Terug naar Ecclesianet.nl

Vriendschap in Christus (Slot)

Ds. J.G. BARNHOORN, Nunspeet

VRIENDSCHAP IN CHRISTUS (Slot)

Romantische Vriendschap

In het laatste hoofdstuk van zijn boek plaatst Dubois de vriendschap tussen Da Costa en De Clercq in het kader van de "romantische vriendschap": de vriendschap, zoals deze kenmerkend is voor het tijdperk van de Romantiek. Als voorbeelden hiervan in ons land noemt hij dan mensen als Nicolaas Beets, Bernardus Gewin, Johannes Petrus Hasebroek en Johannes Kneppelhout, die in de jaren dertig van de vorige eeuw, toen zij in Leiden studeerden, een hechte lite-rair-vriendschappelijke kring vormden, waarin men elkaar een "gevoeligheid" toonde, die elders ongebruikelijk was. Dubois zegt: "Zachtheid, vrouwelijkheid en intimiteit:-waren aanvaardbare bestanddelen van hun omgang. Twintigste-eeuwse associaties met homoseksualiteit 1'jggen voor de hand. Deze zouden echter een miskenning zijn van het eigen karakter van de negentiende-eeuwse romantische vriendschap. Evenals de geloofsvriendschap Da Costa-De Clercq was zij van geestelijke aard ..."

Overigens is het romantische vriendschapsideaal, zo horen wij even later, in ons land, hoewel ook hier beleefd en verheerlijkt, toch een tamelijk uitzonderlijk verschijnsel gebleven. De romantische vriendschaps-cultus is vooral in Duitsland tot bloei gekomen, waar men, overigens hoofdzakelijk in kunstenaarskringen, vriendschappen van ongekende diepte aantrof. Een treffend voorbeeld van een dergelijke verhouding is die tussen de ons welbekende dichter Novalis (Friedrich von Hardenberg) en de beroemde theoloog Friedrich Ernst Daniël Schleiermacher.

Was men in de romantische vriendschap "op zoek naar het ware, goede en schone, waarvan de kunst de draagster is" - bij het lezen van een zin als deze is het, alsof men, in de gymnasiumbanken teruggekeerd, een dialoog van Plato voor zich heeft -, voor een "Christocentrische vriendschap" moeten wij hier niet zijn. Weliswaar ontbreekt de persoon van Christus hier niet, maar Hij komt niet boven "de personificatie van het abstracte vriendschapsideaal" uit. In elk geval is Hij niet "het fundament van concrete, persoonlijke vriendschappen", wat trouwens evenmin bij de genoemde Leidse student-auteurs het geval was, ook al is er in de verhouding tussen een Beets en een Hasebroek - later Reveilpredikanten van naam -ongetwijfeld reeds in hun studiejaren van een zekere geloofsverbondenheid sprake geweest.

Reveil vriendschap

Het spreekt welhaast vanzelf, dat binnen het Reveil het geloof in Christus wel degelijk het fundament en de essentie van de vriendschap was. "Het gemeenschappelijk geloof in de verzoening door Christus verdiepte bestaande vriendschappen en kon nieuwe voortbrengen", zegt Dubois met een verwijzing naar het nog altijd heel lezenswaardige boek "Uit de dagen van het Reveil" van W van Oosterwijk Bruyn. En nu kan het natuurlijk niet anders, of ook binnen het Reveil ontstonden vriendschappen steeds op "natuurlijke" gronden als onderlinge aantrekkingskracht en gemeenschappelijke belangstelling, maar steeds was er toch de geloofsband, die de vriendschap verdiepte, die vrienden tot christelijke vrienden, tot broeders maakte, hetgeen reeds in de aanhef van de brieven, die men elkaar schreef- "Vriend en Broeder" of "Waarde vriend en broeder in onzen Heer en Zaligmaker Jezus Christus" - heel duidelijk tot uiting kwam.

De verhouding Reveil-Romantiek

In het voorafgaande hebben wij gezien, hoezeer Da Costa en De Clercq elkaar in de eerste jaren van hun vriendschap, ondanks vanzelfsprekende tekorten aan weerskanten, tot grote steun geweest zijn, dat hun vriendschap in de jaren 1824 - 1831, De Clercqs Haagse tijd, meer en meer aan diepgang won, om in de tijd, hierop volgend - met name sedert 1839 - in toenemende mate aan intensiteit in te boeten, zij het, dat beide vrienden tot het einde toe - De Clercq overleed in februari 1844 - hun uiterste best gedaan hebben, elkaar vast te houden.

In zijn slotbeschouwing constateert Dubois, dat de vriendschap tussen Da Costa en De Clercq zich in sterke mate van andere vriendschappen binnen het Reveil onderscheidde door "haar sensitiviteit en romantiek, waarin de grote aandacht voor het eigen gevoels- en geloofsleven en dat van de ander centraal stond en vooral de vriendschap zélf een constant thema was ...", om vervolgens - met een verwijzing naar hetgeen O. Noordenbos (in: J. en A. Romein, "De Lage Landen bij de zee. Een geschiedenis van het Nederlandse volk") en H. Reeser (in het "Documentatieblad voor de Nederlandse Kerkgeschiedenis na 1800", Nr 30) met betrekking hiertoe geschreven hebben - op te merken: "In hun vriendschap vinden wij al het innige, oprechte, hartstochtelijke, heel het verfijnde gevoels- en geestesleven van de Romantiek dat in Nederland in het Reveil een nationaal cachet heeft gekregen en daar gebloeid heeft op het grensgebied van geloof en poëzie". Met andere woorden: zowel in de verhouding Da Costa - De Clercq als bij de Romantici treft ons een grote aandacht voor de kunst, het gevoelsleven en de cultivering van de vriendschap, maar ... tegelijkertijd merken wij, als gezegd, een essentieel verschil op: de persoon van Christus, in wie de relatie Da Costa - De Clercq gefundeerd was, is voor de zogenaamde romantische vriendschap niet van werkelijke betekenis!

Een achterhaalde zaak?

Een "vriendschap in Christus": een verschijnsel, waarop wij meer dan anderhalve eeuw later met gevoelens van weemoed terugzien, of ... toch ook in onze tijd nog steeds een realiteit te achten?
Het eerste komt ons, althans naar de praktijk te oordelen, bepaald aannemelijker voor dan het tweede.

Reeds het verschijnsel van de vriendschap als zodanig heeft in de loop der jaren heel wat aan betekenis ingeboet. Hoe gemakkelijk komt men er tegenwoordig toe, over "vrienden" te spreken, wanneer men mensen op het oog heeft, met wie men een keer op vakantie is geweest of met wie men een gezellige avond heeft doorgebracht: mensen, die men op de keper beschouwd nauwelijks kent. Nu is dit zonder meer tekenend is voor de tijd, waarin wij leven: een tijd van veelal vluchtige contacten, die voortdurend wisselen. Vrienden: mensen, die men zonder hen ooit wezenlijk ontmoet te hebben als vanzelfsprekend bij de voornaam noemt, om hun, nadat men hen een tijdlang niet gesproken heeft, te vragen: "Sorry, maar hoe heet je ook weer?"

De Heilige Schrift spreekt op een heel andere, veel diepgaander wijze over de vriendschap. In de Bijbel is de vriendschap een verbond, dat voor wederzijdse trouw garant staat. En in het Nieuwe Testament wordt duidelijk, dat zo'n verbond alleen in Christus gegrond kan zijn. En hebben wij in het voorgaande gezien, dat in de kringen van het Reveil "het gemeenschappelijk geloof in de verzoening door Christus bestaande vriendschappen verdiepte en nieuwe kon voortbrengen", dan valt het niet moeilijk te concluderen, dat de "vriendschap in .Christus" ook in onze tijd nog wel degelijk tot de mogelijkheden behoort, mits ... de verzoening in Christus - in de achter ons liggende maanden opnieuw in digcrediet gebracht - als het voor de vriendschap noodzakelijke fundament aanwezig is.

Nu is vriendschap, zoals ook Dubois opmerkt, niet zelden gebaat bij een zekere afstand. Dat hebben ook Da Costa en De Clercq zich gerealiseerd. In een brief, die eerstgenoemde in de zomer van 1837 aan zijn vriend schreef, roemde hij Gods wijsheid, die "ons bij eene zoo naauwe vereeniging en overeenkomst van denkbeelden en gevoel, ja tot in bijzonderheden, tevens ons op zekere distantie houdt van elkander ..." En zelfs kan het zijn, dat juist de afstand, die mensen van elkander scheidt, de vriendschap des te meer diepgang verleent, - een diepgang, waartoe ook de briefwisseling in een belangrijke mate bijdraagt, zoals dit èn bij de Romantici èn in de kringen van het Reveil heel sterk het geval geweest is.

Hier nu komen wij, naar het ons voorkomt, één van de voornaamste oorzaken op het spoor van de teloorgang van de vriendschap in onze dagen. Een teloorgang, onder meer veroorzaakt, doordat de geografische afstand vrijwel is weggevallen, terwijl het telefoonverkeer het briefcontact nagenoeg kapotgemaakt heeft. Het gevolg van een en ander is, dat ook de "eigenhandige groet" van de apostel nog slechts sporadisch voorkomt, zelfs in dagen van rouw, waarin, ais onbedrieglijk teken van een gestaag oprukkend barba-rendom, het technisch vernuft van een voorgedrukte vorm van "hartelijk medeleven" op ons condoleantie-drukwerk het feitelijk tekort aan medeleven van vermeende broeders en zusters dient te verhullen.

Wanneer wij een briefwisseling als door Da Costa en De Clercq onderhouden de aandacht geven, die zij verdient, valt ons allereerst op, hoeveel moeite beide vrienden zich gegeven hebben, hun gedachten op een verantwoorde wijze te vertolken. Zij gingen niet op een gemeenzame manier met elkaar om. Zij noemden

elkaar, hoe goed zij elkaar ook kenden, niet bij de vóórnaam. Maar voornaam waren zij ongetwijfeld, zowel in hun uitdrukkingswijze als in hetgeen zij elkander schreven. Een voornaamheid, die mede door toedoen van de veelal platvloerse wijze, die de omgang tussen mensen- in onze tijd kenmerkt, nu nog slechts bij uitzondering valt waar te nemen. En dat niet alleen buiten de kerk. Integendeel! Hoezeer spant men zich, juist in "orthodoxe" kringen, niet in om zich in de vormgeving van de verkondiging aan de verlangens van de doorsnee-kerkganger aan te passen, om mensen te "trekken" èn ... om zichzelf populair te maken! Is het niet veelal walgelijk, wat men op de kansel en in het kerkblad aan "evangelische" gerechten voorgeschoteld krijgt? Van mensen als Da Costa en De Clercq kunnen wij heel veel leren, bij voorbeeld wat het betekent zich ervan bewust te zijn, dat wij te allen tijde, niet in de laatste plaats in ons spreken en schrijven, voor het aangezicht van God staan, de heilige God, tegenover wie ons slechts een uiterste aan ootmoed past.

Doch er valt meer te zeggen. Van hun tekorten, hun voortdurend falen diep doordrongen, hebben Da Costa en De Clercq tot het einde toe getracht elkaar vast te houden. Enkele weken voor zijn heengaan schrijft De Clercq aan zijn vriend: "Bij een steeds bestaande levendige behoefte tot elkander ligt er nog een knoop tusschen ons, die kunnen wij geen van beiden ontveinzen. Dien los te scheuren zoude wonden geven zonder balsem. Ik heb het blijmoedig vertrouwen, dat God die op Zijn tijd los zal maken. Innerlijk zijn wij meer vereenigd als wij het zouden kunnen uitdrukken, als wij dat in woorden moeten brengen. Daar waar wij ons vereend gevoelen, blijven wij daar vast aan elkander gesloten, De Heere zal het overige geven." Da Costa antwoordt hierop in dezelfde geest door zijn vriend te verzekeren: "... Wij blijven elkander verbonden, voor elkander bidden, elkander toespreken, naar dat het hart ons ingeeft, en het oogenblik het met zich brengt", waama hij uit het tweede vers van de 65ste psalm de woorden aanhaalt: "... maar ons weerspannig overtreden verzoent en zuivert Gij".

Leven uit de verzoening. Hierin zijn Da Costa en De Clercq, zij het in alle gebrekkigheid, ons, ook in hun onderlinge verhouding, voorgegaan. Naar onze stellige overtuiging bestaat er een onlosmakelijk verband tussen de vele relatiestoornissen in onze tijd enerzijds en het loslaten van de Boodschap der verzoening anderzijds. De verzoening: het hart van het evangelie! De enige grond voor een duurzame relatie, een verbond van wederzijdse trouw, een vriendschap in Christus, ook in 1998. Schenke ons God zulke vriendschappen!