Terug naar Ecclesianet.nl

Hebt gij de Heilige Geest ontvangen?

Dr. H. Klink, Hoornaar

Overdenking gehouden voorafgaand aan de begrafenis van dr. W. Aalders op 30 december 2005 in de aula van de begraafplaats Oud Eik en Duinen te Den Haag over Handelingen 19: 2a

Dat dr. Aalders een markante en betrokken man was, zoals op de rouwkaart staat, blijkt ook uit de keuze van de tekst van deze middag, waarvan hij met nadruk tegen me zei: Dáárover moet je spreken tijdens de rouwdienst. Want dit is niet een tekst waarover het in veel rouwdiensten zal gaan. Ik zou me kunnen voorstellen dat er onder u zijn, die er verwonderd over zijn. Waarom deze tekst?

Wat heeft hij daarmee voor gehad?
Het minste wat ik daarover zeggen kan, is dat hij er de bedoeling mee gehad heeft om ons deze middag een vraag voor te leggen: Hebt u de Heilige Geest ontvangen?
Voor ik op deze tekst inga, eerst iets anders. Iets dat ons helpt om de achtergrond van deze tekstkeuze te begrijpen. In de afgelopen jaren heeft dr. Aalders veel verdriet gehad. Om twee redenen. Allereerst het verlies van zijn lieve, trouwe en vooral, zo typeerde hij haar bij haar overlijden, nobele vrouw: Sara Geertruida Huender - zijn Sara. Haar heengaan in 1999 viel in een tijd waarin hij ook de kerk, de Nederlandse Hervormde Kerk van het toneel zag verdwijnen. Het heeft dr. Aalders enorm eenzaam gemaakt. Iedereen die hem een beetje kent weet dat.
Desondanks heeft hij kans gezien in de jaren nadien drie boeken te schrijven: De apocalyptische Christus, Apocalyps en Evangelie en Confiteor - Ik belijd. Het tekent zijn geestkracht, zijn studiezin en… zijn betrokkenheid. Wat een opgave in deze eenzame jaren dit te doen, terwijl niemand redelijkerwijs van een zo oud man verwachten mocht dát hij zich van die taak zou kwijten. Maar hij wilde de kerk, u en mij, iets meegeven, van wat hij zelf zag als de weg die God ons in dit tijdsgewricht wijst. Dat tekent zijn betrokkenheid.
De wording van deze drie boeken heb ik van heel dichtbij meegemaakt. Hoeveel gesprekken hebben we er niet over gehad! In die gesprekken hebben we als het ware een reis gemaakt. Een reis van Galilea naar Jeruzalem en zo naar Klein-Azië, naar Efeze, de plaats waar het vanmiddag onder andere over moet gaan.
Laat me eerst iets over Efeze zeggen. De tekst is tenslotte gekozen uit Handelingen 19, waar Paulus in Efeze komt. Daar overkomt hem iets heel merkwaardigs. Daar doet zich die merkwaardige geschiedenis voor van enkele ‘discipelen’, aan wie Paulus de vraag stelt: “Hebt u de Heilige Geest ook ontvangen toen u tot geloof gekomen bent?“ Die vraag stelt de apostel niet voor niets. Er moet hem iets opgevallen zijn. Wat dat was? Zij missen iets wezenlijks, wat gangbaar was in de eerste christengemeente. En dat was, om het met één woord te zeggen: de bedauwing met de Heilige Geest.

Galilea
Wat dat inhoudt? Ik kan het niet beter duidelijk maken dan door u mee te nemen naar Galilea. Dat deed dr. Aalders ook in zijn boek Apocalyps en Evangelie. Voor hij in dat boek op deze ontmoeting in Efeze ingaat (want dat doet hij) brengt hij Galilea ter sprake.
Dáár heeft zich iets heel bijzonders voorgedaan. Aalders noemde het een ‘apocalyptisch reveil’, een opwekking van geestelijk leven, doordat de mensen betrokken raakten op het einde der tijden, op de voleinding van alles, op het Koninkrijk van God, dat zó nabij gekomen was, dat het met de handen te tasten was. En dat in de persoon van de Here Jezus Christus.
Na diens doop in de Jordaan is Hij in Galilea gekomen om gehoor te geven aan zijn roeping. En die hield in: het Koninkrijk Gods op aarde te brengen. En wat een uitzichten deden zich rondom Hem niet voor! Wat een vreugde, door zijn prediking, door zijn optreden. Het was een werkelijk reveil.
Christus verkondigde het Evangelie, de besorah. Dat wil zeggen het heil van het aangebroken Koninkrijk van God. Het mooiste voorbeeld daarvan is wel zijn eerste preek die hij hield in Nazareth. “Heden, zei Hij, “is deze Schrift in uw oren vervuld“. Vandaar dat de bergrede begint met het woord ‘Zalig’ of ‘heil’, ‘zegen’.
Het aanbreken van de nieuwe aeoon, de nieuwe werkelijkheid van het koninkrijk van God was zo iets groots, dat de mensen, wanneer ze thuis kwamen, uitriepen: “wij hebben heden ongelooflijke dingen gezien.“ Paradoxan staat er in het Grieks. Dat wil zeggen: nooit eerder vertoonde dingen. Het koninkrijk Gods was present op deze aarde. En in Christus en in zijn optreden kwamen de mensen in aanraking met de Heilige Geest! Door Christus’optreden konden zij de overgang, de transitus, maken tot het Koninkrijk van God!

De christelijke doop - de Geestesdoop
Hoe vaak heb ik met Aalders gesproken over deze transitus, o.a. naar aanleiding van de dooppraktijk in de vroege kerk, waarvan hij zoveel wist en waarover het in deze tekst gaat. De dopeling ging in de doopkapel in het westen het badwater in, om er in het oosten uit op te rijzen, als de zon opging. Hij kwam dus uit de duisteris en ging op naar het licht. Dan zwoer hij de pompa diaboli af, die dingen die bij het oude leven hoorden en wendde hij zich tot het licht! Maar let wel: als de doop door onderdompeling verricht was, was de doopplechtigheid nog niet ten einde. Dan volgde er nog een wézenlijk bestanddeel van: de handoplegging en de zalving - de zalving met de Heilige Geest. Vanaf nu maakte de dopeling deel uit van het Koninkrijk der hemelen. De toegang daartoe was hem ontsloten.
O hoe is het Aalders dáárom te doen geweest, iets van díe rijkdom weer te geven. Niet voor niets waren zijn lievelingsgedeelten uit de Bijbel, de passages die daarover gingen. Ik noem ze: Hebreeën 12: 22: “Gij zijt genaderd tot het hemelse Jeruzalem“; Colossenzen 3: 1: “Zoek de dingen die boven zijn, waar Christus is.“ Filippenzen 3: 20: “ Uw wandel is in de hemelen, vanwaar wij Christus ook verwachten.“
Hoe hield hij van de uitdrukking die C.H. Dodd geijkt heeft: realised eschatogy ofwel presente werkelijkheid van het heil, dat nu al levende werkelijkheid is door Christus. Dáár leefde hij bij. En terwijl Aalders die overgang naar die nieuwe werkelijkheid in zijn boeken tot uitdrukking bracht met de woorden transitus en realised eschatology (de ene uitdrukking wordt gebruikt door Luther en Odo Casel, de andere door C.H. Dodd), kon hij het ook zó zeggen, dat het voor de ‘gewone christenen’ goed te begrijpen viel. Hoe begrijpelijk en rijk wordt de realiteit van het presente heil bijvoorbeeld onder woorden gebracht in het lied dat boven aan de rouwkaart staat, waar ik u de strofen twee en drie uit voorlees! Het is een jubel op Christus, die door zijn leven, zijn lijden en sterven, maar vooral door zijn opstanding de toegang tot dit overvloedige hemelse leven heeft geopend:
Hij heeft ridderlijk gestreden,
hel en duivel neergetreden;
woedt de vijand nog zo zeer,
schaden kan hij ons niet meer.
Sion moet Hem dank bewijzen
en met luider stemme prijzen.
Halleluja, halleluja!
’t Leven heeft de dood verslonden;
wat geboeid is, wordt ontbonden.
Dood, waar is uw overmacht,
waar uw prikkel, waar uw kracht?
En dan komt het:
’s Heren vrijgekochten hopen,
want de hémel gaat hun open.
Halleluja, halleluja!
Dát is de belevenis in Galilea en dát is de belevenis in Efeze geweest. Dat is de belevenis van Paulus en van Lucas. Díe nieuwe werkelijkheid is door Christus op aarde gebracht!

De roeping van de apostelen
Die apocalyptische wending die in Galilea begon en zijn hoogtepunt kreeg in Christus’ kruis, in zijn opstanding en verheerlijking (Pinksteren), kreeg zijn voortzetting in het werk van de apostelen. Hún roeping bestond daarin dit ‘eeuwigheidsleven’, dat Christus hen toevertrouwd had, in de tijd te brengen: “Zie, Ik beschik u het Koninkrijk“ (dat eeuwigheidsleven) had Christus gezegd. Aan deze beschikking had Hij hun roeping gekoppeld: “Gaat heen en verkondigt dit Evangelie aan alle volkeren, hen lerende onderhouden alles wat Ik u gezegd heb en hen dopende in de Naam des Vaders en des Zoons en des Heiligen Geestes.“
De overvloed van dit ‘eeuwigheidsleven’ hebben de apostelen gebracht in Klein-Azië, in Griekenland, Europa, tot in Rome en Spanje toe! Het water van de rivier, die ontsprong in Galilea, stroomde over de bedding heen en vloeide over deze wereld. En velen zijn ermee in aanraking gekomen, vooral door toedoen van Paulus. Zo onder andere in Efeze. Dan doen zich daar die tekenen voor, waarvan we lazen in Handelingen 19 en waarvan Aalders schreef: daar heeft zich die omslag, dit apocalyptisch reveil voor de ogen van Lucas voorgedaan. En dat heeft Lucas’ leven veranderd! Ook voor hem is het Koninkrijk der hemelen als presente werkelijkheid open gegaan!

Levensvernieuwing
Dat veranderde het leven van deze mensen volkomen. Aalders zei me eens, toen we het hierover hadden: “Dat veranderde hun manier van leven, hun huwelijk, het veranderde hun taal. We lezen van tongentaal: het spreken in vervoering. Ze zullen liederen gezongen hebben, ze zullen in berouw en in tranen afscheid genomen hebben van hun vorige leven, ze zullen gejubeld hebben. Want dat hoort bij dat in aanraking komen met de krachten van het Koninkrijk der hemelen.“
Iemand bij wie Aalders - die daar een zintuig voor had, omdat hij er zo voor open stond - dit tegenkwam was Pascal. Eigenlijk had ik eerst zijn moeder moeten noemen, die een grote invloed op hem heeft uitgeoefend. De gesprekken met háár, haar wijsheid, liefde en takt, ja die waren het die hem in aanraking brachten met dit werk van de Heilige Geest. Bij haar ging de hemel open. Zo wist hij van enkele familieleden te vertellen, onder andere een nichtje dat op haar sterfbed zei: “o dat heerlijke werk van de Heilige Geest.“ Ik noemde Blaise Pascal. Als Aalders schrijft over tongentaal, dan zegt hij: zulke exclamaties van vreugde moeten het geweest zijn als bij Pascal, na zijn intense geloofsbelevenis in 1654:
Vuur, vreugde, vreugde.
God van Abraham, God van Isäak en God van Jacob.
Niet van filosofen en ook niet van geleerden.
Zekerheid, zekerheid, bewustzijn.
Vreugde. Vrede. God van Jezus Christus.
God van mij en God van U.
Uw God zal mijn God zijn.
De wereld en alles achterlaten, behalve God
Alleen op de weg van het Evangelie laat God zich kennen. etc.

Bij hén lag de historische continuïteit met de kerk die in Efeze en andere plaatsen door deze Geesteservaring ontluikte, met de oerchristelijke gemeente. Zozeer heeft dit dr. Aalders geïntrigeerd, dat hij er al uitvoerig over schreef in zijn eerste boek in 1948.

De betekenis van de presbyters
En toch: met deze Geesteservaring komen we in aanraking met een moeilijkheid. Toen ik dr. Aalders nog niet zo intens kende, hoorde ik eens een preek van hem. En in die preek gaf hij die moeilijkheid indringend weer: “Stel u voor de discipelen! Zij waren met Jezus op de berg der verheerlijking, waar Hij veranderd werd van gedaante, d.w.z. een transfiguratie onderging. Ze zagen zijn heerlijkheid. En… wilden er blijven. Dit was een voorspel op de opstanding. Een voorspel op het ontvangen van de Heilige Geest. Maar zij moesten de berg weer áf! De wereld in!“
Díe diastase, dát contrast - weinigen hebben haar zó gevoeld als Aalders. Vandaar dat hij met bijvoorbeeld Milton kon afgeven op de tijd: ‘O tijd, tijd. Alles opslokkende tijd!’ Zo betrokken te zijn op het einde…en het einde is er nog niet! De tijd dringt zich ertussen!
De kerk moet door. Ze moet de geschiedenis in. “We moeten door in déze tijd, zei hij tegen me, na het SoW- proces. Het is bar.“ En dan kon hij zeggen, kreunen bijna: usque ad tandem? Tot wanneer toch?
Met die vraag, de vragen rondom de geschiedenis, die hem erg bezig hield, wendde hij zich allereerst tot de Bijbel om een antwoord. En… hij vond dat antwoord bij de presbyters, de leerlingen van de apostelen. Hij werkte dit uit in zijn boek over de Hebreeënbrief uit 1969 en in Apocalyps en Evangelie, dat enkele jaren geleden verscheen.
Het bijzondere van de presbyters was, dat zij er zich op in moesten stellen dat de eindtijd, die in die overvloedige rijkdom van de oerchristelijke gemeente zo dichtbij leek, nog op zich liet wachten. Bij hen vond een herorientatie plaats: ook al duurt de tijd voort, al leven wij tot de wederkomst in een intermezzo, dan nog is Gods heil present, als hemelse werkelijkheid.
Door de doop, via het kerkelijke leven (dat toen enigszins structuur begon te krijgen) naderen wij tot het hemelse Jeruzalem. Zodoende is de toegang tot het eeuwige leven en de doorwerking van het ‘eeuwigheidsleven’ garant gesteld. De presbyters zijn zich bewust geworden van de roeping van de kerk om tijdens het intermezzo, dat voorafgaat aan de wederkomst, de volkeren op te vorderen Christus te erkennen. Het is haar roeping zich over de volkeren te ontfermen en hen in aanraking te brengen met het ‘eeuwigheidsleven’ dat haar ten deel viel. Zo is de kerk Gods liefdesbeweging naar deze wereld.

De kerk is van bóven! - vonken van de Heilige Geest
Maar let wel: ze is van boven, en mag dát karakter nooit verliezen. Als ze dát verliest, verliest ze haar bestaansrecht. Dan wordt het zout smakeloos. Dan verliest ze haar roeping uit het oog, en als gevolg daarvan verliest ze haar gedrevenheid. Voorwaarde voor haar bestaan is en blijft die betrokkenheid op het eeuwige leven. Voorwaarde is dat ze blijft zeggen “Wij zoeken de dingen die bóven zijn.“ Dat is haar opdracht en taak. En voor het zich kwijten van die taak wist Aalders zich een geroepene.
En daarin was hij een gedrevene! Wat hem dreef, was die aanraking met de Heilige Geest, die hij steeds weer ontmoette in de authentieke historie van de kerk, die liep via de vroege kerk, via de Reformatie en het Reveil tot in de dagen van zijn moeder toe. Hij ontmoette die historie in de mensen, die op zijn weg kwamen in Nederlands Indië en over wie hij zo graag sprak, o.a. mevrouw Idenburg. En die historie liep via ds. S.G. de Graaf, wiens preken hij hoorde als jongen. Bij hen vond hij het vuur van de Heilige Geest! Maar ook in de catholica. Naar die vonken was hij op zoek in zijn studie. Hij vond die bij Pascal, bij Newman, bij Augustinus, bij Luther.
Als dit vuur weer ontdekt werd, kon het komen tot een reveil. Ook nu! Een réveil! Want een reveil in de kerk was voor hem een heroriëntatie in de tijd op de rijkdom van het ééuwige leven. Een gegrepen zijn door de dingen die boven zijn en een leven dat daarop gericht is en daarvan vervuld is. Als de kerk die rijkdom weer eens zou ontdekken! Dan zou ze haar roeping weer verstaan! Dan zou ze zich weer authentiek, ook in de huidige tijd, kunnen richten op het volk van Nederland. En als vanzelf zou zij de weg vinden tot hernieuwing van het kerkelijk leven en tot vormgeving van de sacramenten en tot een adequate hedendaagse, gezaghebbende, profetische prediking!

Aalders’ weg door de kerk
En hóe heeft hij dáárnaar uitgezien en er aan willen meewerken dat dát weer zou gebeuren! Zo begon hij zijn predikantschap. Werkelijk met enthousiasme. Hij wist dat dít zijn roeping was. Het begin van zijn predikantshap had ook iets van Galilea. Vanuit dit oogpunt deed hij mee met de liturgische vernieuwing en wijdde hij zijn tijd aan studie. En hóe veel heeft hij gestudeerd!
Maar meer en meer kwam hij in aanraking met de weerbarstige werkelijkheid. Het werd hem niet vergund. Men móest dit niet. Ik sloeg deze week zijn boekje op Jeugd wat nu? uit 1945. Uit dit boekje spreekt de geest van wat volkskerk is: het is gedragen door het roepingbesef de jeugd een weg te wijzen in de naoorlogse jaren. Er spreekt hoop uit en verwachting. Maar wat er na de oorlog ook gebeurde, er was géén sprake van terugkeer. Eerder van een golf van revolutie. De jaren zestig, met hun studentenrevolte, waar afgerekend werd met het verleden. Hoe heeft hij daar onder geleden.
En het ergste was: de kerk bood geen tegenweer. Integendeel. Wat werd hij teleurgesteld in Karl Barth en diens epigonen. Hun evangelie was niet afgestemd op de presente werkelijkheid van Gods heil, hun heimwee reikte niet naar de dingen die bóven zijn. Hun boodschap werd ideologisch van aard. Ze waren op den duur alleen maar betrokken op de tijd. Het eeuwigheidskarakter was uit hun boodschap verdwenen en daarom hádden ze geen boodschap meer! Hij miste er de vreze des Heren in, die hij van jongs af aan kende. En dat manifesteerde zich o.a. in hun levenswijze.
Door afgestemd te zijn op de ‘vreze des Heren’, onderkende hij als weinig anderen in de naoorlogse jaren dat de kerk meer en meer opging in het voeren van allerlei acties voor een betere wereld, terwijl de hemel, en de dingen van het Koninkrijk van God, als díe werkelijkheid, die ons wedergeboren doet worden, verdween.
Toen kwam in 1968 zijn De grote Ontsporing, het boek tégen Barth. Het betekende het definitieve einde van een mogelijkheid op een kerkelijke carrière. Het was de tijd van de Open Brief (1967) van de vriendschap met Van Niftrik en het Getuigenis van 1971. Maar, hoe breed dit Getuigenis ook gedragen werd - er kwam geen verandering in de koers van de kerk. Integendeel, wat er kwam, was…. SoW.

Lijden aan de kerk
Ik denk dat er weinigen zijn die daar zó aan hebben geleden als mijn vriend dr. Aalders.
Als ik iets heel persoonlijks mag zeggen: tijdens ons allerlaatste gesprek vertrouwde hij me naast andere heel persoonlijke dingen dit toe: dat hij vreselijk, vreselijk eenzame jaren gehad heeft, waarin hij zich gelukkig gesteund wist door trouwe vrienden. Maar het was tegelijk onbegrijpelijk dat er bij velen zo weinig hartstocht geweest is tegen dit proces. Het gemis aan gedrevenheid voor de zaak van de kerk vond hij smadelijk. Dat men zo gemakkelijk overstag ging. Het heeft hem verbaasd. Waar lag dat toch aan? Wat was toch het verschil tussen hem en anderen? Dat moet soms een geweldige vraag geweest zijn. Een vraag die hem eenzaam maakte. Hij wilde de dingen niet zwart op wit stellen. Maar het was wel een vraag.
Hing het samen met wat Paulus hier zag in Handelingen 19 en hem de vraag deed stellen: Hebt u de Heilige Geest wel ontvangen? Die discipelen van Johannes misten gedrevenheid en kracht. En die had Paulus wel! Aalders ook. Er is in de naoorlogse jaren niemand geweest die zo adequaat tegen het seculariseringsproces geschreven heeft als hij. Hij schreef in zijn ouderdom het Hervormd Pleidooi (1994). Men heeft niet willen luisteren. Dat wekte soms zijn grote verontwaardiging op. Hij wilde soms een j’accuse schrijven. Toch paste hij daar wel voor op. Dat kwam hem niet toe. Hij koos een ándere weg. Onlangs zei hij: “We kunnen het zelf niet verwezenlijken. We hebben het geprobeerd, telkens opnieuw. Maar de wereld is té sterk gebleken. En we hebben terug moeten wijken. En dan wijken we en zeggen we: nou, I did it for His highest.“
We moeten wijken, wat zit daar niet in, als een zo gedreven man dat moet zeggen. En tóch! In zijn ouderdom, in zijn negentigste jaren week hij in zekere zin niet! Hij zag het als zijn taak om door gebed en studie ter wille van de eenvoudige gelovigen, die hun weg na de kerkfusie zoekend en tastend gaan, te zoeken naar een weg in déze tijd. De neerslag ervan vinden we in zijn laatste boeken. En hoeveel vrienden, predikanten en eenvoudige gemeenteleden is hij zó niet tot steun geweest!

Nieuw elan in ouderdom
Hem werd meer dan ooit duidelijk dat wij in een apocalyptische tijd leven! De tijd van de volkskerk is voorbij. Wellicht zelfs die van de kerk zelf. Wat ooit begon in Efeze, en waar zulke heerlijke dingen uit waren voortgekomen, het was voorbij. Een nieuwe fase zijn we ingegaan. Een apocalyptische fase. Dat zegt veel. Heel veel. Wat zegt dit dan? Dat we apocalyptische dingen mee gaan maken - 11 september 2001, de tsunami van vorig jaar, de aardbeving in Pakistan, moslimterrorisme enz. enz. O het kan niet lang meer duren en toch kan er nog wel een tijd overheen gaan tot het einde er is. In die tijd maken we apocalyptische dingen mee. Maar vóóral, en dát ontdekte hij, betekent apocalyps dat Christus in zijn glorie zich aan ons voordoet. In zijn dagboekje las ik “de staar valt van de ogen, dat is apocalyps.“ Hij doelde op dat wat Johannes meemaakte op Patmos, Apocalyps 1. Van dit hoofdstuk zei hij: “het is een lievelingshoofdstuk van me.“ Ja, die tijd zijn we ingegaan! De kérk is weg, nu zijn we als de Emmaüsgangers, verweesd. Nu staan we als Daniël, eenzaam in de geschiedenis. De machten doen zich aan ons voor. Wat een kracht, een tegenkracht tegen het Evangelie, de traditie, de wet, de gemeente van Christus.
Het is de situatie die Israël meemaakte in de ballingschap. Maar juist in die situatie zag Daniel méér dan anderen de heerlijkheid van God en de heerlijkheid van Zijn beleid. In die situatie ontstond in Alexandrië - twee eeuwen voor Christus - de Septuagintavertaling. En dat was een voor- Pinksteren, een beleven van het heil in het heden door God zelf. En die vertalers namen de profeet Daniël op als profetie! Als heilsprofetie van dat wat zou komen. Zo vormt de Septuagint de schakel tussen het Oude en Nieuwe Testament. En zo is er éénheid in de geschiedenis. Voor die eenheid van het wereldomvattende heilswerk van God, kreeg iemand als Philo oog. Hij werd daarbij geïnspireerd door de Septuagint. Hetzelfde geldt voor Flavius Josephus. En dat in een apocalyptische tijd!
Op een nog veel rijkere manier geldt dat van Christus. Uit de Schriften (onder andere de Septuagint) heeft Hij geput en dat heeft Hem in staat gesteld zijn werk te doen en Hem ertoe gebracht te zeggen: “Ik ben de Zoon des mensen, degene die door de Vader alle heerschappij in hemel en aarde heb ontvangen“ Mattheüs 28: 18. Ook voor deze tekst had Aalders grote liefde, evenals voor die andere die door deze Pantocrator met zoveel innige liefde en betrokkenheid tot zijn kudde gesproken wordt: Ik ben de goede herder (Johannes 10: 11).
Het verheugde Aalders bijzonder die eenheid in de historie te ontdekken. In een boekje dat hij me gaf met heel persoonlijke aantekeningen schreef hij: er is een begin, bersejit, er is een einde, acharit. God werkte en Hij werkt en dát vormt de garantie dat die acharit ook komt! Dat is voor hem een ervaring geweest, een schokkende, verheugende ervaring. Daardoor kréég hij nu al zicht op die voleinding. Het begin was er en het midden, dat wil zeggen: de schepping en Christus’ komst op aarde die uitliep op zijn opstanding! Dan kán het niet anders of het heeft een vervolg. Het einde. En tot dat einde leidt ons de goede Herder. Aan Zijn leiding vertrouwde hij zich toe.

Gedrevenheid
Maar dat niet zonder een dringende vraag te stellen. Deze vraag: “wat mij zo verbaast, is dat u zo weinig gedrevenheid hebt en zo maar hebt kunnen laten gebeuren en er u bij neerlegt: kent u dan niet die gedrevenheid voor de kerk? Hebt u de Heilige Geest wel ontvangen?“
Deze mannen in Efeze kenden alleen de doop van Johannes.
Aalders zei: “zo zijn velen, ook onder de orthodoxie: ze zijn wel met Christus bezig, maar het is niet de doorbraak dat ze er rijker op geworden zijn en dat de toestand niet meer is als vroeger. Maar dat er een hoger heerlijkheid is, het verheerlijkt te zijn. Ze kennen alleen het kruis, de goedigheid van Christus en niet de glorificatie. Daarom hebben ze hebben geen echt Evangelie. Het is niet wat Dodd genoemd heeft new reality. Het gaat om de rijkste gave die God gegeven heeft: Zijn Koninkrijk! En dat is niet vergeving van de zonde. Dat is op een of andere manier einbegriffen, maar dit maakt het wezen ervan uit: dat je in een nieuwe werkelijkheid overgezet wordt.“
En toen kwamen de al aangehaalde woorden: “We hebben het geprobeerd, maar de wereld is té sterk gebleken. En we hebben terug moeten wijken. En dan wijken we en zeggen we: nou, I did it for His highest. Ik heb het ook geprobeerd, ik heb gestudeerd in de hoop dat de kerk het op zou nemen en al enige vorm eraan zou geven en in het ambt en aan de universiteit heb ik het geprobeerd. En in De Kerk het hart van de wereldgeschiedenis. In de goede herder-gestalte. Iets daarvan heb ik ook gezien.“ Dat verklaart Aalders’ gedrevenheid.
Deze profetische man is niet meer onder ons. Wat een verlies! Gelukkig is er nog heel veel bewaard, om uit te putten: de vele boeken en artikelen, gelukkig ook zijn recente boeken. Gelukkig bleef hij lange tijd leven. Na zijn dood spreekt hij nog. Ook door deze indringende vraag: als u zo traag blijft, dan vraag ik u: hebt u de Heilige Geest ook ontvangen? Met andere woorden: bent u bestand tegen de tijd? Zoals een Daniel?
“O“, zou hij zeggen, “ik kan u vertellen het is niet gemakkelijk o nee. Er was bittere eenzaamheid. Gelukkig was daar mijn vrouw. Gelukkig was er het uitzicht op het Koninkrijk Gods, waren er de gezangen, de psalmen, de traditie van Plato, die wees op de eeuwigheid, Socrates, maar vooral: is er de kanon, de kanon en de christelijke schrijvers door de eeuwen heen, Augustinus, Luther, Calvijn, Pascal, Hamann, Kierkegaard, Newman, Kohlbrugge, Groen, vooral Groen. In hun lijn is hij gebleven. Tot op het laatst. En op zijn sterfbed zei hij: “Straks zal ik horen wat mijn vrouw me voorhield, als ik zo eenzaam was en toch aan het schrijven was. Ze zei: straks zegt Christus tegen je: gij getrouwe dienstknecht, kom binnen in de vreugde des Heren en….En als Hij dat gezegd heeft, dan is ook zij daar. En zij weet er de weg al.“
Dit zij deze getuige, deze belijder gegund.
Zo heeft zijn leven iets beschamends. Wie heeft er na de oorlog zo authentiek christelijk beleden? En zo heeft de vraag waarmee ik besluiten wil iets heel indringends, vanuit zijn gedrevenheid: “En gij, hebt gij de Heilige Geest ontvangen!?“