Terug naar Ecclesianet.nl

Augustinus over het gelukkige leven (I)

Er wordt weleens gezegd, dat in het algemeen de mensen
van onze tijd er nauwelijks meer toe komen of er zelfs
niet toe in staat zijn om brieven te schrijven. Andere
moderne communicatiemiddelen maken dat overbodig.
In de oudheid was dat anders. Er was een vrij groot briefverkeer,
dat zich niet beperkte tot de ontwikkelde kringen.
Ook van heel eenvoudige mensen zijn er brieven over,
niet zelden vol taal- en spelfouten.
Het zal ons daarom niet verwonderen, dat ook van
verscheidene grote figuren uit de oudchristelijke wereld
brieven bewaard zijn gebleven, onder wie van Augustinus.
Deze richtte zich onder andere met een lange brief
tot een zekere Proba (Brief 130), een vrouw, die weduwe
was en uit Rome was gevlucht, nadat de stad in 410 was
ingenomen door de Goten. Zij was geboortig uit één van
de oudste, aanzienlijkste en rijkste adellijke geslachten uit
het Romeinse rijk, en moeder van niet minder dan drie
consuls (hoogste ambtenaren in de staat). Met haar
schoondochter, die al vroeg haar man verloren had, en
haar kleindochter en verschillende andere familieleden
was zij overgestoken naar Noord-Afrika.
Proba was de erfgename van een enorm aantal landgoederen,
maar ze was niet hebzuchtig. Integendeel, zij
heeft veel van wat ze bezat, afgestaan voor goede doeleinden.
Maar ze ging gebukt onder de gedachte aan de
vergankelijkheid van de menselijke dingen. Na hun vestiging
in Carthago, de hoofdstad van de Romeinse provincie,
zocht ze contact met Augustinus, die toen bisschop
was van Hippo Regius, in dezelfde provincie gelegen. De
vrome vrouw vond troost in het gebed, maar wilde nu
graag van Augustinus weten hoe en wat ze moest bidden.


In een brief antwoordt hij haar dus. Hij bespreekt hierin
naast de inhoud van het gebed ook het “hoe” ervan. Wat
nu echter speciaal onze aandacht vraagt, is waar we volgens
hem om hebben te bidden. Dat was het namelijk
waar Proba mee zat. Ze was verontrust over de woorden
van Paulus: “Wij weten niet wat wij bidden zullen naar
behoren” (Rom. 8: 26). En dan schrijft Augustinus: “Wat
de inhoud van het gebed betreft: die kan ik als volgt
samenvatten: vraag in uw gebed om het gelukkige leven.
Dat willen immers alle mensen hebben. Zelfs degenen,
die zeer slecht en verdorven leven, zouden geenszins zo
leven, als ze niet dachten, dat ze op die manier gelukkig
waren. Wat anders behoort u dus te vragen in het gebed
dan datgene wat slechte en goede mensen begeren,
maar wat alleen de goede mensen ten deel valt”.
Maar wat is dat: het gelukkige leven?, zo vervolgt de
bisschop dan. In ieder geval niet een leven zoals je zelf
wil. Er zijn mensen, die slecht willen leven. We zullen toch
niet durven beweren, dat ze op deze manier het ware
geluk bereiken. Ook wanneer we alles hebben wat we
willen en we geen onbetamelijke dingen doen, zijn we
nog niet werkelijk gelukkig. Dan hebben we wel iets, dat
niet misstaat, maar dan zijn we toch nog ver van het
gelukkige leven verwijderd. We mogen zeer zeker streven
naar comfort en welstand voor onszelf en voor onze familieleden,
als het ons daarbij tenminste te doen is om een
goed gebruik hiervan. “Als men ze echter nastreeft uit
ijdele hooghartigheid en zelfverheffing en om een overdadige,
ja zelfs schadelijke praal, die slechts schone schijn is,
dan is het niet gepast”.
Augustinus citeert dan 1 Tim. 6: 6-10: “Nu brengt
inderdaad de godsvrucht grote winst, indien zij gepaard
gaat met tevredenheid. Want wij hebben niets op de
wereld meegebracht; wij kunnen er ook niets uit meenemen.
Als wij echter onderhoud en onderdak hebben, dan
moet ons dat genoeg zijn. Maar wie rijk willen zijn, vallen
in verzoeking, in een strik, in vele dwaze en schadelijke
begeerten, die de mensen doen wegzinken in verderf en
ondergang. Want de wortel van alle kwaad is de geldzucht.
Door daarnaar te haken zijn sommigen van het
geloof afgedwaald en hebben zij zich met vele smarten
doorboord”.
Van de tijdelijke dingen zijn, aldus Augustinus in zijn
brief aan Proba, welzijn en vriendschap zonder meer
goed te noemen. “Wanneer wij deze twee echt goede
dingen, welzijn en vriendschap, hebben, moeten we er in
het gebed om vragen, dat we ze mogen behouden, en
wanneer we ze niet hebben, moeten we bidden, dat we
ze mogen verkrijgen”.
Maar dit is niet alles. De Heilige Schrift leert ons, dat
er nog iets anders is waaraan we de voorkeur moeten
geven boven dit alles. Het gaat ten diepste om het leven
in de eeuwigheid, om het niet meer eindigende leven met
God. “Wie dat heeft, het éne ware en enig gelukkige
leven, zal alles hebben wat hij wil, en onder die omstandigheden
zal hij zelfs niets meer kunnen willen hebben
wat niet past. Daar is immers de bron van het leven
(Psalm 36:10) waarnaar wij nu behoren te dorsten in het
gebed, zolang we in hoop leven en nog niet zien wat we
hopen (Rom. 8: 25). (...) Daar zal ons verlangen verzadigd
worden met een overvloed aan goeds en zal er niets
meer zijn waar we onder zuchten om zullen vragen, aangezien
we alles vol vreugde zullen bezitten”.
Dat nu hield Augustinus Proba voor wat betreft het
gelukkige leven.


I. J. Wisse, Rijnsburg