Terug naar Ecclesianet.nl

Westers recht en de aard van de sharia (II, slot)

De aard van de sharia binnen de essentie van de islam
Het wezen van zowel de sharia als de islam in relatie
tot het door Lee Harris beschreven fanatisme is in de
jaren dertig door de Nederlandse zendeling en Leidse
professor Hendrik Kraemer knap beschreven in zijn
boek The Christian Message in a Non-Christian
World. Kraemer beschrijft daarin allereerst de twee
belangrijkste religieuze doelen van de profeet Mohammed
die de grondslag vormen voor de islam. Allereerst
maakte Mohammed Allah bekend als de enige
en de almachtige, schepper en koning van de oordeelsdag.
Daarnaast zocht Mohammed een gemeenschap,
in het Arabisch umma genoemd, die werd
geregeerd volgens de wet van Allah en zijn apostel.
Kraemer wijst er in zijn boek op dat de islam op een
radicale wijze Allah centraal stelt. “Het ziet Allah als
een ontzagwekkende, verschrikkelijke god. Allah’s
eenheid en enkelvoudigheid, zijn grimmige soevereiniteit
en zijn hoog verheven almacht branden gloeiend
nijdig in het binnenste van de islam”, schrijft Kraemer.
“Wie ook maar met zijn binnenste wezen heeft geluisterd
naar het gepassioneerde ontzag dat trilt door de
welbekende zinnen: Allahu akbar (Allah is groot) en
La sharika lahu (Hij heeft geen metgezel), beseft dat de
islam religieuze tonen van een enorme kracht en
eigenschap kent.”
Dit maakt deel uit van wat Kraemer een ‘proces van
oververhitting’ noemt. “De islam is op oververhitte
wijze godgericht. Allah ontvangt in de islam een oververhitte
grootsheid, almacht en uniciteit. Zijn persoonlijkheid
verdampt en verdwijnt in de brandende hitte
van zijn aanblikken. Deze gedepersonaliseerde aanblikken
van Allah, (…) zijn de werkelijke voorwerpen
van religieuze toewijding. De onderwerping aan
Allah, de fundamentele religieuze houding in de islam,
heeft dezelfde eigenschap van absolute meedogenloosheid.
De ideale gelovige […] is, om het zo te zeggen,
verpersoonlijkte onderwerping en niets anders.”
Kraemer wijst er op dat van een vrijwillige voorstelling
van de god van de islam geen sprake is. De mens
heeft geen plaats in de relatie tussen Allah en mens,
want de mens is volledig in beslag genomen door de
grootheid van Allah en verdwijnt geheel. Allah is te
verheven voor een vader – zoon relatie tussen hem en
de mens,, want dat suggereert een heiligschennend
gebrek aan verering voor het goddelijke.
Het tweede belangrijke element in de islam dat de
vasthoudende grip op zijn aanhangers verklaart, is de
islamitische gemeenschap, de hierboven genoemde
umma. De islam is in zijn wezen een theocratie; een
gemeenschap die een religieuze, politieke en sociale
eenheid is. En juist vanwege dit theocratische karakter
van de gemeenschap neemt de sharia, als het religieuze
recht van die gemeenschap, een zo centrale
plaats binnen de islam in. “Het recht is fundamenteel
voor de islam”, schrijft ook Roger Scruton in zijn boek
The West And The Rest, “sinds de religie groeide vanaf
Mohammeds poging om een blijvende gedragscode
aan zijn volgelingen te geven. Recht is met andere
woorden de wil van Allah en soevereiniteit is enkel
gelegitimeerd voor zover het Allah’s wil handhaaft en
daardoor wordt goedgekeurd.”
Religieuze leiders en rechtsgeleerden speelden en
spelen dan ook een belangrijke rol in de gemeenschap
omdat zij de bevoegdheid en geschiktheid hebben
om, binnen tal van grenzen die voornamelijk tussen de
achtste en de elfde eeuw zijn gevormd, het goddelijk
recht te interpreteren. Het probleem van een moderne
islam is volgens Kraemer dan ook dat hij op een of
andere wijze overeenstemming moet vinden met een
sharia die vooral gericht is op een middeleeuwse
samenleving.
Zowel Kraemer als Scruton wijzen echter nog op een
ander belangrijk aspect over de sharia waarover men
zelden iets hoort. Kraemer ziet als het diepste en meest
cruciale probleem van de islam dat zijn theocratie
vanaf de geboorte van de umma in Medina eigenlijk
een door en door ‘geseculariseerde theocratie’ is. Wat
Kraemer met deze term wil zeggen is dat volgens hem
de primaire inspiratie tot een theocratie niet berustte
op het inzicht in de wil van Allah als het enige geldende
recht in het leven, maar in de noodzakelijkheid
en het verlangen van Mohammed om door de organisatie
van zijn umma een machtiger positie te verkrijgen!
“Dus de bakermat van de islam was reeds een
voorproef van religieus imperialisme”, aldus Kraemer.
Scruton komt in dit verband uit bij een grote klassieke
denker, Ibn Khaldun (1332 – 1406), die de werkelijkheid
van de sociale orde en de aard van de kracht die
deze orde uitoefent eerder in seculiere dan in theologische
termen begreep. Volgens Ibn Khaldun worden
samenlevingen bijeen gehouden door een samenhangende
kracht (a cohesive force). Hij noemde deze
kracht ‘asabiya (Arabisch: zenuw, gewrichtsband). Ibn
Khaldun betoogt dat deze ‘asabiya een voorwaarde is
voor wereldrijken om hun macht te behouden. Dit
gegeven is volgens Scruton nog steeds invloedrijk en
werpt een interessant licht op de huidige moslimwereld,
waar ‘asabiya eerder de belangrijkste samenhangende
kracht is dan instituties.
Door Ibn Khaldun wordt dit uitgewerkt in een islamitische
politieke ordening. Seculier recht leidt volgens
hem tot een verval van ‘asabiya, want de wil om zich
te houden aan seculier recht is slechts gewaarborgd
door een externe kracht; namelijk via de staat. De sharia
werkt echter, zo betoogt Ibn Khaldun, direct op de
wil van de persoon en werkt dus intern. Als islamitisch
denker is Ibn Khaldun zeldzaam in zijn beschouwing
van de mogelijkheid van een politieke ordening die
niet berust op een religie, maar helaas eindigt zijn
gedachtegang met de onderschrijving van het traditionele
idee van een overheid die geconfisqueerd is door
de sharia.

 
Recht en religie in het Westen

Voor velen in heel Europa waren de recente uitspraken
van aartsbisschop Williams om de sharia gedeeltelijk
in Engeland in te voeren, onbegrijpelijk en zij riepen
dan ook felle reacties op. De vraag is natuurlijk
waarom de kerk in tijden van grote verwarring en
onrust zoveel deining moet veroorzaken door ruimte
op te eisen voor de islam. Het gebeuren heeft ons dan
ook wel iets te zeggen over de geestelijke toestand van
Europa. Niet voor niets schreef het gezaghebbende
Engelse onderzoeksbureau Royal United Services Institute
in een onlangs uitgekomen rapport “dat Groot-
Brittannië zichzelf presenteert als een doelwit, als een
gefragmenteerde, post-christelijke samenleving waarbij
het steeds meer en meer verdeeld raakt over de
interpretaties van haar geschiedenis, over haar nationale
doelen, haar waarden en in haar politieke identiteit.
Die fragmentatie wordt nog eens verergerd door
het stevige zelfbeeld van die elementen binnen Groot-
Brittannië welke weigeren te integreren.”
Eén van de gevolgen van de post-christelijke samenleving
is dat Europa niet langer ziet of wil zien dat er
tussen recht en religie wel degelijk een verband
bestaat. Dr. B.C. Labuschagne beschrijft dat proces in
zijn boekje Recht en religie. Sinds de negentiende
eeuw wordt godsdienst vooral benaderd in een rationele,
individualistische en functionele zin. Hierdoor
verdween het oog voor godsdienst als sociaal en
moreel zin- en richtinggevend en motiverend verschijnsel
dat niet losstaat van de inhoud van godsdienst. De
rechtswetenschap raakte onder invloed van het rechtspositivisme
en benaderde het recht functioneel en technisch
in plaats van het recht te zien als een inherente
zijnsordening van het menselijk samenleven. “Men
meende”, zo schrijft Labuschagne, “de metafysische*
aspecten van het recht buiten beschouwing te kunnen
laten en het recht geheel te kunnen begrijpen uit nuttigheidsoverwegingen
en als een geheel van door mensen
gemaakte gedragsregels.”
Het probleem van het Westen is dan ook dat het,
zoals we hiervoor zagen bij Harris, religie niet langer
begrijpt en de rede verabsoluteerd heeft. De islam
daarentegen lijkt van de rede niet veel te hebben
begrepen en heeft religie verabsoluteerd. Het christendom
heeft juist op dit terrein een boodschap voor deze
tijd. In het christelijk geloof vond men tussen God en
de werkelijkheid ruimte voor de rede. Rede en geloof
werden niet tegenover elkaar geplaatst, ook de kerk en
de staat niet. Maar wel kreeg elk van beide een eigen
domein toegewezen. Dit werd door de Reformatoren
als een belangrijk thema ervaren. Zo heeft Luther
gezegd dat zijn tweerijkenleer voor hem na de rechtvaardiging
door het geloof, zijn belangrijkste leerstuk
is, waar hij het liefst over uitwijdde. Luther spoort ons
dan ook aan om met de natuurlijke rede te werk te
gaan en wijs te zijn. Er mag geen tegenoverstelling,
maar ook geen vermenging van het rijk van de Kerk
en dat van de Staat gemaakt worden. Labuschagne
stelt dan ook terecht dat de idee van scheiding van
kerk en staat als staatkundig en juridisch beginsel een
van oorsprong christelijk idee is. Hij wijst er dan ook
terecht op dat de gehele verdere uitbouw van de
moderne rechtstaat berust op de staatsrechterlijke en
burgerlijke dimensie van het christendom!
De bisschop van Canterbury en met hem de gehele
kerk zou goed doordrongen moeten zijn van het
belang van Luther’s tweerijkenleer. Als hij dat was, zou
hij zijn recente opmerkingen over de sharia, die de
ontkenning daarvan belichamen, niet maken. Het toestaan
van elementen van de sharia bevordert geen
sociale cohesie, het tast de grondbeginselen van de
Europese constituties aan; namelijk dat er een wereldlijk
en een geestelijk domein bestaat. Het valt niet mee
om het juiste evenwicht en de juiste betrekking tot
elkaar te vinden. Maar juist in het christendom zijn de
voorwaarden daarvoor aanwezig, zodat er tussen
beide domeinen geen kortsluiting ontstaat. Dit evenwicht
kan gemakkelijk worden verstoord. Dat gebeurt
in de islam, het gebeurt ook als men van mening is dat
de scheiding van beide ‘rijken’ zou betekenen dat de
democratische rechtsstaat het niet van geestelijke en
morele waarden moet hebben. Men zou daar juist
meer oog voor moeten hebben en om die reden alleen
al de kerk meer moeten waarderen. Want de democratische
rechtsorde zelf kan die geestelijke en morele
waarden niet garanderen. Eeuwenlang hebben juist
deze waarden, die door het christendom geïnspireerd
werden, ervoor gezorgd dat er, ondanks allerlei vergroeiingen
(die waren er ook) een ‘gezond’ evenwicht
bestond (in allerlei variaties) tussen kerk en staat.
Het geeft te denken dat deze waarden meer en
meer uit de hoofden en harten van de Europese bevolking
lijken te verdwijnen. Het betekent echter nog niet
dat alles reeds verloren is. Wie uit de rijke christelijke
en culturele bronnen van Europa weet te putten, hoeft
het hoofd niet zomaar in de schoot te leggen. De kerk
zou al helemaal de laatste moeten zijn die het zover
laat komen. Als zij maar tot de bronnen terug zou
keren! Bijvoorbeeld naar Paulus’ brief aan de Galaten,
waar zeer behartigenswaardige dingen staan over
actuele kwesties als vrijheid en gebondenheid, God en
wereld. Het ware te wensen dat de kerk liever dan te
pleiten voor beperkte invoering van de sharia de
kracht van het christendom liet zien, in zijn vormende
kracht, die uitging van het geloof en een ethiek, die
verinnerlijkt is, in plaats van verstatelijkt te zijn.

Maarten Neuteboom, Leiden
* bovennatuurlijke