Terug naar Ecclesianet.nl

Rousseau op de troon

L.J. Geluk, Rotterdam/ H. Klink, Hoornaar

Op dinsdag 15 april jl. bracht de Commissie Gelijke Behandeling (CGB) een advies uit met betrekking tot trouwambtenaren die gewetensbezwaren hebben tegen het voltrekken van een zgn. homohuwelijk. De commissie adviseert gemeenten mensen die gewetensbezwaren hebben om die reden af te wijzen bij sollicitatie.

 

Dit geeft ons in om boven dit artikel te schrijven “Rousseau op de troon”. En dat vanwege het type ‘democratisch denken’ dat naar alle waarschijnlijkheid achter dit advies van de Commissie ligt. Men zou de vorm van ‘democratie’, die de commissie volgens haar advies voorstaat een absolute democratie of totalitaire democratie kunnen noemen, of zoals een uitdrukking zegt: de democratie van ‘de helft plus één’. Het is een vorm van democratie zoals men die vindt in het bekende en zeer invloedrijke boek van Jean-Jacques Rousseau (1712-1778) Du Contract Social (1762). In dit boek stelt Rousseau de vraag aan de orde hoe een mens in een staatsordening zowel onderdaan als (en daar ging het Rousseau vooral om:) vrij kon zijn. Ooit, zo stelt de wijsgeer, waren de mensen vrij. Dat was de
tijd voordat zij in sociale verbanden gingen leven. Toen kwam er een moment waarop het nodig bleek dit te gaan doen. Er moest een overheid komen, om bescherming te bieden tegen allerlei gevaren, o.a. van roof.

Toen iemand iets zijn eigendom ging noemen, sloeg het uur dat de mens de overgang maakte van de oorspronkelijke natuurstaat naar een samenlevingsvorm waarin sprake is van overheid en onderdanen. Rousseau was buitengewoon geïnteresseerd in de vraag hoe men een staatsvorm kon krijgen, die recht deed aan de behoefte van de mens aan een overheid, waarbij de mens toch de oorspronkelijke vrijheid uit de natuurstaat niet verloor!
Hoe kan hij vrij zijn en toch onderdaan zijn?
Hij bedacht een ingenieus antwoord: Dit is alleen mogelijk in een democratie. Daarin geeft de mens iets van zijn vrijheid op en dit ‘iets’ legt hij in handen van de overheid. De vrij gekozen overheid is nu de instantie die de dienst uitmaakt. Dat is in zekere zin een beperking van de vrijheid van de onderdaan. Maar de onderdaan weet dat de regering regeert in opdracht van het volk. Het volk heeft haar gekozen, in alle vrijheid; de regering handelt in naam van het volk en op die manier blijft het volk vrij. Natuurlijk heeft Rousseau ingezien dat ook dan zich moeilijkheden kunnen voordoen.
Stel je voor dat een minderheid het met het beleid van de regering niet eens is. Het antwoord dat Rousseau dan geeft, is veelzeggend: dan moet de minderheid bedenken dat de meerderheid (“de algemene wil”), het altijd bij het goede eind heeft. De minderheid heeft mandaat gegeven aan de algemene wil om teregeren. Zij deed dat in alle vrijheid. Aan die wil is zij nu gebonden. De enkeling die bezwaar heeft tegen regeringsmaatregelen moet eenvoudigweg bedenken dat hij in het ongelijk staat, wanneer zijn wil niet vereenkomt
met die van de meerderheid.

In deze trant moet de CGB gedacht hebben, toen zij besloot dat de minderheid die op dit punt ander denkt dan de meerderheid (de wet op het ‘homo-huwelijk’ is nu eenmaal aangenomen in de Kamers) niet meer in aanmerking moet komen voor een overheidsfunctie
van ambtenaar van de burgerlijke stand. De commissie gaat ervan uit dat de bezwaarden op den duur ook anders gaan denken. Iedereen ontwikkelt nu eenmaal!
Ons dunkt: dit advies gaat tegen alle recht en rede in, in ieder geval tegen datgene wat in de mensheid tot voor enkele decennia altijd en overal gezien werd en gegolden heeft als normaal. De CGB adviseert gemeenten om diegenen uit te sluiten (indirect: te straffen),
die er principes op na houden zoals die tot voor kort allerwegen onwrikbaar vast leken te staan! En dat terwijl de CGB wéét dat tal van christenen onoverkomelijk bezwaar hebben tegen het homohuwelijk. Wij kunnen het niet anders zien dan dat dit advies in zijn consequentie discriminerend is. Ook al omdat de mogelijkheid van beroep op gewetensbezwaar, dat in de wet verankerd is, juist bedoeld is om in zulke gevallen in een regeling te voorzien.
De grote vraag voor veel christenen zal zijn, hoe zij hier in de praktijk mee moeten omgaan. Het is bekend dat in de vroege kerk christenen in het Romeinse Rijk sommige posities niet in wilden nemen. Men ontweek ze. In een land als Nederland, dat zo’n
geheel andere achtergrond heeft dan het Romeinse Rijk van weleer, is dit wel extra wrang. Als men de situatie van de christenen van nu en die van toen vergelijkt, moet men zelfs zeggen dat de situatie in ons land nú, akeliger lijkt te worden dan de situatie toen. De
reden hiervoor is, dat het recht in die tijd ánders verankerd was, dan in onze tijd. Men leefde nog dicht bij het adagium, dat we ook bij Paulus tegenkomen als hij in een van zijn brieven schrijft: “leert de natuur u zelf niet”. Het rechtsbewustzijn werd nog gestempeld door
het besef dat er een goddelijke rechtsorde was, die haar uitdrukking vond in de schepping (de natuur) en die daar bovenuit ging. Het rechtsbewustzijn was dus nog enigermate, ondanks de zonde, gerelateerd aan de schepping. Men vindt dat bij Plato (men leze zijn
Wetten) en vooral bij Aristoteles en de Stoïcijnen, zoals Cicero en Seneca. Juist dat besef, dat er een rechtsorde is, die de mens niet zelf ontwerpt, maar waarin hij zich moet voegen, een orde die door God in de wereld is gelegd en als opdracht aan de mens wordt
gegeven, maakte dat deze mensen oog hadden voor het feit dat een overheid niet zomaar besluiten kan wat zij wil. Men zou dit recht met een uitdrukking van Edmund Burke het ‘natuurlijke recht’ kunnen noemen. Dit ‘natuurlijke recht’, waardoor de heidenwereld
nog enigszins gestempeld werd, heeft ook in Israël een belangrijke plaats gekregen. Men leze er de wijsheidsboeken van het Oude Testament op na, onder andere Jezus Sirach. Wat de stoïcijnen beweerden, wordt in deze boeken op nog veel zuiverder manier naar voren gebracht: de wet van God wordt in verband gebracht met de wijsheid, die in de schepping ligt en waarmee God de schepping heeft toebereid. Over die schepping lezen we in Genesis. Het is de glorie van Israël veel duidelijker te weten van Gods schepping en
scheppingsordeningen dan alle andere volkeren, die er slechts een glimp van hebben opgevangen. Maar deze wisten er wel degelijk van! Zo was er een algemeen bewustzijn van een hoger recht. Nog eens: Paulus doet er in Romeinen 2 een beroep op!
Dat is nu heel anders geworden. Sinds Rousseau is de mens zichzelf tot een wet en stelt hij zichzelf de wet. En dat via de democratie. Zo kan de wetgever voorbij gaan aan wat in de schepping, ofwel in Gods scheppingsordeningen gelegen is. Zij die daar wel aan vast
wensen te houden, komen in de verdrukking, ja krijgen bijna de status van tweederangsburger. En zo kan het gebeuren dat mensen uit publieke functies geweerd worden vanwege iets wat over de hele wereld en tot voor kort ook in ons eigen land als volkomen vanzelfsprekend werd beschouwd. Van een bovennatuurlijke norm wil men echter in het huidige recht niet weten. Dat heeft tot gevolg dat het recht gaat schuiven en dat men de oorsprong ervan zoekt in de mens, in de algemene wil, waaraan de enkeling zich moet conformeren1.
Het gaat ons in het protest dat wij willen laten horen tegen het advies van deze commissie niet slechts om het punt van de discriminatie van ambtenaren. Veeleer is hetgeen nu geadviseerd wordt symptomatisch voor een bepaald rechtsbewustzijn. De aloude vraag, die door Plato al aan de orde werd gesteld (o.a. in zijn dialoog Protagoras) doemt weer op, of het recht gegrond is in de mens, of in iets boven de mens. En of de maatschappij een optelsom is van de wil van alle individuen, of dat er een hogere verantwoordelijkheid
bestaat, ja mag bestaan. En of ambtenaren zich naar die overtuiging mogen richten, ja dan nee. Dáár ligt de principiële kwestie. We snijden dit te meer aan omdat de heer A.G. Casterman, voorzitter van de CGB in het Reformatorisch Dagblad van zaterdag 19
april jl. verklaarde dat christelijke scholen er mee moeten rekenen dat zij in de toekomst mensen met een homoseksueel leefgedrag niet om dit enkele feit mogen weren, ook niet als deze levenswijze voor hun besef tegen Gods scheppingsordening ingaat.

Toen de Wet Gelijke Behandeling werd aangenomen en artikel 1 van de Grondwet vastgesteld werd, schreef dr. W. Aalders een artikel in dit blad “Nederland let op uw saek”. Daarin waarschuwde hij, voor een ontkerstende samenleving, die steeds verder weg groeit van haar christelijke oorsprong.

Een punt waar wij ook op willen wijzen is dat het genoemde advies van de CGB wellicht te maken heeft met de trend om alle godsdiensten over een kam te scheren en om verworven rechten (bijv. de stichting van scholen met eigen identiteit) van christenen te reduceren, teneinde uitwassen in de islam tegen te kunnen gaan. Dit zou een uiterst kwalijke ontwikkeling zijn.
Een vraag bij dit alles is wat de kerken zullen doen? Zal bijvoorbeeld de PKN in overleg treden met de overheid, zoals de Church of England dat deed, toen in Engeland, vorig jaar het adoptiebeleid werd aangepast en christelijke organisaties, die geen kinderen bij
homoparen geadopteerd wilden laten worden, in grote moeilijkheden kwamen? De moeilijkheid is dat de PKN geen krachtig geluid kán laten horen, omdat ook zij in haar statuten het ‘homohuwelijk’ voor geoorloofd acht. Eens te meer blijkt hieruit hoe ernstig het is
dat binnen de kerken in de afgelopen jaren, op grond van een progressieve uitleg van het Evangelie, die ingezet werd door vooral Karl Barth, die zich fel verzette tegen iedere vorm van goddelijke ordeningen in de schepping, geen recht meer gedaan werd aan de eigenstandige Godsopenbaring in de schepping en de wet. Daardoor zijn we in ons land nóg verder achter op geraakt. De gevolgen voor de enkele burger die in het spoor van de Schrift wenst te gaan, worden steeds meer merkbaar.