Terug naar Ecclesianet.nl

De zichtbaarheid/onzichtbaarheid van God en de zalige Godsaanschouwing (3)

Drs. Th.P. POL, Doorwerth.

DE ZICHTBAARHEID/ONZICHTBAARHEID VAN GOD EN DE ZALIGE GODSAANSCHOUWING, DE VISIO DEI (3)

De zalige Godsaanschouwing
De hoogste zaligheid. In het voorafgaande is duidelijk gebleken, dat het hoogste geluk, namelijk God kunnen zien, op aarde nooit en te nimmer bereikbaar is. Het moest zelfs aan een man als Mozes worden ontzegd. Wel is het mogelijk om hier beneden door het geloof de Here God geestelijk te zien in Jezus Christus. Die mogelijkheid betekent grote vreugde, omdat "wie Hem gezien heeft, de Vader gezien heeft"1).

Door middel van geloof in Gods nabijheid mogen zijn, van Zijn gemeenschap mogen genieten, gekoesterd worden door Zijn liefde en wandelen in Zijn licht is veel, heel veel! Hem regelrecht aanschouwen van aangezicht tot aangezicht gaat dit alles nog ver te boven, is alles-overtreffend!

Kennis van God mogen hebben is mogelijk gemaakt evenals de innige gemeenschap met Hem. Aan het geheimenis van Gods wezen wordt evenwel binnen de aardse tijd nooit te kort gedaan. Gods majesteit kan door deze gemeenschap met Hem niet worden aangetast. Dit komt het beste uit in het woord, dat in het Oude Testament bij uitnemendheid de uitdrukking is voor religie (dus voor de omgang met God binnen de aardse tijd): de vreze des Heren. De vreze des Heren is het beginsel der wijsheid2) en typeert de rechte verhouding tegenover de heilige God. Eerbied en ontzag, besef van ootmoed en afhankelijkheid regeren dan over het menselijke denken en handelen.

Paulus geeft deze zalige toestand, waarbij de relatie

tussen God en mens door geloof en overgave is hersteld, op een onovertroffen wijze weer, door te spreken van de vrede Gods als een wachtpost3), die om harten en gedachten patrouilleert, zoals ooit één van de cherubs de terugkeer naar het paradijs blokkeerde.

De zondeval spelbreker
Men.s en wereld zijn, zo leert ons de Schrift, door de zonde echter ontstellend demonisch geworden, prijsgegeven niet alleen aan de dingen, maar tenslotte ook aan de machten. Daardoor werden en worden alle dingen besprongen en overweldigd ais gevolg van het onrein geworden (boze) hart en verliezen mensen de Here God, Zijn heerlijkheid en goedheid uit het oog en laten vervolgens de dienst aan en de lofzegging voor God achterwege. Het mysterie van de zonde vond echter daarop plaats en vervormde en verminkte elk menselijk antwoord. Ooit vroeg de Here God de mens een antwoord als echo op Zijn liefde.

Nooit zullen wij kunnen ontraadselen, waarom die menselijke ontsporing onstaan is, waardoor de mens in zijn val alles meesleurde. Daarom is de schepping niet meer zoals zij was, zó zoals zij uit de hand van God tevoorschijn was gekomen. Disharmonie heerst over alles.

Reinheid van hart
Toch is het, dankzij Gods grote liefde en genade, dankzij Zijn vergeving en verzoening, weer mogelijk, dat de Here God in het gelovige hart weer "zichtbaar" wordt, namelijk "in reinen van hart", een uitspraak van de Here Jezus in de Bergrede. Deze zichtbaarwor-ding door "reinheid van hart" wil zeggen, dat wij door Gods ingrijpen opnieuw beseffen, dat alles wat bestaat, "in zichzelf' ijdel en zinloos is, daarom ook mateloos gevaarlijk en dat wij alleen door Hem te prijzen weer echt leven: ter wille van Hem, tot uitbeelding van Zijn eer en heerlijkheid.

Van Ruler drukt dit zo uit: "in wezen zijn de dingen namelijk een lied, even ijl en even heerlijk als een zang, die hangt in de gewelven van een concertzaal. Wanneer wij de dingen echter zo niet beleven, niet als lofzegging van God, dan wordt inderdaad alles ijdel, en in deze ijdelheid, zinloosheid en leegheid slaan de demonen, de machten hun slag, vullen deze leegte en geven op grond van hun bezetting een eigen zin aan het leven, haaks op de oorspronkelijke bedoelingen van God. Wie de Here God vergeet, valt vroeg of laat aan deze demonen ten prooi"4).

Door reinheid van hart keert echter het zuivere lied terug. Daarom zei Kierkegaard: "reinheid van het hart is maar één ding te willen, namelijk in alle dingen alleen maar God de Heer en Zijn heerlijkheid willen zien. Dan worden wij niet moe. Want 'wie de Heer verwachten, zullen de kracht vernieuwen, zij zullen opvaren met vleugelen, gelijk de arenden. Zij lopen, maar worden niet moe, zij wandelen maar worden niet mat'"5).

Reinheid van hart is: alles in het leven en in de wereld, hetzij goed, hetzij kwaad, beleven vanuit de kennis van de enige God en Zijn heil. Dat is zaligheid, omdat wij dan in alle dingen de Here God en Zijn veelvormige wijsheid ontmoeten.

Reinheid van hart is, of om het nog anders te zeg-

gen: geloven in de Here Jezus Christus, is het bewijs van het bestaan van God, een Werkelijkheid, die anders niet gezien wordt. In en door het geloof in de Here Jezus Christus is de toekomstige heerlijkheid hier en nu bij gelovigen reeds aanwezig;

Met het geloofsoog zien
De schrijver van de Brief aan de Hebreeë
n is een auteur, die de Griekse taal volkomen beheerst, als een kunstenaar deze hanteert en ons nog een stap verder brengt.

De werkwoorden, die hij voor "zien" van de openbaring van Jezus Christus gebruikt, zijn door hem bewust en zorgvuldig gekozen. Zij zijn geëigend om ons te laten verstaan, wat hij bedoelt. In zijn brief staat het werkwoord blepein6). Blepein is niet zo maar "zien", in de zin van: het oog zijn functies laten verrichten zoals een fotografische lens het doet. Het is een "zien", waarbij de wijze van zien, de gerichtheid van de blik van de allergrootste betekenis zijn. Het is een "zien", waarbij de blik iets toevoegt aan het waar-genomene.

Etymologisch hangt blepein samen met "schijnen" en "licht geven", zoals ons woord "blikken" verwant is aan blaken en bliksem. Blepein betekent: de glanzende lichtstraal in de ogen bij het aankijken. Het vooronderstelt een innerlijk licht, waardoor het waar-genomene een hoger waarde en betekenis krijgt dan het blote oog kan opnemen.

De wijze, waarop het apostolische geloof Jezus "ziet", is aangeduid met dit inhoudsvolle woord "blepein", blikken. De apostolische gemeente heeft Hem "gezien" met een innerlijk licht, waardoor zij Hem wezenlijk "ziet" en Hij voor haar een hoger, rijkere, vollere waarde heeft gekregen dan het naakte oog kan waarnemen. Zij heeft Hem door die blik "gezien" "met eer en heerlijkheid gekroond"7).

Het "zien"' van Jezus met "eer en heerlijkheid gekroond" is dus begiftigd zijn met een innerlijk licht, waardoor het historisch gebeuren van Jezus' dood en opstanding verstaan en begrepen wordt als een Godsopenbaring, die oneindig hoog verheven is boven welke openbaring uit de grijze voortijd ook.

De Rooms-katholieke visie m.b.t. visio dei (=Godsaanschouwing).

In de Rooms-katholieke Kerk heeft de mening post gevat, dat wij hier (in via = onderweg) God in beelden zien, maar straks (in patria - in het nieuwe vaderland) door zijn wezen8).

Thomas van Aquino (1225-1274), de officieel tot kerkleraar uitgeroepen, middeleeuwse theoloog, heeft dit gedachtengoed ontwikkeld op grond van. ideeën, die hij op zijn beurt weer aan Augustinus9) ontleende. Hij zocht naar de harmonie tussen denken en geloven, wijsbegeerte en godgeleerdheid, rede en openbaring, natuur en bovennatuur. Zijn geschriften zijn doorwrocht van structuur en doorzichtige compositie. Bovendien kenmerken zij zich door klaarheid van betoogtrant, waarmee de diepzinnigste problemen worden behandeld. Bovenal getuigen zij van een denkkracht van de grootmeester van de scholastiek10).

Als kernmoment van deze Rooms-katholieke spiritualiteit geldt nu, dat genade het verborgen begin is

van de aanschouwing van Gods aangezicht en van de volmaakte deelneming aan het leven van de Drie-enige Gotf; Vader, Zoon en Heilige Geest. In de geloofsbelijdenis van deze kerk lezen wij: "Zij (de Godsaanschouwing) betekent deelneming aan Gods eigen zaligheid en de voltooiing van ons huidige bestaan in Jezus Christus en in de Heilige Geest11).

Om deze stellingname te begrijpen, moeten wij weten, dat de Rooms-katholieke Kerk aan de leer van de vereniging van de beide naturen in Christus de volgende consequenties verbindt: de deelname van de gelovigen aan de goddelijke natuur en de leer van de Godsaanschouwing worden nauw met elkaar in verband gebracht.

De leer van de Godsaanschouwing houdt in, dat de zaligen Gods wezen van aangezicht tot aangezicht aanschouwen, zonder creatuurlijk bemiddeling, onmiddellijk, onverhuld, klaar en duidelijk (zie: Constitutie "Benedictus Deus", 29 januari 1336)12).

Alle problemen van natuur en genade concentreren zich en komen samen in de vergoddelijkingsgedachte. Daaronder dient te worden verstaan, dat de menselijke natuur door de goddelijke wordt beïnvloed, omdat het creatuurlijke wordt verrijkt en verheven boven de eigen kractyen uit. In de lijn van Chalcedon (415) wijst de Rooms-katholieke Kerk ..weliswaar de vermenging van de goddelijke en menselijke natuur af.

Nu is het waar, dat verlosten, wanneer de nieuwe hemel en de nieuwe aarde zijn aangebroken, het volle geluk van de gemeenschap met dè Drie-enige God zullen ervaren. Op grond van wat ons in de Schrift geleerd wordt, bestaat hierover volstrekte consensus (eenstemmigheid) tussen Rome en Reformatie. Het bezwaar van protestantse zijde tegen de Rooms-katholieke denkwijze richt zich echter op het denkbeeld, dat de grens tussen God, de Schepper en de mens als schepsel wordt overschreden.

Het Liedboek van de Kerken heeft een lied van deze Thomas opgenomen, waarin wij inderdaad ook al iets van deze grensoverschrijding ontdekken: "Jezus, wiens gedachtenis ik nu vieren mag, voer mij door de scheem'ring naar die volle dag, dat mijn oog uw aangezicht zonder iets dat scheidt ongesluierd schouwe in Gods heerlijkheid"13).

1.Johannes 14:9.

2. Psalm 111:10; Spreuken 1:7; Job 28:28.

3. Filip. 4:7 (froureoo).

4. A.A. van Ruler, Laat heel de aard' een loflied wezen, Nijkerk, 1973, p.77

5. Jesaja 40:31.

6. Hebreeën 2:9 en in 3:9 staan woorden, die dezelfde betekenis hebben; W. Aalders, Schepping of geschiedenis, Den Haag, z.j. p.23vv.

7. Hebreeën 2:9.

8. Dr. B. Wentsel, Dogmatiek, Kampen, 1981, dl.1, p.81.

9. B. Wentsel, Natuur en genade, p.374-390

10. J.N. Bakhuizen van den Brink, Handboek der kerkgeschiedenis, Den Haag, 1965, dl.2, p.168

11. Katholieke Katechismus voor volwassenen, 1986, p.418

12. Heinrich Denzinger, Enchiridion symbolorum, quod emen-davit Petnis Hünermann, Freibourg, 1991, nr. 1000.

13. Gezang 352:6.