voldoen: "Met zo een geloof kan ik niet te vreede weezen, zegt een regt ontdekte: Ik moet een opregt geloove hebben". Nog voor hij aan de eigenlijke behandeling van de inhoud van het geloof is toegekomen, schetst Brünings een aantal karakteristieken van het ware en zaligmakende geloof. Dat geloof is "naa de schrift". Het is het geloof van een arme zondaar. Het is levendig en krachtig. Het is zaligmakend, niet slechts in de toekomst, maar reeds in het heden. Het reinigt en geeft vrede. Het maakt een nieuw mens. Het maakt vrij van satan, zonde en wereld. Het overwint de wereld; het maakt alle dingen mogelijk en kan zelfs "bergen van zwarigheeden" overkomen. Het maakt het hart vrolijk en verblijdt de ziel.

Vervolgens stelt Brünings de geloofsinhoud aan de orde, die hij in navolging van de Catechismus verdeelt in kennis en vertrouwen. Wat moet een mens kennen? Hij dient alles voor waarachtig te houden, wat God in zijn Woord heeft geopenbaard, zo leert het antwoord van de onderwijzer. Brünings vermeldt, dat men niet alles hoeft te weten wat er in de Bijbel staat. Hoe zouden, vraagt hij zich af, de Moorman en de stokbewaar-der anders hebben geloofd? Deze opmerking wordt echter gerelativeerd door de toevoeging dat men zonder iets te weten niet kan geloven. De zinsnede: "wat God in Zijn Woord heeft geopenbaard", wordt aldus uitgelegd: men moet weten verloren en verdoemelijk te zijn. Men moet weten dat Jezus Christus de waarachtige Zoon van God is en de enige Verlosser en Heiland. Men moet de "Geloofs weg kennen en weeten, dat men niet door de werken der wet; maar alleen door de geregtig-heid van Jesus uyt vrye genaade zaalig word".

Het kennen zoals Brünings dat uitlegt is, geen louter cognitieve zaak. Hij benadrukt direct het bevindelijke aspect ervan: het is een verlichte, gevoelige, levendige en verzekerde kennis. Nadrukkelijk verzekert hij dat het geloof zonder zekerheid niet bestaan kan. Wie gelooft, is zeker van hetgeen hij gelooft. En wie die zekerheid heeft, stemt ook de inhoud van het Evangelie toe. Men stemt toe zondaar te zijn en alleen door Jezus zalig te kunnen worden. Men stemt toe en neemt de weg aan die God vond om zondaren door Christus zalig te maken.

Vertrouwen
Veel aandacht schenkt Brü
nings aan het vertrouwen als de tweede zaak waar het om gaat bij het waar zaligmakend geloof. Het lijkt erop dat hij dit vertrouwen als het meest wezenlijke van het geloof aan wil merken: "Dat is dan nu eygcntlyk het geloove zelve dat ik Jesus en alle zyne weldaaden aanneeme". Als weldaden worden drie zaken genoemd: in de eerste plaats, "dat my alle myne zonden vergeeven zyn". Vervolgens, dat Jezus een eeuwige gerechtigheid is. Ten derde, dat Jezus tot zaligheid is geworden. Hierin wordt dus de Catechismus exact gevolgd. Het geloofsvertrouwen dringt door alle "zwaarigheeden" heen: door de afwezigheid van zoete bevindingen, door aanvechtingen en bestrijdingen, door verzoekingen en helse angsten. Het geloofsvertrouwen richt zich op het reeds geschonken heil, niet op een nog te schenken heil. Het richt zich op Gods openbaring, niet op een toestand van de eigen ziel. Brünings zegt: "Ik geloov en vertrouw niet alleen dat Jesus gewillig en magtig is, om my de zonden te vergeeven, en geregtigheid en zaaligheid te schenken, als ik tot hem koom. Dat is dat geloove nog niet, maar dat hy ons heeft zaalig gemaakt, niet uit onze werken, Tit. 3. maar naa zyne barmhertigheid: dog hier dunkt my hoor ik zeggen: hoe kan dat zyn, door het geloof, kryg ik immers pardon, en worden my de zonden vergeeven, hoe kan ik dan, als ik geloove, zeggen, dat my de zonde reets vergeeven is? Dat komt ons zo voor, om dat men zo diep in eigen werken zit, en daarom wil men het ook al uit zyn werken en daaden opmaaken, en men kent byna geen geloof als by opmaaking: Dog het geloof van onze catechismus, spreekt als Paulus spreekt Col. 2:14. die ziet het handschrift onzer zonden aan het cruys gestreeken en gescheurt, toen Jesus .gecruyst is, ben ik met hem gecruyst, toen hy begraven is, ben ik met hem begraven, toen Christus opgewekt is, ben ik met hem opgewekt; daar is alles voor my gedaan en verdient".

Op enkele bijzonderheden in dit citaat wil ik wijzen. Brünings acht het belangrijk dat de erkenning door de zondaar van Jezus' gewilligheid en macht om te zaligen niet het geloofsvertrouwen is, waarover de Catechismus spreekt. Er is meer nodig, te weten de ervaring van de vergeving der zonden. Verder polemi-steert hij op deze plaats tegen degenen, die het geloof uit hun werken "opmaaken". Brünings lijkt de onder veel achttiende-eeuwse gereformeerde piëtisten gebruikelijke opvatting, waarin het geloof uit de "kenmerken" wordt opgemaakt, van de hand te wijzen. Hij legt daarentegen een duidelijk accent op het volbrachte werk van Christus als grond van de vergeving der zonden. "Het geloove rust altoos eenig in Jesus myn Goddelyke Heiland en zyn volkomen zoenoffer".

Direct omhelzen

Geloven is voor Brünings een daadwerkelijk en direct omhelzen van de kruisgerechtigheid van Jezus. Daarbij wordt alles wat van de mens is, ook zijn gevoelens, ervaringen en kentekenen, als mogelijke grond voor de zaligheid afgedankt. Brünings heeft er regelmatig op gewezen dat de grond van het heil enkel in Jezus' bloed en gerechtigheid te vinden is. Dat hij zich hierbij bewust is geweest van de spanning die er is tussen christologie en pneumatologie, tussen het reeds volbrachte en het nog toe te passen heil, blijkt op meerdere plaatsen in zijn preken. Jezus is eens geslacht, maar dit offer wordt in het heden voortdurend herhaald.

De herhaling van Christus' offer voltrekt zich telkens wanneer de gelovige hem in de verkondiging van het Evangelie aanneemt: "Wy moeten Hem u in de verkondiging des Evangeliums zo voordragen als of Hy nu eerst versch aan 't Kruis geslacht was, en u die kruisiging van den Heere Jezus zo aan uwe Zielen voorstel-

lende is dat als een geheele slachtinge, zo dat wanneer het getuigenis van het geslachte Lam in zyn Bloed aan u wordt voorgedraagen zulks nooit in bloote woorden maar in de kracht des Heiligen Geesles moet aangemerkt worden, want als het in geloove aan zyn naam wordt verkondigt dan wordt het voor onze Ziele als geslacht; Jezus is te zyner tyd eens geslacht, en heeft zich voor ons willen laaten slachten, maar Hy wordt in dezen tyd door de verkondiging des Evangeliums voor ons als geslacht, om dat de geloovigen daar door besprengt worden en deel aan dat Lam verkrygen, wyl het een Genade-toebrengend woord is" 2). In de prediking wordt de kruisiging van Christus als het ware dagelijks voor onze ogen herhaald. Het geloof, dat Christus' bloed en wonden tot zaligheid aangrijpt, wordt door de verkondiging van het Woord tot stand gebracht.

Ik sluit met deze laatste woorden de eerste bijdrage over Brünings af. In de volgende wil ik laten zien hoe Brünings over de verhouding rechtvaardiging en heiliging heeft gesproken en daarna aantonen dat hij terecht een geestverwant van H.F. Kohlbrügge genoemd mag worden.

Aantekeningen

1. Zie David Brünings, Eenvoudig en zuyver getuyge-nisse van het oude Christen-geloof, ofte verklaaringe over de sevende Zondag van den Heydelhergsche Catechismus, begreepen in den 20, 27, 22, 23. vragen: afgedeelt in drie predikaatien, Lingen 1750, 25-48.

2. Geciteerd naar Brünings, De vrye verkiezing en aan-neeminge Godts naar de Genade: voorgestelt in verscheiden Predikatien over de drie gelykenissen des Heilands, uit Lucas XV, Amsterdam z.j. [1752], 179.