Terug naar Ecclesianet.nl

Augustinus over het gelukkige leven (II, slot)

RReeds eerder, vlak na zijn bekering in 386, had
Augustinus stilgestaan bij wat het gelukkige leven
inhoudt. Hij had daar zelfs een geschrift aan gewijd:
Het gelukkige leven (De beata vita), ontstaan ter gelegenheid
van zijn twee-en-dertigste verjaardag, de dertiende
november, uit een driedaags gesprek met familie
en vrienden op het landgoed van zijn vriend
Verecundus, in Cassiciacum, ruim dertig kilometer van
Milaan.


Tijdens die gesprekken kwam men tot de conclusie, dat
iemand, die niet heeft wat hij verlangt, ongelukkig is. En
ook dat iemand, die wèl heeft wat hij verlangt, ongelukkig
kan zijn. Wat moet een mens dan verlangen om
gelukkig te worden?
Er wordt aangetoond, dat zonder kennis geen
geluk kan bestaan. Wie de wijsheid van het kennen
van God bezit, is gelukkig. Hierin bestaat dan ook het
ware geluk. In zijn Nalezingen (Retractationes) uit het
jaar 426 vat Augustinus het toen besprokene zó
samen: “In dit boek zijn we na een gezamenlijk onderzoek
het erover eens geworden, dat een gelukkig
leven niets anders is dan een volmaakte Godskennis”.


Wanneer we ons verdiepen in dit dispuut over Het
gelukkige leven, moeten we toch wel constateren, dat
Augustinus nog stond op de drempel van het christelijk

geloof. Veel daarin doet ons wijsgerig aan. Hij kende
de Heilige Schrift toen nog niet goed. Slechts tweemaal
wordt een bijbeltekst aangehaald. Heidense schrijvers
worden vaker geciteerd. Vergeleken met wat in de
brief aan Proba staat, heeft het geloof nog enkel een
intellectualistische betekenis en mist het een objectieve
inhoud. Ook na zijn doop geldt dat eerst nog.
Het was alsof Augustinus’ moeder Monnica, die
ook bij de gesprekken op die novemberdagen aanwezig
was geweest en daaraan had deelgenomen, dat
begrepen had. Want op het eind nam ze na alle wijsgerige
bespiegelingen nog even het woord. Augustinus
schrijft: “Mijn moeder bracht zich weer de woorden
te binnen, die zich diep in haar geheugen hadden
vastgehecht, en, als het ware in haar geloof ontwakend,
welde dat vers van onze bisschop (Ambrosius)
uit haar op: ‘Drieënige, sta de smekelingen ter zijde’,
en zij voegde er aan toe: ‘Waaraan niemand twijfelt,
is, dat het gelukkige leven het volmáákte leven is. We
moeten er op vertrouwen dat spoedig te kunnen bereiken
door een vast geloof, een levendige hoop en een
vurige liefde’”.
Het ware gelukkige leven had dus volgens Monnica
een wezenlijke inhoud en omvatte méér dan een wijsgerige
kennis.


Dat Monnica hiermee in de goede richting wees, gaf
Augustinus trouwens zelf in zijn Nalezingen te kennen:
“Ik heb (in mijn Het gelukkige leven) gezegd, dat tijdens
dit leven het gelukkige leven alleen in de ziel van
de wijze huist, hoe het ook met zijn lichaam gesteld is,
terwijl daarentegen de apostel de volmaakte kennis,
dat is: de grootste kennis, die een mens kan bezitten,
in het toekomstige leven verwacht (1 Kor.13:12), want
dát alleen is het gelukkige leven te noemen, waar ook
het onverderfelijk en onsterfelijk lichaam zonder enige
last of enig verzet zich aan zijn geest zal onderwerpen”.
Het komt er dus op neer, dat hij erkende, dat hij
een tijdlang het gelukkige leven had gezocht in een
wijsgerige geluksstaat reeds hier op aarde, maar dat
hij daarna mocht ontdekken, dat het uitsluitend bestaat
in het heil hiernamaals.
Uit omstreeks 413 bezitten we ook een preek van
Augustinus waarin hij het gelukkige leven ter sprake
brengt. “Gelukkig is het volk, dat het niet zoekt in de
vleselijke genieting en ook niet in zijn eigen deugdelijkheid,
maar: ‘Gelukkig is het volk, dat de Here als God
heeft’ (Ps. 33: 12; 144: 15). Dáár (bij God) is het
vaderland van het geluk, het door allen gewenste,
maar niet door allen op de juiste manier gezochte.
Laten wij voor ons de weg naar dat vaderland niet zelf
uitdenken en ons dan op dwaalwegen begeven, want
uit dat vaderland is ook al de weg erheen gekómen”.
En op het eind van de preek lezen we dan: “Maar
langs welke weg gaat men om dat grote bezit, dat
geweldige geluk te verkrijgen? De wijsgeren hebben
voor zich dwaalwegen uitgestippeld. Sommigen zeiden:
“Hierlangs!”. Anderen: “Nee, niet daar-, maar
hierlangs!” De weg bleef voor hen verborgen, omdat
God de hoogmoedigen weerstaat (1 Petr. 5: 5). Ook
voor ons zou de weg verborgen zijn gebleven, als die
niet naar ons was toegekomen. Daarom zegt de Heer:
‘Ik ben de weg’ (Joh. 14: 6). Luie reiziger, u wilde niet
naar de weg komen; daarom is de weg naar u toe
gekomen! U zocht waarlangs u moest gaan: ‘Ik ben
de weg’. U zocht waarheen u moest gaan: ‘Ik ben de
waarheid en het leven’ (Joh. 14: 6). U zult niet verdwalen,
wanneer u náár Hem en via Hem gaat”.
In een andere preek, in Carthago gehouden in
419, gaf Augustinus eveneens aandacht aan het ware
geluk. Asaf, de dichter van Psalm 73, verwachtte eerst
van God het geluk in dit aardse leven te krijgen. “Hij
probeerde hier op aarde te vinden wat God voor de
Zijnen in de hemel bewaart. Hij wilde hier gelukkig
zijn en het geluk is hier nu eenmaal niet. Het geluk is
namelijk iets goeds, iets prachtigs, maar het heeft zijn
eigen gebied. Uit dat gebied van het geluk is Christus
gekomen, maar ook Hij heeft hier geen geluk gevonden:
Hij is uitgelachen, beschimpt, gevangengenomen,
gegeseld, geboeid, geslagen, met smadelijke fluimen
bespuwd, met doornen gekroond, aan een kruishout
gehangen. En op het einde ging de Here de weg naar
de dood (....). Waarom zoekt u als slaaf hier dan het
geluk, waar ook de Heer de weg naar de dood
ging?”.

“Die man (Asaf) komt weer tot bezinning, hij corrigeert
zichzelf en berispt zich, dat hij ooit op aarde
naar aards geluk heeft gezocht, alsof dat het loon was
waarvoor hij God diende. Maar hij berispt zich door
te zeggen: ‘Want wat is er voor mij in de hemel?’ Wat
daar voor mij is? Eeuwig leven, onbederfelijkheid, het
als koningen heersen met Christus (Openb. 20:4), het
gezelschap van de engelen. Er is daar geen onrust,
geen onwetendheid, geen gevaar, geen beproeving.
Enkel maar echte, zekere, bestendige veiligheid”.
Een preek, gehouden in de Paastijd na 400, beëindigt
Augustinus zó: “Wij zullen aan het gelukkige
leven slechts dan deel krijgen, wanneer wij gekomen
zijn naar Hem, die naar ons gekomen is, en wanneer
wij zullen samenzijn met Hem, die voor ons gestorven
is.”


I. J. Wisse, Rijnsburg