Terug naar Ecclesianet.nl

Kerstmis wijst ons naar de toekomst (Vraaggesprek met dr. W. Aalders)

Het onderstaand vraaggesprek werd in 2004 door de redactie van het Katholiek Nieuwsblad met dr. W. Aalders gehouden. Het werd in het nieuwsblad gepubliceerd op 17 december 2004. Dr. Aalders stelde het de redactie van Ecclesia onlangs ter beschikking.

Oud-predikant én oud-hoogleraar. Herder én wijze. Dr. W. Aalders verenigt het thema van dit kerstnummer in zijn persoon. Hij beleeft het Kerstfeest als een apocalyptisch feest: “Kerstmis is het begin van het einde. De Verlosser is op aarde gekomen. We weten van de eindtijd, want we hebben Hem in ons midden en worden door Zijn Geest geleid. Dáár moeten we ons op richten. Ik wil Christus en het evangelie apocalyptischer zien uitgelegd en toegepast.“ Met vuur spreekt hij over de dingen die hij verwacht. Voor hem heeft ‘Apocalyps’ geen dreigende klank. Integendeel, het kondigt de vervulling aan, waarnaar hij als gelovige snakkend uitziet. In zijn 95e levensjaar heeft Aalders alweer een boek van de pers laten rollen: Confiteor - Ik belijd. “Mijn laatste“, zegt hij beslist. In het voorwoord zegt hij waarom: “Omdat in de Bijbel met het geloof niet alles gezegd is, maar steeds als allerlaatste nog een Hallel, een lofzang volgt.“
Na zijn trilogie over de betekenis van de Septuagint, de Griekse (maar joodse) versie van het Oude Testament, voelt Aalders nog de behoefte aan een ‘Alleluja’. Het is een beknopt maar geladen boek geworden. Niet zomaar een jubelzang als wel een bezinning op de geschiedenis, op de “Historie, die ook het vlammend schrift van de heilige God is.“ We spreken met hem in zijn appartement in Bussum.
Geeft dit boekje de essentie weer in zijn geloofshouding? Aalders: “Bijna een eeuw ben ik met deze tijd meegelift. In Indië heb ik nog het koloniale tijdperk meegemaakt. De wereldoorlogen, ’14-’18, ’40-’45 en de koude oorlog. In politiek en wetenschap heb ik de nieuwe vragen zien opkomen. De atoombom op Hiroshima, maar ook de aanslag op de Twin Towers.
Je voelt: we moeten ons wapenen, maar je weet: eigenlijk kun je je hiertegen niet wapenen. We gaan over een drempel heen. Het zijn aspecten van de eindtijd. We zullen de bijbel anders moeten gaan bestuderen. Niet meer als een dogmatisch boek. Niet dat het dat niet óók is, maar in onze tijd krijgt de bijbel een ander gezicht. Het is een boek geworden dat ons begeleiden wil, ons de weg wil wijzen. We zullen de bijbel dus eschatologischer en apocalyptischer moeten leren uitleggen. En de feesten van de Kerk, zoals Kerstmis, niet vieren als historische feesten, maar als heenwijzingen naar de toekomst.“

Hoe moeten we ons dan volgens de bijbel gedragen ?
“Kijk naar de Bergrede: die stelt ons niet in de wereld als durvers. Maar als burgers van de eindtijd en het komende
koninkrijk. Dáárom: ‘Zalig degenen die vervolgd worden, want hunner is het Koninkrijk der hemelen.’ Wij mogen niet rekenen op een gezapig en voorspoedig leven. ‘Wee u, gij rijken!’ Wij dienen het kleed te dragen van de eindtijd. Dat is belangrijker dan de vraag: ben je katholiek? Ben je protestant of anglicaan? Best!, best!, maar dat is alleen maar voorwaarde voor de grote stap die nu gedaan moet worden. Nu moet je zeggen: ‘Ik ben burger van het komende koninkrijk Gods en sta in contact met al die signalen die uitgezonden worden, van boven en vanuit het horizontale.’ We weten de dag niet en het uur niet, maar wel dat de Mensenzoon komende is. Kardinaal Newman heeft er zo prachtig over geschreven.
Hij zegt: Als dát eenmaal tot je doorgedrongen is, kun je niet meer leven als een gewoon krantenlezer, effectenbezitter
of carrièremaker. Er is dan altijd iets in je: O, hoe lang nog? Hoe lang nog moet ik mijn houding zoeken ten opzichte van al deze verschijnselen, want ik gruw ervan. En toch kan ik me er ook niet aan onttrekken. ‘Maar alrede zijn wij burgers van het koninkrijk der hemelen. En ons rijk is daarboven.’ Kolossenzen 3, vers 6.

Hoe ziet u de rol van de Islam ?
“Het is een andere duiding dan de christelijke. Ook de joden hebben een eschatologie (leer van de laatste dingen). Maar dat is die van de Messsias die als een overwinnaar Jeruzalem binnentrekt en het joodse volk tot zijn rechten en eer brengt. Bij de Heiland der wereld is het eschatologische nieuw gestempeld. En hoe wordt het dan? Zoals het staat in Johannes 10: ‘Ik ben de goede Herder’ en ‘Ik ken de mijnen en de mijnen kennen Mij.’ Die hardvochtige Semitische trekken heeft Hij niet. Niets daarvan. Hij trekt Jeruzalem binnen op een ezelin. ‘O mijn volk, ach dat gij u bekeert.’ Die tonen vind je elders niet. Wij kennen ze wel. Naar zo’n Heiland leven wij toe. Dat is het verschil tussen wet en evangelie. De wet houdt het oordeel in. Wij leven bij de genade en de verzoening. Deze Messiasgestalte mogen wij nu al vertegenwoordigen en uitdragen. Als een kostbaar geheim en zegel met ons meedragen. Daardoor is deze tijd ook te verdragen.“

Is dat de kern van uw werk ?
“Ja, dat heb ik in al die boeken successievelijk uitgewerkt en in het laatste willen samenvatten. In het Oude Testament
zie je al dat Israël het niet kan. Ze hebben een koning gekozen, Saul. Maar toch, het wordt chaos, steeds meer. Dan komt de Zone Davids: langzaam verrijst zijn gestalte bij de profeten, bij Jesaja, hoe langer hoe duidelijker, maar alleen nog profetisch. Bij het Kerstfeest klinkt dan opeens: ‘Ere zij God.’ ‘Vrede op aarde.’ Vrede! Sjaloom! ‘In mensen een welbehagen.’ Niet alleen voor Israel, niet alleen voor christenen. Nee: in mensen een welbehagen. De engelen zingen het en geleidelijk krijgt het voet op aarde.“

Wat is daar in onze rol als gelovigen ?
“In die geschiedenis zijn wij betrokken. Dienovereenkomstig moeten wij ons gedragen. Geen deining maken. Voorzichtig wandelen. Ik vind Johannes de grootste in dat opzicht. De afscheidsgesprekken van Jezus met de discipelen aan het Laatste Avondmaal. Dat vind ik zulke kostbare woorden. Zo worden wij de eindtijd ingeleid om van tevoren naar Zijn komst uit te zien. Het kan morgen wezen, het kan overmorgen wezen, het kan ook nog drie jaren duren, maar Hij is er al bij. Soms kun je dat op een treffende manier ondervinden. Een wonder, een genezing, een opwekkingsbeweging, zelfs een overwinning. Zulke dingen zijn er al wel, maar het is alleen maar wat het Nieuwe Testament noemt arraboon, een voorschotje, om ons te bemoedigen. Om te voorkomen dat we te diep in de put raken. Hij bemoedigt ons met zijn Heilige Geest, met zijn beloften. Maar ook met mirakelen. Toch blijven het voorproefjes van de grote dag. Intussen moeten we niet te veel vooruit lopen. Niet te veel kabaal maken. Alleen duidelijk zien, dat wij niet op deze wereld horen, maar onze liefde hebben liggen in de toekomst van Hem.“

Moeten we dan niet evangeliseren ?
“Jawel, maar niet te veel! Niet forceren. Want als je te hard gaat en spreekt met een dronken makende liefde, wek je verkeerde verwachtingen. Je moet je realiseren dat je een boodschap brengt met een grote reserve. Hij komt niet dadelijk uit. Je zult veel Ausdauer moeten hebben. Kun je wachten? Kun je trouw blijven? Kun je tegen een stootje? Dat wordt van je gevraagd. Dat is de stijl waarin nu het evangelie verkondigd moet worden: niet als een vervulling, maar als een toezegging van de vervulling. Als een troost voor bedroefde en wachtende harten. Waarbij we mondjesmaat voorzien worden van ons dagelijks brood. In de Eucharistie, maar ook het gewone dagelijkse brood.“

Wat is uw eigen houding hierin, als hoogbejaarde ?
“Wat mijzelf betreft, na het overlijden van mijn vrouw heb ik er nooit aan gedacht te hertrouwen. Mijn huwelijk is niet voorbij. Zij leeft nu alvast bij degenen die met de wederkomst terug zullen komen. Ik zal haar herkennen en zij zal mij herkennen en wij zullen weer bij elkaar horen, maar anders: op een rijkere en vollere manier. Want ik verwacht de wederopstanding des vleses. Maar we moeten weten dat we, als we het evangelie prediken, niet veel in de hand krijgen. Wel tref je vele geestverwanten en veel kleine dingen, waarvan je zegt: dit is een gebedsverhoring en een hulpe Gods. Maar ook veel uitstel, en veel wachten en veel bitterheid om dingen die we moeten afslaan. Maar daarin is Hij ons zelf voorgegaan.Hij die alles heeft afgelegd.“